5 Aangeklaagd
Op 8 mei 2002 stelde officier van justitie Henrik Söderman de drie broers Orhan, Önder en Özkan Yildiz en hun neef Ayhan Yildiz in staat van beschuldiging voor de moord op Radu Acsinia. Ze zaten toen alle vier in voorarrest in het huis van bewaring Kronoberg in het centrum van Stockholm. Hun oom Ara werd aangeklaagd omdat hij van de moordplannen zou hebben geweten, maar niets gedaan zou hebben om de liquidatie te stoppen.
Het bewijs tegen de drie broers en hun neef bestond uit een hoop aanwijzingen. Toen ik officier van justitie Henrik Söderman later op zijn kantoor op Kungsbron in het centrum van Stockholm interviewde, bleek hij tevreden met zijn bewijsvoering.
‘Je kunt staalkabels vlechten van tamelijk dunne draden die bij elkaar heel sterk worden.’
En volgens hem waren er voldoende draden om er een sterke staalkabel van te vlechten. De politie was bij het feitenonderzoek het volgende te weten gekomen.
* Özkan en Önder zeiden dat ze op de avond van de moord in Gävle waren. Ze beweerden dat ze bij hun oom Bedirhan hadden gelogeerd nadat ze hem en een vriend een lift naar Gävle hadden gegeven. Maar het politieonderzoek wees uit dat Özkans en Önders mobiele telefoons rond de tijd van de moord in Rinkeby waren. Önders mobiele telefoon was die hele avond in de omgeving van Sollentuna.
Özkans telefoon was die avond mee naar Gävle gereisd maar was ruim op tijd terug in Sollentuna om iets voor middernacht op de plaats delict te zijn. De door de politie getraceerde gesprekken naar en van de mobiele telefoons wezen uit dat Özkans en Önders telefoons in Rinkeby waren toen Radu Acsinia daar werd doodgeschoten.
* Ara, de oom van de broers, vertelde tijdens het verhoor dat hij Özkan, Önder, Orhan en Ayhan na de moord bij de ingang van de flat op Malmvägen tegen het lijf was gelopen. Ze zouden toen gezegd hebben dat ze Radu hadden gedood. Ara zei dat hij niet wist wie er geschoten had maar wist zeker dat ze er alle vier bij betrokken waren. Dat wist hij doordat ze na de moord naar Malmvägen waren gekomen, waar ze tegen de daar bijeen gekomen jongeren hadden lopen opscheppen over wat ze gedaan hadden.
* Shalaw, een vriend van de vermoorde Radu Acsinia, legde een verklaring af waarin hij vertelde dat Radu en Orhan al lang met elkaar in de clinch lagen. Ook verklaarde hij dat hij de dag voor de moord samen met Radu door Skårby gränd liep. Daar was een donkere Volvo stationcar – zo een waar Özkan meestal in reed – op slechts drie meter van hen vandaan gestopt. Özkan en Önder waren uitgestapt waarna Özkan aan Radu vroeg of hij soms een probleem had. Özkan probeerde Radu een klap te geven, maar die was snel weggedoken. Önder haalde toen een ploertendoder tevoorschijn en kwam op Shalaw af. Özkan pakte iets uit de auto. Radu riep tegen Shalaw dat het een pistool was en schreeuwde tegen hem dat hij moest wegrennen.
* Miroslav, kaartjescontroleur van de metro, vertelde dat hij op de bewuste avond op het metrostation van Rinkeby op zijn gemak zat te lezen in het hokje waar de kaartjes verkocht worden. Om 23.54 uur hoorde hij vanuit de verte geknal dichterbij komen. De deur ging open en hij zag een jonge man de hal inlopen. Na hem kwam er een andere man binnen. Daarna hoorde hij een schot. En nog één. De achtervolger rende naar voren alsof hij de weg voor de vluchtende jongen wilde blokkeren. De jongen op wie geschoten was, leek in zijn zij geraakt toen hij zich omdraaide en op de grond viel. De ander liep er naar toe en loste nog twee schoten in zijn richting. Hij had het idee dat de jongen die op de grond lag, zijn handen voor zijn gezicht hield om zich te beschermen. Miroslav vertelde dat de moordenaar in gezelschap was van drie andere jongens die buiten de glazen deuren van het metrostation stonden. Ze hadden donkere kleren aan en leken het naar hun zin te hebben. Ze drukten zich tegen de glazen deuren aan en keken naar binnen. Miroslav zei dat ze eruit zagen als ‘smileys’.
* Roland woont in een flat met uitzicht op de parkeerplaats bij Rinkeby torg. Hij vertelde dat hij om ongeveer 23.55 uur door zijn keukenraam keek en zag dat er in de buurt van de snackbar onder een lantaarnpaal een auto werd geparkeerd. Er stapten vier mensen uit. Ze hadden donkere kleding aan, maar degene die had gereden droeg een licht jack met een capuchon.
Ze stonden eerst een tijdje rustig bij elkaar voordat ze resoluut Rinkeby torg opliepen. Degene met de capuchon liep voorop. Kort daarna hoorde hij vier schoten vanuit het metrostation. De vier kwamen terug. Ze hadden nu meer haast, ze maakten een vrolijke indruk en grinnikten. Roland had daarom niet het idee dat er iets ergs was gebeurd. Ze stapten in de auto, dat kan een donkere Volvo stationcar geweest zijn, dat wil zeggen zo’n auto als Özkan Yildiz in die tijd had. Ze reden weg in de richting van de E18.
