Uit een ander land

Die zomer werd Alida zich bewust van de dood, vrijwel op de­zelfde manier als ze zich als tiener bewust was geworden van seks. De dood was overal om haar heen, werd door anderen er­varen. Hij was onvermijdelijk en zeer angstaanjagend en ze kon niet ophouden eraan te denken.

Ze was een vrouw van dertig, ongetrouwd, kinderloos. Ze had nooit iemand verloren die haar dierbaar was. En in die zomer ontdekten de artsen een niet te opereren, kwaadaardige tumor in de hersenen van haar vader.

Alida zat bij haar vader en verlangde ernaar hem te vragen naar de stervenservaring, maar dat kon ze niet, evenmin als ze hem, toen ze jonger was, naar seks had kunnen vragen. Er wa­ren bepaalde mysteries die ouders nooit aan hun kinderen openbaarden. Het leek al een teken van gebrek aan respect te zijn hem naar pijn te vragen. Ze zag hem ieder weekend, en ge­woonlijk ook nog op een doordeweekse avond, en als ze bij hem op bezoek kwam, probeerde ze vrolijk te zijn en gewoon te doen, zijn wensen voor te zijn, hem zijn pillen te geven voor hij erom vroeg. Ze zeiden weinig tegen elkaar. Ze waren elkaar zoals altijd nog het meest nabij als ze naar de televisie keken en uit de tweede hand een zelfde ervaring deelden, haar lach een echo van de zijne.

En toen zag ze de dood, recht voor haar ogen. Ze stond op het station Holborn op de ondergrondse te wach­ten, na een vermoeiende werkdag. Op het perron was het heet en druk en Alida staarde naar een bepaalde man, om de dood­eenvoudige reden dat hij binnen haar gezichtsveld stond. Ze was met haar gedachten bij andere dingen - haar vader, een nieuw paar schoenen, onenigheid op haar werk -, maar ze constateerde wel dat deze donkerharige man met een donkere huid, die net de middelbare leeftijd moest hebben bereikt, een pak droeg dat te dik leek voor dit weer en zich koelte toewuifde met een opgevouwen exemplaar van de Financial Times. Ze zag hoe hij zichzelf met die krant sloeg toen hij die liet val­len en toen die viel, viel hij ook, zwaar en onhandig, met stijve, ongecoördineerde bewegingen van zijn armen en benen. Toen hij de grond raakte, was hij waarschijnlijk al dood. Alida had geen verklaring van een arts nodig om die indruk te bevestigen. Ze leek het instinctief te weten, met dezelfde zekerheid als ze wist dat zij leefde.

Hoewel hij een onbekende was, maakte zijn dood een diepe in­druk op haar. Die avond kon ze de slaap niet vatten, alsof de duisternis in haar kamer een scherm was voor de film van haar herinneringen. Ze zag nieuwe details - het patroon van zijn das, de slijtplekken op zijn schoenen - en zag alle andere indi­viduen die op het moment van zijn dood de menigte hadden ge­vormd. Er was een meisje in een roze jurk en witte, stoffen laarzen die The Clan of the Cave Bear aan het lezen was; twee vieze tieners met piekharen en gehuld in zwart leer, die eikaars hand vasthielden; een groepje Amerikaanse vrouwen die luid over Cats spraken; een man met een gouden oorring; een stel keurig geklede zakenlieden van wie er een 'n felblauwe plastic aktentas bij zich had; een oosterse vrouw met twee kinderen die er uitzagen als poppen; een man in het zwart... Een man in het zwart die er niet eerder was geweest en er na de dood ook niet meer was.

Alida ging rechtop in bed zitten en het ademhalen kostte haar moeite. Ze deed haar ogen dicht om het beter te kunnen zien. Een man in het zwart.

Dicht bij de man die was overleden. Ze zag hem zijn hand uit­steken. Hij had de man die was overleden, aangeraakt. Zou dat toeval zijn geweest? Gewoon een man in een zwart pak, zoals zovele anderen een grijs of een blauw of een bruin kostuum droegen...

