6 848 Mensen ten onrechte van hun vrijheid beroofd

Het laatste jaarverslag van het openbaar ministerie dat ik tot mijn beschikking heb terwijl ik dit schrijf, is van 2003. Daaruit blijkt dat er dat jaar in Zweden 848 mensen ten onrechte van hun vrijheid zijn beroofd en daarvoor een schadevergoeding hebben ontvangen.

Iemand ten onrechte van zijn vrijheid beroven, oppakken, arresteren, in hechtenis nemen of misschien zelfs tot gevangenisstraf veroordelen is natuurlijk de meest grove schending van het recht door een staat. De 848 mensen hebben daarom bij elkaar een schadevergoeding gekregen van ruim achtentwintig miljoen kroon.

In de afgelopen vijf jaar werden er gemiddeld 770 mensen ten onrechte van hun vrijheid beroofd die voor de tijd dat ze hebben vastgezeten een schadevergoeding hebben ontvangen. In een aantal gevallen zijn ze tot gevangenisstraf veroordeeld en later vrijgesproken. In de overige gevallen gaat het om mensen die ten onrechte zijn gearresteerd en in hechtenis genomen.

Uit alle onderzoeken blijkt dat in deze groep de allochtonen oververtegenwoordigd zijn.

Voor velen van u die dit lezen zijn bovengenoemde cijfers wellicht een grote verrassing. De media berichten hier namelijk niet over. Daar zien we slechts de extreme gevallen waarin iemand voor een ernstig misdrijf is veroordeeld en enkele jaren in de gevangenis heeft gezeten, maar later onschuldig blijkt. Daar komt bij dat in Zweden in veel vonnissen met een gevangenisstraf de strafmaat vaak precies zo lang is als de tijd dat de aangeklaagde al in voorarrest heeft gezeten. Het is wel heel toevallig dat een aangeklaagde vaak wordt vrijgelaten op de laatste dag van een proces of op de dag dat er vonnis wordt gewezen, terwijl die dag exact overeenkomt met de dag waarop de persoon vrijgelaten zou zijn als hij gevangenisstraf zou hebben gehad. Door een aantal advocaten en aanklagers worden dit ‘wiskundige vonnissen’ genoemd. Dat we in Zweden mensen in principe voor onbepaalde tijd in hechtenis kunnen nemen, maakt het er niet beter op. In veel landen moet iemand worden vrijgelaten als de zaak niet binnen drie, vier of zes maanden kan voorkomen. De gedachte daarachter is dat mensen niet van hun vrijheid beroofd mogen worden zonder dat hun zaak binnen redelijke tijd kan worden behandeld. Maar in Zweden kennen we zo’n grens niet; in principe kunnen mensen eindeloos, met gelijke tussenpozen steeds opnieuw in hechtenis worden genomen. Dat gebeurt weliswaar door de rechtbank, maar er wordt in zo’n geval geen grondig onderzoek naar de zaak gedaan. Daardoor kan het voorkomen dat iemand keer op keer in hechtenis wordt genomen om dan uiteindelijk, als de zaak eenmaal voorkomt, te worden vrijgesproken.

Af en toe wordt er contact opgenomen met het ministerie van Buitenlandse Zaken door een buitenlandse ambassade die erop wijst dat een van hun landgenoten al zeer lange tijd in hechtenis zit – soms langer dan een jaar – zonder dat zijn zaak fatsoenlijk is onderzocht. Men vraagt zich af of dit in overeenstemming is met de Zweedse wet- en regelgeving.