* Getuige Hakan was bevriend met Radu Acsinia. Tijdens het politieverhoor vertelde hij dat op 26 februari zijn mobiele telefoon om exact 23.50 uur overging, dat wil zeggen: slechts enkele minuten voor de moord op Radu Acsinia. Önder belde met zijn mobiele telefoon en vroeg of Hakan wist waar Radu woonde. Hakan antwoordde dat hij dat niet wist en hing op. De politie heeft het gesprek van Önders mobiele telefoon kunnen traceren. Het onderzoek wees uit dat Önders mobiele telefoon op dat moment in de buurt van de plaats delict was.
* Dan is een zeventienjarige jongen die hasj verkoopt. Een lijst van alle gesprekken op zijn mobiele telefoon wees uit dat hij op de avond van de moord telefonisch contact had met de mobiele telefoon van Özkan en dat die telefoon zich in de buurt van Stockholm bevond. Hij zei tijdens het verhoor dat hij Özkan en Önder regelmatig hasj verkocht en dat ze de drugs meestal met een beige vierdeurs auto in Husby of Kista kwamen ophalen. Hij kon zich niet herinneren of ze elkaar juist op 26 februari gezien hadden, maar voegde eraan toe dat als ze elkaar die dag drie tot vier keer gebeld hadden, ze elkaar dan waarschijnlijk ook wel hadden ontmoet.
* Therese, de zwangere vrouw met wie Özkan samenwoonde, zei tijdens haar verhoor dat ze zich herinnerde dat Özkan laat in nacht van 26 op 27 februari, dat wil zeggen net na de moord op Radu, naar haar mobiel belde. Özkan zei niet dat hij in Gävle was toen hij belde maar ze ging ervan uit dat hij daarvandaan belde, omdat Özkan haar had gezegd dat hij zijn oom Bedirhan een lift zou geven. Ze herinnerde zich dat Özkan bij het telefoongesprek fluisterde om de andere twee die in dezelfde kamer lagen te slapen, niet wakker te maken. De politie onderzocht waar dat late telefoontje vandaan kwam. Er bleek met een mobiele telefoon in Sollentuna te zijn gebeld, vlakbij de plaats delict – en niet uit Gävle. Er waren echter geen ooggetuigen die de daders konden aanwijzen. En ook was er geen technisch bewijs dat de Yildiz-broers met de moord in verband bracht.
Maar alle aanwijzingen samen waren toch, zoals officier van justitie Henrik Söderman het uitdrukte, voldoende om tot een sterke staalkabel te vlechten. Het beeld dat de politie in het programma Efterlyst van TV3 al een etmaal na de moord had gegeven, was nu in de rechtszaak voor de rechtbank van Stockholm voor de officier van justitie veranderd in zekerheid.
‘Ik weet dat ze alle vier aan de voorbereiding (van de moord, CH) hebben meegedaan, Radu hebben gezocht en hem het metrostation hebben ingejaagd.’
*
De smekende stem door de telefoon veranderde in een schreeuw. Hij hoorde aan me dat ik hem niet geloofde. Fuat Yildiz, vader van de drie aangeklaagde broers Orhan, Önder en Özkan, smeekte me te luisteren. Geen van zijn geliefde zoons, geen van hen, had iets met de moord te maken, verklaarde hij keer op keer. Het was een pure samenzwering van de politie. Ze werden al tijden door de overheid achtervolgd. De hele familie! Dat was altijd al zo geweest, dat wist ik toch ook wel, of niet soms?
Ik kende een deel van de familie Yildiz al sinds 1995, toen ik bij het dagblad Expressen een verslaggever verving en voor die krant een serie artikelen schreef over een van de ooms, de toen met uitzetting bedreigde Kemal Yildiz. Die reportage had destijds al binnen een paar weken resultaat. De regering zwichtte voor de druk en trok het ronduit onmenselijke uitzettingsbesluit in. Kemal mocht in Zweden blijven om voor zijn kinderen en zieke vrouw te zorgen. De familie Yildiz kon niet begrijpen waarom ik er nu niet in geinteresseerd was hen te helpen.
‘Ik zweer het, het is niet waar. Özkan en Önder hebben het niet gedaan, ze waren in Gävle. Ik zweer het’, herhaalde Fuat.
Ik had de schriftelijke aanklacht van de officier van justitie gelezen en de verhoren doorgebladerd. Er was weliswaar geen afdoende bewijs tegen de vier aangeklaagden, maar het was niet moeilijk te zien dat de moordenaar waarschijnlijk een van hen was. Het was ook zeer waarschijnlijk dat een of meer van de anderen, of misschien zelfs allen, ter plekke waren geweest. Ik was er op basis van goede argumenten van overtuigd dat Fuat Yildiz tegen me loog.
Ik was er vooral van overtuigd dat de waarheid nooit aan het licht zou komen in het web van leugens dat hij en zijn familie hadden gesponnen. Bovendien wees de bewijsvoering erop dat het er werkelijk ongeveer zo aan toe was gegaan als de officier van justitie beweerde.
Fuat hoorde aan mijn stem dat ik niet geïnteresseerd was. Hij klonk steeds wanhopiger.
‘Maar Özkan en Önder waren in Gävle. Ze waren bij Bedirhan. Je moet me geloven! Zo is het. En ook Orhan heeft niets met de moord te maken. Ik zeg het je, ik zeg het je!’
Toen ik hem ten slotte onderbrak en het gesprek afsloot met een vage toezegging over ‘misschien later, als ik een plekje in mijn agenda heb, op dit moment heb ik veel te doen’ en de hoorn neerlegde, hoorde ik Fuat Yildiz zwaar ademhalen als na een zware inspanning.