Maar ze kon zijn gezicht niet zien, in tegenstelling tot dat van alle anderen. Na het overlijden was hij verdwenen. Totaal ver­dwenen, alsof hij er nooit was geweest. Hoe ze er ook haar best voor deed, zijn gezicht kon ze niet zien. Toen ze tegen het ochtendgloren eindelijk in slaap viel, droom­de ze over de man in het zwart, die daar op het drukke station van de ondergrondse stond, haar in de gaten hield, haar vader vlak voor haar ogen dood zag neervallen. De volgende week besloot Alida haar ouders niet zoals te doen gebruikelijk op de zaterdag te bezoeken, en ging in plaats daar­van naar vrienden die een oud huis in Stoke Newington aan. het opknappen waren.

Het was een warme, zonnige dag en ze stapte uit de bus bij de halte aan Newington Church Street. Het viel Alida op dat er zoveel mensen op straat waren; groepen saai geklede tieners die tegen de gebouwen aan stonden, vrouwen in felgekleurde sa­rongs die langszweefden als personificaties van de zomer, heel oude mensen die met een slakkegangetje voortgingen, jonge moeders die trachtten hun kinderen bij zich in de buurt te hou­den. De straat liep omhoog en maakte een bocht; de trottoirs waren smal. Terwijl Alida mensen ontweek en verder liep, was ze af en toe gedwongen even de weg op te stappen, waardoor ze zenuwachtig werd, want het verkeer reed snel en als chauf­feurs de bocht om kwamen, minderden ze geen vaart en leken ze niet te beseffen dat ze moesten uitkijken. Tien meter voor haar, bij de tabakswinkel voor de bocht in de weg, lag een golden retriever op de stoep en was een vrouw met een baby in een wandelwagentje blijven staan om met twee jon­gemannen te praten, een flessehals scheppend die gevaarlijk zou kunnen zijn wanneer een ongeduldige voetganger op het verkeerde moment de weg op stapte. Alida had het echter niet opeens koud vanwege mogelijk dreigend gevaar. Dat was niet de reden waarom ze haar kaken op elkaar klemde en sneller liep, haar blote armen wrijvend waarop kippevel was versche­nen. Het kwam door het zien van de zwarte man, die vlak ach­ter de vrouw, de baby, de jongemannen en de hond stond te wachten.

Ze geloofde geen seconde dat ze het mis had, dat hij een andere man kon zijn in een gewoon zwart pak, want ze herkende hem door een ander zintuig dan haar gezichtsvermogen. Vanaf deze afstand kon ze zelfs zijn gezicht zien, dat op de een of andere mysterieuze manier in schaduw was gehuld, ondanks het felle zonlicht in de open lucht.

Ze begon nog sneller te lopen, rende bijna, vastbesloten bij hem te zijn voordat hij kon verdwijnen, vastbesloten zijn ge­zicht te zien en te constateren dat dat heel gewoon was. Naast haar, lager dan haar gezichtsveld, bewoog zich iemand anders: een kind. En ze hoorde een vrouwenstem scherp en ver­moeid achter haar 'Gavin!' roepen.

Alida besefte dat ze even de weg op zou moeten, omdat ze an­ders over de hond zou struikelen, of het risico liep haar prooi uit het oog te verliezen als ze langs de mensen liep die de stoep blokkeerden. Het risico van het verkeer leek daarboven te ver­kiezen te zijn.

Iets streek langs haar heup. Ze dacht nog altijd aan de hond, keek omlaag en zag een roodharig kind van een jaar of drie gie­chelend langsrennen. Achter haar weer de stem van de vrouw, wanhopiger ditmaal: 'Gav-in!'

De man in het zwart stapte nu naar voren, de straat op. Hij hield zijn armen uitgestrekt. Hij boog zijn knieën om het kind te kunnen pakken dat regelrecht op hem afliep, kennelijk zon­der hem te zien.

Alida staarde nu strak naar de man in het zwart en ze kon nog altijd zijn gezicht niet zien. Het zonlicht werd weerkaatst op de voorruit van een naderende auto en dat verblindde haar. Later haalde ze zich die beelden telkens weer voor ogen, terwijl ze probeerde te bedenken waarom ze had gedaan wat ze had ge­daan.

Zodra ze de man in het zwart zijn armen had zien uitstrekken, had ze geweten dat het kind gedoemd was te sterven, waar­schijnlijk doordat het werd aangereden door een auto die de bocht om kwam.

