11 Twee mobiele telefoons zeggen meer dan vijf getuigen

Vier getuigen bevestigden de uitspraken van Özkan en Önder dat ze in de nacht van de moord in Gävle waren. Eén ooggetuige van de plaats delict legde een verklaring af dat Özkan noch Önder ter plekke was. Maar het gerechtshof deed iedereen af als leugenaar.

Het is laat in de middag als ik op de centrale redactie van Expressen zit. Ik zou nu eigenlijk iets anders moeten doen. Maar ik kan dit niet loslaten, nog niet.

Volgens het hof hebben deze vier personen bewust een ernstig misdrijf gepleegd door onder ede te liegen dat ze met Özkan en Önder Yildiz in Gävle waren toen Radu Acsinia in Rinkeby werd doodgeschoten.

Dat iemand veroordeeld wordt voor moord terwijl de verdediging zulke ontlastende getuigen presenteert, is in de geschiedenis van het Zweedse recht waarschijnlijk uniek. Waarom liegen deze mensen en riskeren ze dat ze wegens meineed tot gevangenisstraf worden veroordeeld?

Keer op keer lees ik het verslag van de verhoren om te zien of ze op een leugen kunnen worden betrapt. Waarom worden ze als leugenaars afgedaan? Dat de oom van de jongens, Bedirhan, zijn neven wil vrij hebben, is begrijpelijk. Maar de overigen, hoe durven ze? Hebben ze iets te winnen door meineed te plegen? Dwingt iemand ze? Worden ze bedreigd?

Begin november 2002 heb ik ze allemaal ontmoet en naar hun verhalen geluisterd.

*

Bedirhan Yildiz, 33 jaar, heeft al vanaf het allereerste verhoor getuigd dat hij op de dag van de moord in Stockholm was samen met zijn vriend Ferat Tunc die ook in Gävle woont. Ze hadden het plan samen een café te openen en waren een paar gelegenheden in Stockholm gaan bekijken om ideeën op te doen.

Hij had Özkan eerder over de trip verteld en ze hadden het erover gehad of Özkan hen daarna misschien naar Gävle zou terugbrengen of dat ze de trein zouden nemen. Toen Bedirhan en Ferat Tunc Bedirhans toen achtjarige dochter Julia bij haar oma ophaalden die op Malmvägen woont, was Özkan daar ook en spraken ze af dat Özkan hen naar Gävle zou rijden. Özkans broer Önder bood aan mee te rijden zodat Özkan op de terugweg wat gezelschap zou hebben.

Bedirhan verklaarde voor het hof dat hij zelf zag hoe Özkan op Malmvägen zijn mobiele telefoon aan zijn jongere broer Orhan gaf. Ze hadden een discussie gehad waarbij Özkan tegen Orhan had gezegd dat hij zich netjes moest gedragen. Özkan wist dat Orhan weer hasj was gaan gebruiken. De dag erna had Orhan een afspraak met de sociale dienst die beslissend kon zijn of hij wel of niet gedwongen in een kliniek zou worden opgenomen. Özkan wilde hem kunnen bereiken. Volgens Orhan had hij toen zelf geen eigen mobiel. Özkan reed in de mosgroene Volvo V70 van zijn vader. Ze gingen vroeg in de avond op weg naar Gävle. Özkan reed, Bedirhan zat voorin. Op de achterbank zaten Önder, Ferat Tunc en de kleine Julia, die moe was en na een tijdje in slaap viel.

Onderweg stopten ze bij een benzinestation. Het weer werd steeds slechter. Volgens Bedirhan kwam de sneeuw met bakken uit de hemel. Bedirhan vertelde dat ze nog maar net op weg waren toen Orhan met Özkans mobiele telefoon belde om te zeggen dat hij ook op weg naar Gävle was. Hij had niets te doen en dus reed hij met een ouder familielid en een kennis mee die kebab gingen leveren aan twee restaurants. Hij dacht dat hij het wel zou kunnen vinden, maar wist niet helemaal zeker welke afslag hij moest nemen. De afritten naar Gävle waren veranderd sinds Orhan was verhuisd. Volgens Bedirhan was er die avond nog enkele keren telefonisch contact tussen de twee auto’s.

