7 De rechtbank
Toen het proces in de rechtbank van Stockholm begon, ontkenden Orhan, Ayhan, Özkan en Önder allemaal dat ze iets met de moord op Radu Acsinia te maken hadden. Özkan en Önder zeiden vanaf het eerste verhoor dat ze die avond in Gävle waren. Ze hadden hun oom Bedirhan een lift gegeven en waren bij hem blijven slapen. Özkan beweerde dat hij zijn mobiele telefoon die dag had uitgeleend, maar weigerde te vertellen aan wie. Önder zei dat hij zijn mobiel niet bij zich had gehad. Hij was hem eerder die dag kwijtgeraakt en had geen idee waar hij was of wie hem had. Orhan en Ayhan zeiden dat ze die avond thuis bij familie waren en dat ze niets van de schietpartij afwisten.
Op 24 juni 2002 veroordeelde de rechtbank Orhan, Ayhan, Önder en Özkan unaniem voor moord. De rechtbank constateerde dat niet kon worden vastgesteld wie uiteindelijk het wapen had vastgehouden waarmee Radu Acsinia werd doodgeschoten. Maar dat deed er op zich niet zoveel toe. Dat alle drie de Yildiz-broers – Orhan, Özkan en Önder – en hun neef Ayhan bij de moord betrokken waren, leed volgens de rechtbank geen twijfel.
Thuis bij Ayhan vond de politie in de open haard resten van verbrande kleren, een donzen jack en een broek. De resten kwamen overeen met wat de getuigen de moordenaar hadden zien dragen.
De rechtbank constateerde in het vonnis dat het ‘duidelijk is dat er hevige tweespalt heerste tussen Radu enerzijds en Orhan en zijn broers anderzijds’. De rechtbank stelde verder vast dat er ‘duidelijke aanwijzingen zijn dat de haat die Orhan en zijn broers tegen Radu koesterden, zo hevig was dat die voldoende motief in zich droeg om hem te willen doden’.
Niemand die tijdens de rechtszaak aanwezig was zal die haat ooit vergeten.
Aan de ene kant van de beveiligde zaal zaten de vrienden en familie van de vermoorde Radu. Aan de andere kant de familie van de aangeklaagde jongens. Op een gegeven moment moest de procesgang onderbroken worden, zodat de politie snel kon ingrijpen om familieleden die met elkaar op de vuist gingen uit elkaar te halen.
Virgil Acsinia, de oudere broer van de vermoorde Radu, beefde over zijn hele lichaam toen hij op de allerlaatste dag van het proces zijn blik direct richtte op degenen die zijn broertje hadden vermoord.
‘We waren meer dan broers. We deelden alles. Nu is het alsof ik onzichtbaar rondloop. Als een geest.’ Hij zei dat als God hem zou vragen of hij, in plaats van zijn broertje, de kogels had willen opvangen, hij ja zou zeggen.
‘Ik zou ze allemaal opvangen. Het was niet één schot. Het waren elf schoten. Zoveel haat en lafheid hebben deze vuilakken laten zien.’
Özkan, de oudste, werd veroordeeld tot levenslange opsluiting. Önder kreeg acht jaar gevangenisstraf. Orhan en Ayhan kregen, omdat ze zo jong waren, slechts vier jaar jeugd-tbs in een gesloten inrichting. Ze waren pas zeventien en zestien jaar en dus minderjarig.
De aanklacht tegen Ara, de oom van de jongens, wegens het nalaten de moordplannen bekend te maken, werd door de rechtbank niet ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank was niet met zekerheid vast te stellen dat Ara werkelijk op de hoogte was van het plan om Radu te vermoorden. De aanklager koos ervoor hiertegen niet in beroep te gaan. Özkan, Önder, Orhan en Ayhan gingen bij het hof tegen hun vonnis in beroep.
Toen de zaak twee maanden later bij het gerechtshof voorkwam, zei de jongste broer Orhan plotseling tegen zijn advocaat, Tomas Rothpfeffer, dat hij iets wilde zeggen. Hij wilde bekennen.