Het zou een normale en niet eens heldhaftige reactie zijn ge­weest om het kind op te pakken, in haar armen te nemen en in veiligheid te brengen, waarvoor zijn moeder haar dankbaar zou zijn. Het zou voor de hand gelegen hebben dat ze dat bin­nen een fractie van een seconde had gedaan. Maar ze had het niet gedaan.

Alida had zich op de man in het zwart gestort, had zich in zijn wachtende, uitgestrekte armen geworpen en de omhelzing aan­vaard die voor het kind bedoeld was geweest. Het eerstvolgende dat ze zich bewust werd, was pijn. Een ver­blindende pijn die haar hele lichaam doortrok, haar gewrichten uit elkaar trok en ieder bot brak, haar zelfs het schreeuwen on­mogelijk maakte, waardoor de kreten tegen haar pijnlijke trommelvliezen bonsden. Ze werd uiteengereten en weer sa­mengevoegd tot een trillende berg die niet eens zijn eigen naam kende.

'Is alles in orde met je, schatje?'

Het openen van haar ogen was als het aftrekken van huid van een net geheelde wond. Haar keel was veel te rauw om te kun­nen kreunen. Alida besefte dat ze nog leefde. Ze stond in Ne- wington Church Street, met haar rug tegen een muur, en voor haar stond een kleine, witharige vrouw, met een haarnetje om haar pas gepermanente haar, een blauwe jurk die tot haar hals was dichtgeknoopt, een vierkante, glanzende handtas. Een vrouw die haar bezorgd aankeek.

Alida keek omlaag en zag dat ze er normaal uitzag, geen bloed of blauwe plekken. Zelfs haar kleren, een bloemetjesrok en een mouwloos truitje, waren nog perfect in orde. 'Wat is er gebeurd?' vroeg ze, terwijl ze haar kaken op elkaar klemde en tegen de muur aan wiegde toen een napijn door haar lichaam schoot.

'Dat weet ik niet, schatje. Ik zag je toevallig en je drukte je te­gen die muur aan alsof je niet fatsoenlijk op je eigen benen kon staan en je had een gezichtsuitdrukking... Daardoor maakte ik me zorgen...'

'Ik ben niet... aangereden door een auto?' Alida keek naar de weg, langs de nadrukkelijk nee schuddende vrouw, naar het in de zon glanzende verkeer dat eindeloos voortging. Ze zag de gele hond liggen hijgen in het zonnetje, nog altijd voor de deur van de tabakswinkel, hoewel de twee jongeman­nen en de vrouw met het wandelwagentje niet meer te zien wa­ren. Ze dwong zichzelf een stap van de muur vandaan te doen, ver genoeg om de bocht om te kunnen kijken, en werd beloond met het zien van de rode krullen van Gavin. De vrouw had de hand van het jochie stevig vast en ze liepen weg. En de man in het zwart...

De pijn van de herinnering aan hem kwam zo onverwacht en was zo scherp dat ze op haar tong beet en de smaak van bloed als een opluchting ervoer.

'Het gaat wel weer met me,' zei ze tegen de vrouw die zich nog steeds zorgen over haar maakte.

'Misschien kwam het door de hitte,' zei de oude vrouw. 'Toch zou ik, als ik u was, wel even naar een dokter gaan, voor de zekerheid. Het kan uw hart zijn geweest en een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn.'

Alida wist dat het niet door de hitte was gekomen, noch door haar hart. Het was de dood geweest en zij had die overleefd. Ze liep langzaam verder, want het gevoel was zo intens geweest dat ze het idee had heel breekbaar te zijn. Toen ze bij het oude kerkhof was, liep ze dat op en ging op een laag stenen bankje zitten rusten. Ze kon haar vrienden nu nog niet onder ogen ko­men. Ze zouden meteen aan haar zien dat er iets was gebeurd, en ze wist niet hoe ze dit aan hen zou kunnen uitleggen. Ze was er niet zeker van dat ze iemand erover wilde vertellen, want ze verwachtte ongeloof en wilde niet dat anderen haar aan haar eigen ervaring lieten twijfelen.