Toen ze rond half elf in Gävle aankwamen, zetten ze eerst Ferat Tunc thuis af voor ze naar Bedirhans huis reden. Özkan en Önder hadden allebei geen zin meer om in het slechte weer naar Stockholm terug te rijden. Bedirhan bood hen aan om bij hem thuis op de bank te slapen.

Eerst brachten ze de kleine Julia naar het huis van Bedirhan waar Oya Emen, met wie hij toen samenwoonde, op hen zat te wachten. Bedirhan had haar gebeld en gezegd dat de broers zouden blijven slapen. De mannen brachten Julia thuis en liepen daarna een paar honderd meter naar de pub Jackpot waar ze alle drie de eigenaar van de bar begroetten, die Bedirhan kende.

Ze bleven er een paar uur, dronken wat bier en zaten te praten aan een tafeltje dat niet ver van de roulettetafel stond. Rond één uur ’s nachts liepen ze terug naar Bedirhans huis en gingen slapen. Toen ze thuiskwamen zat Oya Emen tv te kijken. Özkan was een beetje aangeschoten. Volgens Bedirhan werden de broers de volgende dag laat wakker. Ze gingen pas na de lunch weg.

De politie heeft naderhand met behulp van de provider van de mobiele telefoon Bedirhans reis van Sollentuna naar Gävle kunnen volgen, precies zoals hij verteld had. Tijdens het politieverhoor en de zitting van de rechtbank weigerde hij echter te bevestigen dat Orhan Özkans mobiele telefoon bij zich had.

‘Ik begreep dat hij erbij betrokken was, maar ik wilde niet dat hij door mij in de gevangenis terecht zou komen’, zegt Bedirhan nu.

Toen Orhan bij het begin van de zitting van het hof plotseling bekende, vond Bedirhan dat hij hem niet langer hoefde te beschermen.

‘Dit is wat ik meegemaakt heb. Ik heb precies verteld hoe het is gegaan. Ik zeg niets over de straf van Orhan en Ayhan, maar ik weet dat Özkan en Önder onschuldig veroordeeld zijn’, zegt Bedirhan Yildiz.

Bedirhan getuigde echter zonder een eed te hoeven afleggen, omdat zijn broer Ara destijds ook was aangeklaagd – wegens het nalaten het moordplan te onthullen.

*

Oya Emen is 32 jaar. Tijdens de winter van 2002 was ze de vriendin van Bedirhan. Ze is banketbakker en woont in Gävle. Ze vertelde tijdens het eerste verhoor al hoe Bedirhan haar die avond vanaf zijn mobiel belde. Hij was op weg van Sollentuna naar Gävle. Hij vertelde dat Özkan reed en dat Önder er ook bij was. Ze zouden beiden thuis bij Bedirhan slapen. Oya zegt dat ze in Bedirhans café was toen hij belde, maar dat ze toen naar Bedirhans huis is gereden om een beetje schoon te maken voor de mannen thuiskwamen. Oya sloot het café en ging naar Bedirhans flat. Toen Bedirhan, Özkan en Önder Julia hadden thuisgebracht, legde Oya haar in bed. Daarna zat ze tv te kijken tot de drie mannen een paar uur later terugkwamen uit de pub. Daarna sliep ze in hetzelfde bed als Julia. Toen ze de volgende ochtend opstond lag Bedirhan naast haar op een matras in de slaapkamer te slapen. In de woonkamer zag ze dat Özkan en Önder nog op de bank lagen te slapen. Ze kleedde zich zachtjes aan om ze niet wakker te maken en ging naar haar werk. Toen ik haar de eerste keer ontmoette, begin november 2002, waren Özkan en Önder Yildiz een paar weken eerder door het gerechtshof veroordeeld. Oya Emen was boos.

‘Ik voel me beledigd omdat ze denken dat ik lieg. Ik heb een zoon voor wie ik verantwoordelijk ben. Ik weet dat je straf kunt krijgen als je voor de rechtbank liegt. Ik zou zoiets nooit durven.’

