19 Twee stemmen en een derde die niet wilde

In de loop der jaren heb ik Fredrik Gårdare een paar keer ontmoet. Hij was destijds projectleider inlichtingen bij de provinciale recherche en hield zich vooral bezig met de georganiseerde misdaad. De afgelopen vijf jaar is hij hoofd van de eenheid die met jongerengangs in Botkyrka werkt. Hij houdt het kennelijk lang uit bij de politie. Voor een deel komt dit door zijn sterk analytische vermogen, maar ook omdat hij over belangrijke onderwerpen geen blad voor de mond neemt.

‘Natuurlijk zijn er agenten die allochtonen discrimineren’, zegt hij. Hij probeert voor zijn team geen agenten aan te nemen die jonger zijn dan 25 jaar.

‘Die jonge agenten zien alles vaak zwart - wit. Het wordt soms te veel zij en wij. En dan hebben ze veelal de neiging een neerbuigende houding aan te nemen. Daarbij zijn er maar weinig oudere mentoren die deze jonge agenten op het goede spoor kunnen krijgen.

‘Als ik met de jongens uit de voorsteden praat, merk ik bij hen vaak pure haat tegen de politie’, zeg ik. ‘Merken jullie dat ook?’

‘Ja, continu. We breken er vaak ook niet doorheen, ook niet als we na een arrestatie heel vriendelijk tegen hen zijn, bijvoorbeeld door ze koffie aan te bieden.’

Hij vertelt dat in het afgelopen jaar 45 procent van de jonge schoolverlaters in Botkyrka te lage cijfers had om tot een vervolgopleiding te worden toegelaten.

‘Het zijn vooral jongens. Dat betekent dus dat we het eigenlijk over bijna alle jongens daar hebben. En waar moeten die heen als zelfs degenen met wel een vervolgopleiding al moeite hebben een baan te vinden? Want ze praten een soort tweederangs Zweeds. Daarmee zijn ze opgegroeid. Veel van hen komen in een criminele gang terecht.’

Volgens Fredrik Gårdare bestaan er allerlei soorten gangs, variërend van als los zand aan elkaar hangende groepjes tot goed georganiseerde bendes met een sterke leider.

‘Is er een merkbaar verschil tussen allochtone en Zweedse gangs?’

‘Nee. Vaak zijn die groepen trouwens gemengd. Je hebt groepen van vijftienjarigen die een beetje in het centrum rondhangen tot bekende gangsterleiders met een zeer geavanceerde organisatie.’

‘Je klinkt een beetje gelaten?’

‘Ja, we staan van alle kanten onder druk. We komen geld tekort. De rijkspolitie beschikt over honderden agenten, maar in de directe omgeving van Botkyrka hebben we er nauwelijks één.’

‘Dan worden er ook niet veel resultaten geboekt, denk ik?’

‘Tja, alleen als we zo geconcentreerd te werk gaan als we onlangs in Botkyrka hebben gedaan, dan kunnen we er een hoop aanhouden en wordt het er merkbaar beter. Dat zeggen de mensen hier ook. Ze voelen zich nu veiliger. Maar hoe het op den duur zal uitpakken weet ik niet.’

*

Amona Abobaker is optimistischer.

‘Ik werk vaak tot ’s avonds laat’, vertelt ze. ‘En ik heb er geen probleem mee om naar mijn flat in Husby te lopen. Of ik nu daar werk of in Tensta of Rinkeby.’

Amona heeft haar wortels in Eritrea. Toen ze vijf jaar was kwam ze samen met haar moeder en zes broertjes en zusjes naar Zweden. Als jonge donkere vrouw zou je je kunnen voorstellen dat ze het eng vindt om in deze omgeving ’s avonds naar buiten te gaan, maar dat is helemaal niet zo.

‘Ik ben met deze kwajongens opgegroeid. En ik kan moeilijk bang zijn voor mensen die hetzelfde zijn als ik.’ Ze heeft in diverse jongerencentra gewerkt en een paar jaar in de leiding gezeten van het project ‘De Rustige Straat’ van de jongerenorganisatie Fryshuset.

‘Ik heb een paar goede vrienden bij wie het in het leven is misgelopen en ik denk dat ik daarom voor deze jongeren door het vuur ga’, zegt ze.

We ontmoeten elkaar een paar keer en ze probeert me in contact te brengen met vrienden en familie van de vermoorde Radu. Hoewel ze Amona kennen en vertrouwen, verloopt het contact moeizaam omdat ze aarzelen een journalist te woord te staan.

Toch ontmoet ik via haar de oudere broer van Radu. Als herinnering aan zijn broer heeft hij op zijn linkerschouder een kruis laten tatoeëren.