Ze had de dood gezien. Ze had hem gevoeld, doorleefd, en het overleefd.

Ondanks de warmte rilde Alida. De pijn was er nog, op de rand van haar bewustzijn, gevaarlijk zelfs om aan te denken. En toch... was ze er doorheen gekomen. Dood was begrijpelijk, net als pijn; hij had een plaats in de wereld net als dat andere mysterie - seks. En net als seks was hij zowel eenvoudiger als belangrijker dan ze in haar onschuld had vermoed. Ze was bijna ingenomen met zichzelf, met haar nieuwe rijp­heid. Na nog even te hebben nagedacht kon ze opstaan, haar rok glad strijken en naar haar vrienden toegaan alsof ze dezelf­de persoon was die ze altijd hadden gekend. Ze dacht dat dat het einde was. Ze had haar nieuwsgierigheid bevredigd en haar obsessie genezen; ze had haar eigen sterfe­lijkheid aanvaard, en die van anderen, en hoefde niet langer over de dood te dromen.

Maar de dood was nog niet klaar met haar. Toen ze die avond in de bus op weg naar huis zat, zag ze de man in het zwart naast een breekbare oude dame zitten. Hij had zijn gezicht afge­wend, naar het raam, alsof hij zich voor het buitengebeuren in­teresseerde. Later zag ze hem in een portiek staan, tussen twee zwervers die een fles wijn bij zich hadden. Op een andere dag leunde hij bezorgd over een babywagen en volgde een zwaarge­bouwde jongeman. De dood was overal en Alida kon zijn don­kere aanwezigheid niet negeren, hoezeer ze daar ook haar best voor deed. Zelfs als ze de man in het zwart niet zag, voelde ze zijn nabijheid.

Ze zat naast het bed van haar vader een trui te breien, terwijl hij onrustig sliep, toen ze opeens opkeek omdat ze een koud, angstig voorgevoel kreeg.

De dood schoof zijdelings naar binnen, met zijn gezicht van haar afgewend. Hij kroop als een krab, liet haar de gladde zwarte stof op zijn rug zien, hield zijn gezicht tegen het licht­groene behang aan, alsof hij verwachtte zich daar ongemerkt mee te kunnen vermengen.

Haar vaders ademhaling veranderde, werd raspend en opper­vlakkig, en Alida deed haar mond open om haar moeder te roe­pen, maar kon geen geluid uitbrengen. De bol wol rolde onder het bed toen ze overeind vloog, en ze merkte dat haar benen te slap waren om haar in veiligheid te kunnen brengen, zwak door de herinnering aan die afschuwelijke pijn. Ze staarde naar de binnendringer terwijl die langs de muur verder ging, wetend dat hij dadelijk bij het hoofdeinde zou zijn en haar vader zou kunnen aanraken.

Er was geen sprake van een bewust genomen besluit. Ze dacht aan ontsnappen, aan de pijn die ze niet nogmaals zou kunnen verdragen, en niet aan zelfopoffering. Maar ze kon haar vader ook niet zien lijden zonder iets te doen. Het was bijna een in­stinctieve, lichamelijke reactie om de dood weg te duwen... Ze gooide zich het bed over, voor de tweede maal de uitgestrek­te armen van de dood in, de omhelzing aanvaardend die voor iemand anders was bestemd. En ze omhelsde hem inderdaad, eerder dan dat ze hem wegduwde. Ze hield hem heel dicht tegen zich aan, alsof hij een lang verloren gewaande geliefde was. Ze voelde haar huid schroeien, overal waar de zijne die aan­raakte. Het was alsof er een sterke elektrische stroom overging van hem in haar, waardoor hun twee wezen tot één wezen wer­den versmolten. Ze voelde zijn afdruk op haar huid, toen werd die er dieper ingeëtst. Ze voelde het vlees van haar botten af smelten, eraf druppelen, als heet vet, door haar armen, haar ribbenkast schroeiend, om de dieper liggende organen te berei­ken, waarna haar hart in vlammen opging. Toch leefde ze nog. Alida besefte dat ze aan de andere zijde van de pijn weer te voorschijn was gekomen, en begreep niet hoe haar bewustzijn had kunnen blijven bestaan nu haar vlees was weggesmolten en haar botten tot as waren vergaan. Ze werd zich bewust van haar pijnlijke lichaam, dat over het voe­teneinde van het bed van haar vader lag. Ze voelde dat het be­gon te genezen, voelde haar bloed koeler worden en weer stro­men, voelde hoe haar botten zich weer vormden, voelde hoe haar rauwe, vloeibare vlees weer stolde. Toen ging ze rechtop zitten en keek timide om zich heen.