Al in het voorjaar van 2002, nog voor het begin van de rechtszaak in de rechtbank in Stockholm, was de relatie tussen Oya en Bedirhan uit.

‘Bedirhan heeft me verlaten. Ik heb geen enkele reden om ter wille van hem en zijn familie te liegen’, zei Oya. Bijna twee jaar later, in de laatste dagen van augustus 2004, bel ik haar opnieuw terwijl ik aan dit boek werk. Oya is nog steeds verontwaardigd.

‘Het was vreselijk om te getuigen. Maar het was nog erger dat ze dachten dat ik loog. Niemand heeft ooit eerder tegen me gezegd dat ik lieg’, zegt Oya.

Ze woont nog steeds in Gävle. Ze zegt dat ze probeert er niet meer aan te denken. Maar als iemand haar opnieuw vraagt te getuigen over wat er die nacht is gebeurd, zegt ze hetzelfde nog een keer.

‘Ik ben niet bang. Ik weet wat er is gebeurd. Het is gegaan zoals ik heb verteld.’

*

Pubeigenaar Johan, 39 jaar, zei al tijdens het eerste politieverhoor dat hij zich goed herinnert dat Bedirhan Yildiz – die hij al enkele jaren kent – op de late avond van 26 februari naar de Jackpot kwam. Johan heeft steeds gezegd dat Bedirhan twee ‘allochtone jongens’ bij zich had die hij niet eerder gezien had. Tijdens een videoconfrontatie die de politie organiseerde wees hij, ondanks zijn twijfel, Önder aan als een van de twee jongens. Hij zei dat hij het niet zeker wist, dat hij het niet zeker kon weten omdat het die avond in de Jackpot zo druk was, waardoor hij de jongens maar heel vluchtig had begroet. Maar hij dacht Önders speciale hangende rechteroog te herkennen.

‘Ik heb eigen bars, ik ben afhankelijk van mijn drankvergunning. Ik zou nooit zo’n groot risico nemen te liegen in de rechtszaal. Dat zou het einde kunnen zijn van mijn hele business’, zegt hij wanneer we elkaar ontmoeten.

*

Ferat Tunc, 29 jaar, is een zakenrelatie van Bedirhan Yildiz. Hij woont in Gävle. Hij is geen familie. Hij zegt dat hij Özkan en Önder voor die avond op 26 februari 2002 nauwelijks gezien had.

Ook hij heeft tijdens de zitting van zowel de rechtbank als het hof zijn verklaring niet veranderd. Hij heeft de hele tijd verteld hoe hij en Bedirhan die avond vanuit Sollentuna een lift naar Gävle kregen van de broers Özkan en Önder. Özkan reed in een groene Volvo V70. Bedirhan zat voorin. Zelf zat hij achterin met Önder en Bedirhans dochter Julia. Tijdens de zitting van het hof werd Ferat Tunc zwaar onder druk gezet door officier van justitie Henrik Söderman. Het OM beschuldigde hem ervan te liegen en beweerde dat hij helemaal niet naar Gävle was meegereden. Söderman dreigde hem aan te klagen voor meineed als hij bij zijn verklaring zou blijven. Ferat zegt dat het voelde alsof hij op het punt stond flauw te vallen, maar dat hij toch bij zijn verhaal bleef.

Terwijl het proces verder ging haalde de politie na het verhoor op verzoek van Özkans advocaat, Thomas Olsson, uiteindelijk de gesprekslijst van Ferat Tuncs mobiele telefoon tevoorschijn. De lijst met de basisstations waarmee zijn mobiel op de bewuste avond in verbinding stond, bevestigde zijn verhaal. Zijn mobiele telefoon was zonder enige twijfel van Sollentuna naar Gävle gereisd, tegelijkertijd met Bedirhans mobiele telefoon. De route die ze hadden gereden klopte tot in het kleinste detail.

‘Ik weet wat ik heb meegemaakt. Özkan en Önder zaten in de auto naar Gävle. Ik sprak de waarheid in de rechtszaal en ik spreek de waarheid nu. Ze zijn niet goed wijs om twee onschuldige jongens te veroordelen’, zegt Ferat Tunc.

