15 Önder Yildiz
Önder Yildiz was twintig jaar toen Radu werd vermoord. Als hij eenentwintig was geweest, had hij – net als zijn oudere broer Özkan – tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld kunnen worden. In plaats daarvan kreeg hij nu de maximale straf voor zijn leeftijd: tien jaar gevangenis.
Zijn oudere broer werd twee weken na de moord opgepakt. En slechts enkele uren later meldde Önder zich bij de politie, nadat hij had gehoord dat hij gezocht werd. Na een jaar in Kronoberg kwam hij naar Kumla om te worden ‘geëvalueerd’, zoals dat heet. Daarna werd hij in de extra beveiligde gevangenis Hall in Södertälje geplaatst. Nu is hij 23 jaar. Hij heeft een vrouw en twee zoontjes die buiten de gevangenis op hem wachten. De jongste, die ruim een jaar oud is, werd geboren toen Önder in Kumla zat.
‘Het is verschrikkelijk moeilijk om hier te zitten, zegt hij. Vooral als mijn cel op slot gaat, denk ik veel na. Dan denk ik aan mijn gezin en zo.’
‘Hoe vaak mag je je vrouw en kinderen zien?’
‘Een paar keer per maand, maar omdat ze helemaal in Gävle wonen kan het maar één keer per maand.’
In gevangenissen gebruikt men de uitdrukking ‘iedereen moet zijn eigen straf uitzitten.’ Maar er blijkt tussen individuen een groot verschil te bestaan in de wijze waarop ze hun straf beleven. Önder lijkt het er redelijk goed vanaf te brengen. Gelet op de omstandigheden lijkt hij zich redelijk goed te voelen.
Als hij medeplichtig is aan deze moord, hoeven we er niet zoveel woorden aan vuil te maken. Voor zo’n moord is dit de straf. En de eerste tijd word je in een extra beveiligde inrichting geplaatst, in Kumla, de Hall-gevangenis in Södertälje of de gevangenis van Tidaholm, of zoals de gedetineerden het zeggen in ‘de strengste bajes’.
Maar als hij onschuldig is, is het natuurlijk verschrikkelijk dat hij hier moet zitten. Dat hij niet bij zijn gezin kan zijn en dat hij er niet bij mocht zijn toen zijn jongste zoon geboren werd. En dat hij een strafblad heeft waarop staat dat hij een moordenaar is.
We praten over de rechtszaak en over zijn jongere broer die een ander mens gedood heeft. Önder heeft er veel over nagedacht en zegt dat het angstaanjagend is.
‘Dat het zover heeft kunnen komen. Iedere jongen vecht wel eens, maar iemand doodschieten ...’
‘Wist je dat Orhan een pistool had?’
‘Nee. Hij had hem vast verborgen voor het geval hij mij zou tegenkomen. Want hij weet dat ik hem vaak fouilleer, bijvoorbeeld om drugs van hem af te pakken. Hij hield zich veel met die shit bezig en Özkan en ik zaten hem daarom vaak op zijn nek.’
‘Wat vind je ervan dat je oom Ara jou en Özkan als medeplichtigen heeft aangewezen?’
Önder geeft geen antwoord. Hij schudt alleen maar zijn hoofd.
Hij vertelt rustig en beheerst wat hij weet en wat hij gehoord heeft. Ook wanneer hij over de rechtszaken en de vonnissen praat, is hij beheerst. Maar als ik hem naar zijn kinderen vraag, breekt hij.
‘Ik heb geprobeerd om zo’n begeleid verlof te krijgen toen mijn jongste zoon geboren werd. Maar ik kreeg geen toestemming ...’
Zijn ogen staan vol tranen en hij verbergt zijn gezicht in zijn handen.
*
Een half jaar later maak ik telefonisch een langer interview met hem. Hij vertelt dat hij nu op mbo-niveau studeert maar dat het maar matig gaat:
‘Ik heb soms zo’n moeite me te concentreren. Ik denk dan aan mijn gezin en aan hoe lang ik hier nog moet zitten.’
‘Heb je destijds horen vertellen dat Orhan Radu vermoord had?’
‘Ja, daar werd veel over gesproken.’
‘Wat dacht je toen?’
‘Ik wist het niet. Ik wilde niet geloven dat mijn eigen broertje het gedaan had. Het kon niet waar zijn dat hij een ander mens had gedood.’
‘Maar kon je het zeker weten?’
‘Nee, dat kon ik niet. Hij was een tijdbom. Zo was het nu eenmaal.’
‘Hoe kijk je er vandaag de dag tegenaan wat Orhan en Ayhan gedaan hebben?’
‘Natuurlijk ben ik kwaad op ze. Natuurlijk. Maar ze hebben niet geprobeerd het mij en Özkan in de schoenen te schuiven zoals Ara. Wat Ara betreft ... Ara bestaat niet meer voor me.’
Hij vertelt dat hij Orhan en Ayhan als twee pitbullterriërs ziet. En als ze met de ruggen tegen elkaar staan, krijgt niemand ze te pakken.
‘Hoe bedoel je?’
‘Tja, zo is het altijd geweest met die twee. Samen zijn ze bikkelhard.’
We praten over wat Orhan me heeft verteld. Hoe het soms zwart voor zijn ogen wordt van woede, zoals hij zelf zegt. En dat hij dat van kinds af aan al heeft.
‘Ja, hij heeft zowel Özkan als mij wel eens aangevallen’, zegt Önder. ‘Mij viel hij aan met een stofzuigerbuis en bij Özkan heeft hij een keer een rib gebroken.’
‘Hoe?’
‘Er was iets, ik kan me niet herinneren waarover het ging, maar het zal er als gewoonlijk wel over gegaan zijn dat hij zich niet met criminele zaken moest bezighouden. Özkan had hem behoorlijk uitgescholden. Toen Özkan sliep kwam Orhan de slaapkamer binnen en sloeg hem met een ijshockeystick.’
‘Hoe oud was Orhan toen?’
‘Veertien, geloof ik, of vijftien.’
De jaren in de gevangenis eisen hun tol. Toen ik Önder in Hall bezocht hield hij zich redelijk staande. Nu slikt hij antidepressiva. Omdat ik weet dat ze juist in Hall zeer terughoudend zijn met het verstrekken van slaap- en kalmeringsmiddelen, lijdt het geen twijfel dat hij deze medicatie nodig heeft.
‘De gedachten aan de kinderen houden me op de been’, zegt hij.
Zijn oudste zoon is nu vier jaar en de jongste wordt binnenkort twee.
‘"Waarom komt je vader je nooit ophalen?" vragen de kinderen op het kinderdagverblijf van mijn oudste zoon’, vertelt hij. ‘En hij weet dan niet wat hij moet antwoorden. Hij wil niet zeggen dat zijn vader in de gevangenis zit.’
Een meer ervaren gedetineerde gaf Önder het advies een verzoek in te dienen om zijn zoon op het kinderdagverblijf te bellen. Dat mocht.
‘En toen ik naar het kinderdagverblijf belde was hij hartstikke blij. Het personeel vertelde mijn vrouw dat hij de hele dag zo opgewekt was. En hij had de andere kinderen verteld: ‘Dat was mijn vader aan de telefoon’.’
Daarna heeft hij een verzoek ingediend voor een begeleid verlof van een paar uur om zijn kinderen buiten de gevangenis te kunnen zien. Maar dat is afgewezen.
‘Ik heb gevraagd wanneer ik mijn eerste echte verlof krijg zonder dat er personeel bij is. Misschien in december 2006, zeggen ze.’
Wanneer we erover praten is het september 2004.