Er was geen spoor te bekennen van de man in het zwart. Haar vader lag vredig te slapen, haalde regelmatig adem en zag er be­ter uit dan in dagen het geval was geweest. De angstaanjagende doorschijnende indruk die zijn huid had gewekt was verdwe­nen, waardoor ze haar bekende, levende vader weer zag. Zij had zijn dood aanvaard, dacht ze, en ze hadden dat beiden overleefd. Ze deed haar ogen dicht, om tranen van vreugde te­gen te houden.

Na een paar dagen werd Alida's vader sterker. Hij begon meer te eten en klaagde niet langer over pijn. De artsen durfden nau­welijks hoop te hebben en leken het idee van een totaal herstel even sceptisch te bekijken als ze dat met Alida's verhaal zouden hebben gedaan, wist ze. Maar zij kende de waarheid. Ze had hem teruggehaald van de dood. Het onmiddellijke gevaar was geweken en nu zou hij oud kunnen worden. Alida's vreugde daarover werd gecompliceerd gemaakt door wat ze nu over zichzelf wist, en ze trok zich terug, weg van fa­milie en vrienden, om daar eens diep over na te denken. Ze had haar vader van de dood gered, evenals het kind van een onbekende, en ze twijfelde er niet aan dat ze hetzelfde ook voor anderen zou kunnen doen. Het was een afschuwelijke verant­woordelijkheid, een goddelijke rol waar ze niet om had ge­vraagd en die ze ook niet spelen wilde. Was het de bedoeling dat zij een nieuwe verlosser werd, die duizend keer moest ster­ven om de levens van anderen te redden? Moest zij een eigen leven totaal opgeven om door het land te trekken en de dood op hoofdwegen en in ziekenhuizen te slim af te zijn? Alida wist dat ze de dood niet kon overwinnen, zelfs niet als ze dat werke­lijk wilde. Ze kon slechts een paar mensen redden van de mil­joenen die hij ieder jaar uitzocht, en zo hoorde het ook. Ze zou graag nog eens lijden als ze daarmee haar moeder of een vriend of een onschuldig kind kon redden, maar waarom zou ze heel oude of verdorven mensen helpen te ontsnappen aan een dood die hun toekwam?

Alida besloot te vertrouwen op het toeval en haar eigen instinc­ten. Ze zou de dood niet opzoeken, maar van haar vermogen gebruik maken als ze vond dat dat moest. Tijdens de dagen en weken na die beslissing bleef Alida glim­pen opvangen van de man in het zwart, maar nooit meer dan dat. Ze zag hem soms even in een drukke straat of in een voor­bijrijdende auto. Soms voelde ze hem nabij als een onbekende dicht langs haar liep. Ze dacht dat ze zich met die vrijheid ge­lukkig moest voelen; ze werd niet gedwongen een beslissing te nemen, ze hoefde niet nogmaals te sterven. Maar ze was ruste­loos en gespannen, sliep slecht, sloeg maaltijden over en wacht­te voortdurend op de volgende dood.

Ze begon weer over de dood te dromen, maar ditmaal maakte ze in haar slaap niet het verlies of het herstel van dierbaren mee; nu droomde ze over de man in het zwart. Als ze nu sliep, baande ze zich ongeduldig een weg door de duisternis heen, trok aan zijn arm, drukte zich tegen hem aan, vocht om zijn gezicht te zien. In haar dromen veranderde pijn in genot en in plaats van bang voor de pijn te zijn verlangde ze naar zijn om­helzing. Geleidelijk bleef dat verlangen ook bestaan als ze wak­ker was, en moest ze toegeven dat de levens die ze zou kunnen redden, voor haar niet belangrijk waren. Het enige dat ze wil­de, was de dood.