*

Getuige Ismet is een kennis van zowel Ayhan als Orhan Yildiz. Hij legde voor het hof de verklaring af dat hij op de avond van 26 februari met zijn vriend Mustafa bij Rinkeby torg stond te praten, toen hij plotseling vanuit het metrostation geknal hoorde. Hij verklaart dat hij Orhan Yildiz en Ayhan Yildiz naar buiten zag rennen. Orhan, die een beige jack aanhad en zijn capuchon op had, wendde zich tot hen en zei: ‘Jullie hebben niks gezien en niks gehoord. Anders schiet ik jullie neer.’ Hij zag Orhan, die hij goed kende, en Ayhan naar de parkeerplaats rennen. Hij verklaart ook dat hij een tijdje later op zijn mobiel werd gebeld.

Hij zag op het display dat het gesprek vanaf Özkan Yildiz’ mobiel kwam – hij heeft zijn nummer in de adreslijst van zijn telefoon staan omdat ze elkaar kennen. Maar hij zegt dat hij Orhans stem hoorde toen hij opnam. Ismet zegt tijdens het verhoor dat Orhan hem waarschuwde hem niet te verlinken: ‘Zeg niets, want je weet wat er dan gebeurt’. En:

‘Je hebt niets gezien, je weet niets. Niet lullen, anders weet je wat er gebeurt’.

Dat Ismet inderdaad een telefoontje kreeg vanaf Özkans mobiel wordt bevestigd door de gesprekslijsten uit het feitenonderzoek. Politie en justitie hebben echter niet de moeite genomen te onderzoeken waar Ismets mobiele telefoon op die avond was – het had Ismets verhaal kunnen onderbouwen als er was vastgesteld dat hij inderdaad op Rinkeby torg was. In de nazomer van 2004 ontmoet ik Ismet opnieuw om te praten over wat er die nacht is gebeurd. Ismet heeft haast. Zijn vader is ernstig ziek, hij heeft kanker. Zijn vader was al lange tijd moe maar de dokters konden niets vinden. Toen ze wel iets vonden was het te laat. De kanker zit al in zijn botten. Nu kunnen ze niets meer doen, alleen maar wachten en bidden om een wonder. Ismets moeder is ook ziek en omdat hij de oudste zoon is, rust de verantwoordelijkheid nu op hem. Hij komt net terug uit het ziekenhuis en aan zijn ogen is te zien hoe moe hij is. De nacht dat Radu vermoord werd voelt heel ver weg, maar hij zegt:

‘Ik was in het gerechtshof, ik wees op een kaartje precies aan hoe het was. Hier stond ik, hier stonden de jongens. Hier kwam het geknal vandaan. Hier bedreigde hij me met zijn pistool’, zegt Ismet.

‘Dat is twee jaar geleden. Wat zeg je nu?’

‘Hetzelfde. Ik zag wie het was, ik weet wie mij met het pistool bedreigde. Ik ken Özkan. Ik zeg de waarheid. Hij was er niet bij’, zegt Ismet.

*

Ismet noemde tijdens het verhoor in de herfst van 2002 al de naam van de vriend met wie hij stond te praten bij Rinkeby torg: Mustafa.

De politie heeft Mustafa verhoord. Van dat verhoor is alleen een samenvatting beschikbaar. Naar wat er in de samenvatting staat bevestigt Mustafa dat hij op de avond van 26 februari samen met Ismet in de pub in Rinkeby was. Ze verlieten samen de pub. Mustafa was van plan naar huis te gaan maar Ismet en hij waren bij Rinkeby torg voor de snackbar in Skårby gränd nog even blijven staan praten. Toen ze daar stonden kwamen er drie jongens vanaf de parkeerplaats aanlopen in de richting van Rinkeby torg. Mustafa zegt dat hij de jongens niet kende en dat hij ze niet eerder had en ook na die avond nooit meer heeft gezien. De drie jongens liepen op Ismet en Mustafa af en bleven vlak voor hen staan. Een van de jongens die er sterk uitzag begon in het Turks tegen Ismet te praten. Mustafa verstond er geen woord van want zelf spreekt hij Arabisch en gebrekkig Zweeds.