Zo ’n ambassade krijgt dan bericht dat dat inderdaad zo is. Het lijk wellicht verbazingwekkend; normaal gesproken denken we immers aan een dictatuur als mensen zonder proces langdurig worden opgesloten. Criminologen in Zweden zijn het erover eens dat twee tot drie procent van degenen die in onze gevangenissen zitten, ten onrechte is veroordeeld. Ze zijn ofwel onschuldig of zijn veroordeeld op grond van een onjuiste tenlastelegging. Twee tot drie procent lijkt niet zoveel, maar het betekent wel dat zo’n 100 tot 150 personen in onze gevangenissen ten onrechte zijn veroordeeld. Maar moeten we dat niet op de koop toe nemen? In ieder geval is 97 tot 98 procent immers terecht veroordeeld. En aan de andere kant zijn er ook duizenden die een misdrijf hebben gepleegd waarvoor ze niet zijn veroordeeld. Weegt dat niet tegen elkaar op?

Nee, zo mogen we natuurlijk niet redeneren. Mensen maken fouten en dat moeten we incalculeren. Maar in een rechtbank moet men honderd procent zeker zijn als er iemand wordt veroordeeld. Het moet, zoals dat heet, onomstotelijk bewezen zijn dat degene die veroordeeld wordt, schuldig is. Wanneer er aanwijzingen zijn dat een persoon schuldig is, maar niet uitgesloten kan worden dat hij of zij eigenlijk onschuldig is, betekent dit dat de persoon in kwestie niet veroordeeld mag worden. Maar, denkt iemand nu misschien, wat is dit nu voor redenering? Er moeten toch altijd duidelijke, heldere bewijzen zijn om iemand te kunnen veroordelen!

Nee, in Zweden is geen enkel bewijs nodig om iemand te veroordelen. Een reeks factoren die erop lijkt te wijzen dat de verdachte wellicht schuldig is, is in Zweden voldoende. Dat wordt de ‘vrije bewijslast’ genoemd en die zorgde ervoor dat bijvoorbeeld Joy Rahman ten onrechte wegens moord werd veroordeeld. De vrije bewijslast heeft namelijk de neiging niet alleen vrij maar soms ook ‘blind’ te zijn.

In de zaak van Joy Rahman werd het vonnis gemotiveerd op grond van bewijs, technisch bewijs. Maar toen de Hoge Raad ermee instemde dat zijn zaak werd heropend, constateerde men dat hij zonder direct bewijs, op basis van aanwijzingen was veroordeeld, iets wat ik en anderen toen al enkele jaren hardnekkig beweerden. En bij het nieuwe proces dat volgde, constateerde zowel de aanklager als de advocaat dat hij op grond van aanwijzingen veroordeeld was. Bij dit proces werd hij unaniem vrijgesproken.

Wat betekent dit nu concreet? Wat zijn aanwijzingen en wat is bewijs? En hoe ziet een zogeheten ‘reeks aanwijzingen’ eruit die in Zweden als grondslag voor een veroordeling kan dienen, maar die in het strafrecht van veel andere landen verboden is?

Laat ik een verzonnen alledaags voorbeeld geven. Uw vrouwelijke collega raakt op haar werk haar portefeuille kwijt. Die portefeuille zat in haar handtas en blijkt verdwenen nadat ze even haar kamer uit is geweest. Omdat ze zeker weet dat de portefeuille in haar tas zat, wijst alles er dus op dat hij gestolen is. Dit wordt bevestigd doordat iemand haar creditcard en bankpas gebruikt heeft voor ze die kon blokkeren (ze had de code op een briefje geschreven, dat ook in haar handtas zat).

Nu blijkt dat een andere collega jou op die dag haar kamer heeft zien binnengaan toen zij er niet was. Hij heeft je echter niet in haar handtas zien rommelen, omdat hij dat vanuit zijn positie niet kon zien. Daar komt bij dat je ’s ochtends geld geleend hebt van een andere collega, geld dat je na de lunch hebt terugbetaald, waarbij men ziet dat je een dik pak briefjes van vijfhonderd kroon in je portefeuille hebt. Hij schat het bij elkaar op minstens vijfduizend kroon, waarschijnlijk meer. De pinautomaat die is gebruikt om de rekening van de bestolen persoon leeg te halen, staat dicht bij jullie kantoor. Bovendien kom je de volgende dag naar je werk met nieuwe kleren aan.