‘Nu pas, meer dan twee jaar later, begin ik weer een beetje mezelf te worden’, zegt hij. De dood van zijn broertje heeft hem duidelijk diep geraakt. Hij is heel afwachtend en wantrouwt me zelfs.

‘Zo ben ik nu eenmaal’, zegt hij. ‘Ik vind het moeilijk mensen te vertrouwen.’

Hij vertelt dat hij na de moord heeft samengewerkt met een lid van de familie Yildiz. Een neef van de drie broers. Ze deden in dezelfde tijd mee aan het project ‘De Rustige Straat’.

‘Dat was geen probleem’, zegt hij.

Maar toch zorgde de leiding ervoor dat ze uit elkaar werden gehouden en elkaar niet meer zagen dan nodig was. We praten een uurtje. Hij zegt dat hij nog niet weet of hij over zijn broer wil praten. Ik zeg dat we een beeld willen geven van de mens Radu. De persoon achter de krantenkoppen over een vermoorde negentienjarige jongen.

Hij knikt instemmend en zegt dat hij het me binnen een week zal laten weten. Dan gaat hij weg.

Een week later krijg ik via Amona te horen dat hij niet wil meewerken.

‘Waarom niet?’ vraag ik.

‘Dat weet ik niet. Hij wil gewoon niet en dus zullen Radu’s vrienden zich ook niet laten interviewen. Ze vertrouwen journalisten niet.’

Toen Radu in de jongerencentra kwam waar Amona werkte, heeft ze in de loop der jaren heen wel contact met hem gehad.

‘Toen was het altijd een lieve jongen’, zegt ze. ‘Niet iemand die als herrieschopper bekend stond of zo.’ Ze denkt dat het grote probleem in deze omgeving is dat er door verschillende instanties onvoldoende wordt samengewerkt: scholen, jongerencentra, de sociale dienst en de politie.

‘Als hun ouders bovendien geen Zweeds spreken en een van de kinderen moet tolken, wordt het helemaal moeilijk. Vertalen de kinderen het goed? Of maken ze het mooier dan het is?’

Tegenwoordig is Amona assistent-reclasseringsambtenaar. Ze praat begripvol en met een zekere tederheid over jonge, lastige en soms puur criminele jongens. Alsof deze jonge vrouw hun moeder is. Het zet me een beetje aan het denken. Kan ze deze lastige jongens in hun late tienerjaren werkelijk aan?

Als ik haar op een avond op haar werk aan de telefoon heb, krijg ik antwoord op mijn vraag. Op de achtergrond wordt het plotseling luidruchtig en lawaaiig, waarna ze zich excuseert en de hoorn neerlegt. Maar ik hoor haar stem. Hard en heel duidelijk.

‘Even normaal ja! Het is hier verdomme geen speeltuin!’

‘Wat was er?’ vraag ik als ze weer aan de telefoon komt.

‘Ze wilden dat ik er een paar herrieschoppers zou uitgooien. Maar nu zitten ze weer rustig samen thee te drinken’, zegt ze.

Het werd inderdaad stil, denk ik. En snel ook.

Ineens denk ik aan het gesprek met de 60-jarige Turk die me probeerde uit te leggen hoe diep we in deze voorsteden gezonken zijn.

‘Het is aan ons, fatsoenlijke allochtonen, Dick, om te proberen de zaak in de hand te houden’, zei hij toen. ‘De politie en de anderen hebben het namelijk opgegeven.’

Zo pessimistisch is Amona niet. Natuurlijk geeft ze toe dat er te veel criminaliteit is, maar ze onderstreept dat de moord op Radu iets uitzonderlijks was.

‘Als het donker is, ga ik net zo goed nog even naar de buurtwinkel vlak voor die om tien uur dichtgaat’, zegt ze.

‘Als ik iets nodig heb, ga ik erheen. En dan loop ik heus niet de hele tijd achterom te kijken omdat ik bang ben voor iemand die toevallig achter me loopt.’

Ze komt terug op de ouders die geen Zweeds spreken en wat dat betekent als hun kinderen naar school gaan.

‘Taal is zo belangrijk’, zegt ze. ‘Als je de taal niet spreekt, integreer je nooit in de samenleving. En als die jongeren op een dag in de criminaliteit belanden, is dat voor hun ouders misschien wel een complete verrassing.

‘We moeten deze jongeren goed in de gaten houden’, onderstreept ze. ‘Niet laten rondzwerven, ervoor zorgen dat we ze niet uit het oog verliezen.’ Ze is niet pessimistisch over de toekomst.

‘Natuurlijk is er iets aan te doen’, zegt ze. ‘Als we maar niet bang zijn. Als we deze jongens maar tegemoet treden zoals ze zijn. Soms zijn ze lastig en soms zijn het gewone lieve jongens. Ze zijn net als wij. Het zijn geen monsters.’