Toen de grote jongen en Ismet een paar woorden gewisseld hadden, liepen de drie jongens Rinkeby torg op. Ze verdwenen uit het zicht. Mustafa en Ismet bleven nog even bij de snackbar staan praten. Minder dan vijf minuten erna hoorden ze een aantal schoten. Mustafa zegt dat hij niet precies kon vaststellen waar ze vandaan kwamen of hoeveel het er waren. Bijna direct daarna kwamen de drie jongens over Rinkeby torg naar de parkeerplaats gerend. Zonder te blijven staan richtte een van de drie jongens een wapen op hen dat op een pistool leek en zei: ‘Houd je bek anders schiet ik jullie alle twee neer’.

Tijdens het politieverhoor zei Mustafa dat de drie daarvandaan reden ‘in een stationcar’ die hij niet verder kon beschrijven. Hij had de jongens ook niet zien instappen. Maar hij beschrijft wel het uiterlijk van de drie jongens. Zijn beschrijving komt overeen met Orhan, Ayhan en hun oom Ara. ‘Twee van hen waren slank terwijl degene die met Ismet stond te praten gespierd was. Twee van hen hadden kort haar en een van de jongens had langer haar’. Hij denkt dat deze jongen zijn haar in een paardenstaart had. Mustafa wordt gevraagd waarom hij niets bij de politie heeft gemeld. Hij zegt dat hij bang was en dat nog steeds is na de bedreiging dat hij overhoop zou worden geschoten als hij zijn bek niet zou houden.

Maar Mustafa mocht voor het gerechtshof niet getuigen. De officier van justitie wilde hem niet horen, omdat wat Mustafa zei strijdig was met wat er in de aanklacht over vier daders stond en omdat zijn beschrijving niet overeenkwam met het uiterlijk van Özkan en Önder. Ook Orhans advocaat wilde hem niet in de rechtszaal laten getuigen, omdat Mustafa’s beschrijving van de daders te veel overeenkwam met het uiterlijk van Orhan. En Ayhans advocaat wilde hem niet laten getuigen omdat Mustafa’s verklaring bevestigde dat Ayhan vanaf de snackbar met Orhan naar Rinkeby torg was meegelopen en bij de schietpartij in het metrostation aanwezig was geweest. Ayhan beweerde namelijk voor het hof dat hij buiten bij de snackbar was blijven staan toen er geschoten werd.

En Özkan en Önders advocaten wilden Mustafa niet laten getuigen omdat hij het verhaal van de officier van justitie leek te bevestigen dat de moordenaars van de plaats delict waren weggereden in een stationcar. Özkan en Önders advocaten argumenteerden juist dat Özkans stationcar rond de tijd van de moord in Gävle was en dat Orhan en Ayhan naar en van de plaats delict waren gereden in de lichtblauwe Volvo 740 van Reis Yildiz, de auto die geen stationcar is. Maar hoe zat het eigenlijk met Mustafa’s verhaal dat de moordenaars in een stationcar reden?

In het dossier van het vooronderzoek zit alleen de samenvatting van het politieverhoor dat bovendien gedeeltelijk getolkt is door de neef van Mustafa omdat Mustafa Arabisch spreekt en zich niet erg goed in het Zweeds kan uitdrukken. In de samenvatting van de politie wordt vastgesteld dat Mustafa over de jongens die hij zag, zegt dat ‘de drie later van de plek wegreden in een stationcar’ en dat Mustafa ‘zich niet kan herinneren hoe de auto er verder uitzag’. Een stationcar dus.

Maar nu ik hem spreek zegt Mustafa dat hij nooit gezegd heeft dat hij zeker wist dat de moordenaars in een stationcar reden. Hij heeft geen idee en hij heeft ook nooit enig idee gehad in wat voor auto ze reden. Hij zegt dat de agenten hem vroegen of de moordenaars in een stationcar gereden zouden kunnen hebben en dat hij ja antwoordde, dat zou best kunnen, maar hij wist het niet, het kon net zo goed een gewone auto zijn geweest. Maar hij herinnerde zich wel dat de auto er ‘groot’ uitzag.