Kortom, je bent in de kamer geweest toen de eigenaar van de portefeuille er niet was, maar de tas met de portefeuille wel. Je had op die ochtend geldgebrek, maar ’s middags heb je opeens erg veel contant geld. En de rekening die met behulp van de bankpas is geplunderd, is die dag onder lunchtijd leeggehaald. En juist die middag heb je niet samen met je collega’s geluncht.

Je hebt dus een motief, je had de mogelijkheid en er is een aantal andere factoren dat jou als dief aanwijst. Niet in de laatste plaats de factor tijd. Daarbij wordt je situatie bemoeilijkt doordat je weigert te verklaren waar je het geld vandaan hebt en de politie gecontroleerd heeft dat het niet van een van jouw bank- of girorekeningen is gehaald. Op die rekeningen stond overigens niet veel geld.

De gestolen creditcard is in twee kledingwinkels gebruikt en het personeel van die winkels beschrijft degene die de creditcard gebruikt heeft als iemand die op jou lijkt. Kortom, het ziet er beroerd voor je uit. Er is een reeks aanwijzingen waarop je veroordeeld kunt worden. Meer dan één iemand zal zeggen dat ‘er ergens een grens zit aan toeval’. Of de aloude uitdrukking gebruiken: ‘waar rook is, is vuur’.

En het wordt nog erger als jij en jouw advocaat de twee winkelmedewerkers verzoeken jou te identificeren door middel van een confrontatie. Jij en een aantal andere personen, meestal een paar agenten in burger, mogen in een kamer gaan staan terwijl de getuigen naar jullie kijken door een ruit die aan jullie kant een spiegel is. Het blijkt dat de getuigen twijfelen en niet direct iemand kunnen aanwijzen. Ze sluiten wel een paar personen uit die het absoluut niet kunnen zijn. Maar jou niet. Je behoort tot degenen die overblijven als mogelijke daders.

‘Het kan nummer zeven zijn’ (dat ben jij), zegt een van hen. ‘Maar ik weet het niet zeker.’

Jij weet hoe het zit. Je hebt de portefeuille niet gepakt. Je bent tijdens de lunch bij een collega geweest die ziek thuis ligt van wie je de achtduizend kroon hebt teruggekregen die je haar geleend had. De reden dat je dit niet tegen de politie of iemand anders vertelt, is dat je haar het geld hebt geleend voor een abortus in een privé-kliniek en je haar hebt beloofd dat je dat aan niemand zal vertellen. En met alle recht vind je nu dus dat de politie en de aanklager daar niets mee te maken hebben. Je bent niet van plan in zo’n gevoelige kwestie iemands vertrouwen te beschamen.

Word je veroordeeld? Tja, als je een goed opgeleide Zweed bent, die redelijk goed is terechtgekomen, dan is dat nog maar de vraag. Misschien, misschien niet. Maar – het kán. Er staat niets in ons wetboek of overige bepalingen over wat onze rechtbank wel en niet mag doen om een veroordeling tegen te houden.

Als je echter een jonge immigrant bent met een beperkt strafblad, blijkt dat je in zo’n geval zeker veroordeeld wordt. Dus zonder één enkel direct bewijs – uitsluitend op grond van een reeks aanwijzingen.

Een reeks aanwijzingen kan er dus toe leiden dat een aantal keren ‘misschien’ bij elkaar tot ‘waarheid’ wordt verheven en dat je op grond daarvan veroordeeld wordt. In alle andere gevallen in het leven blijft misschien – misschien. Nu is bovenstaande fictie. Een door mij verzonnen voorbeeld. Terug naar het werkelijke leven. Terwijl ik aan dit boek zit te werken word ik opgebeld door een advocaat met wie ik tijdens een eerdere rechtszaak contact heb gehad.

‘Je weet dat ik normaal gesproken niet naar de pers hol, maar hier moet je echt even naar kijken’, zegt hij. Omdat hij een ervaren jurist is en ik weet dat hij inderdaad niet snel naar de pers holt, neem ik de tijd om te luisteren naar wat hij te vertellen heeft.

Een 39-jarige man, die we Per zullen noemen, heeft toen hij dronken was een andere man geslagen. Beide mannen hebben een tamelijk ernstig alcoholprobleem. Hij laat de man die hij geslagen heeft achter in de gemeenschappelijke ruimte van een jeugdherberg. Een andere man komt een tijdje later de ruimte binnen en vindt de geslagen man snurkend op een bank. Een paar uur later is de man op de bank dood. Per bekent mishandeling, maar wordt aangeklaagd voor moord en door de rechtbank van Solna veroordeeld tot levenslang. Volgens het politieonderzoek zou de overledene mishandeld zijn met een stomp voorwerp, wat de dood heeft veroorzaakt. Per ontkent stellig dat hij met iets geslagen heeft. Hij heeft echter een wandelstok die hij wel eens gebruikt als hij pijnlijke voeten heeft. Die stok wordt nauwkeurig onderzocht maar er kan niet worden vastgesteld of dat het moordwapen is, een gegeven dat de rechtbank ook in de motivering van het vonnis vermeldt. Maar vermeldt verder:

‘Ondanks het feit dat er geen sporen van mishandeling op de stok te vinden zijn, is het niet onwaarschijnlijk dat deze als wapen is gebruikt. Het is echter ook mogelijk dat er bij de mishandeling een ander, niet aangetroffen voorwerp is gebruikt.’

Of in eenvoudiger taal: we kunnen niet bewijzen dat de stok het moordwapen is, maar dat denken we wel. En als dat niet zo is, kan hij iets anders gebruikt hebben. Wat dat zou kunnen zijn, daar hebben we geen idee van.

Uit het vonnis blijkt dat het niet mogelijk is uit te sluiten dat een andere potentiële dader de gemeenschappelijke ruimte is binnengegaan en het slachtoffer, nadat Per hem had geslagen, mishandeld heeft met de dood tot gevolg. Er kan evenmin worden vastgesteld wat het moordwapen is geweest en Per kan op geen enkele wijze met het moordwapen in verband worden gebracht. Toch acht de rechtbank Per unaniem schuldig aan moord en veroordeelt hem tot levenslange gevangenisstraf.

Als de zaak in hoger beroep door het hof wordt behandeld, gebeurt dat op basis van dezelfde ‘bewijsvoering’. Er is geen nieuwe informatie bijgekomen. Maar het gerechtshof spreekt Per vrij van moord, doodslag en mishandeling! Hij wordt dus op alle aanklachten vrijgesproken, zelfs van mishandeling terwijl hij mishandeling heeft bekend. Maar het hof vindt zijn herinneringen te vaag en omdat er geen ander bewijs is, spreken ze hem ook daarvan vrij. Daar komt bij dat de politie niet eens mensen gehoord heeft die tijdens de nacht dat de mishandeling en de moord plaatsvonden, in de jeugdherberg aanwezig waren. Dat maakt de zaak voor de aanklager, de advocaat en de leden van de rechtbank niet bepaald eenvoudiger.

Wat er in werkelijkheid in de jeugdherberg gebeurd is, weet ik natuurlijk niet. Maar ik weet dat Per tijdens een proces de langste wettelijke straf krijgt, namelijk levenslange opsluiting. En vervolgens volledig wordt vrijgesproken. Als de zaak bij de Hoge Raad was voorgekomen, denk ik dat hij veroordeeld zou zijn voor mishandeling.

Het is dus niet zomaar een woordgrapje wanneer ik zeg dat de vrije bewijslast in de rechtbanken van ons land soms een pure ‘blinde’ bewijslast wordt.

Nu krijgt Per schadevergoeding voor de tijd dat hem zijn vrijheid is ontnomen. Het zal echter moeilijk zijn om van het stempel ‘moordenaar’ af te komen.