‘De agenten hadden eerder tegen me gezegd dat het een stationcar was, maar zelf wist ik dat niet. Ik dacht er niet aan wat voor auto het was. Ze hadden een pistool. Alles ging zo snel’, zegt Mustafa.

Volgens een aantekening in de samenvatting die de politie van Mustafa’s getuigenverklaring maakte, werd het verhoor met Mustafa zowel gefilmd als opgenomen op geluidsband. Net die banden zijn door de politie niet bewaard, krijg ik te horen wanneer ik vraag of ik ze mag meenemen.

Wat Mustafa in werkelijkheid zei tijdens het verhoor of wie hem het woord ‘stationcar’ in de mond legde, komen we dus nooit te weten. We komen ook nooit te weten of Mustafa de drie jongens die in een de auto naar Rinkeby torg waren gekomen, had kunnen identificeren.

In het vooronderzoek of in de zogeheten ‘prullenbak’ staat niet vermeld of de politie hem heeft laten deelnemen aan een fotoconfrontatie om te zien of hij Orhan, Ayhan, Özkan of Önder heeft kunnen identificeren. Dit ondanks het feit dat hij tijdens het verhoor verklaard heeft dat hij hun gezichten had gezien en hun uiterlijk kon beschrijven.

Als ik Mustafa in oktober 2004 voor dit boek interview, vertelt hij dat de politie geen foto’s van de verdachten heeft laten zien. Hij mocht niet aan een confrontatie deelnemen. Tijdens ons gesprek geeft Mustafa ook toe dat hij Orhan en Ayhan Yildiz die avond wel degelijk heeft herkend. Mustafa had beide jongens vele malen in de pub van Folkets hus ontmoet. Hij herkende de derde man echter niet. Hij beschrijft hem slechts als ‘klein, slank en met een paardenstaart’, een beschrijving die klopt met Ara.

‘Ik wilde er niet bij betrokken raken. Daarom zei ik tegen de politie dat ik niet wist wie het waren. Maar dat wist ik natuurlijk wel. Ik kende die jongens wel’, zegt Mustafa.

*

Volgens het gerechtshof liegen ze allemaal: Bedirhan Yildiz, Oya Emen, bareigenaar Johan, Ferat Tunc en Ismet. In de motivering van het vonnis door het hof worden hun verklaringen niet geanalyseerd en wordt niets vermeld over tegenstrijdigheden of leugens. Het gerechtshof stelt alleen vast dat het ‘lijkt’ alsof alle betrokkenen de ‘ambitie’ hebben Özkan en Önder van een vals alibi te voorzien.

Als ik nu naderhand met Bedirhan, Oya, Ferat en Ismet praat, zeggen ze allemaal te weten waar het aan ligt. Het is omdat ze ‘vuile Turken’ zijn.

Ik heb hun verhoren nu tientallen keren gelezen. Ik heb naar al hun verhalen geluisterd. Ik kan onmogelijk zeker weten of ze liegen of de waarheid spreken. Dat kan het gerechtshof ook niet. Ik kan moeilijk de gedachte van me afzetten dat het hof op zijn minst het wegwuiven van hun verklaringen uitvoeriger had moeten motiveren als deze mensen blanke, autochtone Zweden waren geweest, als ze bijvoorbeeld leraar, dokter of journalist geweest waren met namen als Söderman, Andersson en Bergström in plaats van jonge allochtonen van de eerste en tweede generatie, werkzaam in 81

de horeca met achternamen als Yildiz, Emen en Tunc. Meineed, voor het gerecht liegen, is bovendien een ernstig vergrijp waarop gevangenisstraf staat. Het vergrijp valt onder de strafwet. De officier van justitie die te weten komt dat iemand van meineed wordt verdacht, is verplicht een vooronderzoek in te stellen om deze verdachten zo mogelijk aan te klagen. En een sterkere verdenking dan dat het gerechtshof in een rechtszaak vaststelt dat iemand meineed heeft gepleegd kan ik me moeilijk voorstellen.

Maar dan zijn natuurlijk al die liegende getuigen vandaag de dag wegens meineed in staat van beschuldiging gesteld en voor hun misdrijf gestraft?

Nee, niet één. We komen hier later nog op terug.