Maar de dood leek haar niet te willen hebben. Hoewel ze aan­vankelijk het gevoel had gehad dat ze de man in het zwart naar zich toe had getrokken omdat ze was geobsedeerd door de dood en hem daardoor kon zien terwijl anderen hem niet za­gen, veranderde dat door haar verlangen. Dat leek een tegen­overgesteld effect te hebben. De dood zag haar wellicht niet als een geliefde maar als een bedreiging, een gevaarlijke rivale die door hem gekozen slachtoffers van hem stal. Ze begon regelmatig rond te lopen in de poliklinieken van zie­kenhuizen, op de afdeling spoedopname, maar hoewel ze vaak de aanwezigheid van de dood voelde, kwam ze nooit dicht ge­noeg bij hem in de buurt om hem te kunnen aanraken. Ze werkte niet langer en gaf er de voorkeur aan dag en nacht op straat rond te zwerven. Maar telkens wanneer ze het bekende zwarte pak zag, verdween dat zodra ze trachtte erachter aan te gaan. Ze las over sterfgevallen in de kranten en hoorde erover tijdens de nieuwsberichten: hongersnood in Afrika, een bom in Ierland, een maniak met een machinegeweer in Los Angeles, en alle overlijdensberichten, alle individuele sterfgevallen die plaatsvonden zonder dat zij erbij was, buiten haar bereik. Zo­veel mensen gingen dood, zoveel mensen die niet hoefden te sterven. Waarom kwam zij niet tussenbeide? Waarom kon ze niet iemand vinden die op het punt stond te sterven? Alleen haar dromen schonken haar enige opluchting, en die kreeg ze met steeds grotere tussenpozen, omdat het haar steeds meer moeite kostte om te slapen.

Alida had niet beseft hoe wanhopig haar stemming was gewor­den, tot ze op een ochtend in de badkamer staarde naar het bloed dat uit een snee in haar vinger opwelde - een snee die ze zelf had gemaakt bij een vruchteloze, half bewuste poging om het mesje uit een plastic wegwerpscheermes te halen. De pijn voelde ze nauwelijks, maar het zien van het felrode bloed bracht haar bij haar positieven. Ze keek in de spiegel en zag voor het eerst hoe bleek en mager ze was geworden. Hoe­zeer ze de dood nabij leek te zijn.

Ze keek verder, achter haar spiegelbeeld. Ze kon haar eigen ogen niet eens vasthouden; ze was altijd op zoek naar de man in het zwart, altijd aan het trachten dat nog ongeziene, onbe­kende gezicht te zien. Alles wat ze deed, was een poging hem naar haar terug te halen, maar ze wist dat ze zichzelf niet van het leven moest beroven tenzij ze werkelijk bereid was alles op te geven. Omdat ze niet wilde sterven, wilde ze de dood hebben en die telkens weer overleven.

Het was haar al tweemaal gelukt. Hoe moeilijk kon het zijn ie­mand anders te vinden die op het punt stond dood te gaan? Ali­da besefte niet dat ze het besluit had genomen te proberen ie­mand te vermoorden tot ze haar slachtoffer zag, recht voor zich en te dicht bij de rand van het perron, op het moment dat een warme wind de komst van een trein aankondigde. Alida had een stap naar voren gedaan en haar hand uitgestoken om te duwen, toen ze vanuit een ooghoek, te midden van de men­senmenigte, het zwarte pak dichterbij zag komen. Opeens begreep ze wat ze van plan was geweest, en bleef dode­lijk geschrokken stokstijf staan. De dood verdween. Ze kon niet handelen. Om haar heen duwden mensen elkaar weg en stapten in, haar achterlatend, alleen met zichzelf en haar ver­langen.

Nee, geen verlangen; ze moest nu toegeven dat het de vorm van een verslaving had gekregen. Het was een behoefte die haar in conflict bracht met zichzelf, die haar leven had overgenomen, evenals haar geest en haar wil.

Maar niet helemaal. Ze kon nog altijd nadenken en ze kon wei­geren toe te geven. Ze zou veranderen. Dat móést. Trillend maar vastberaden verliet Alida het station van de on­dergrondse en liep de grijze straat op, denkend aan hoe ze haar

twee sterfgevallen zou vergeten en zich op het leven zou con­centreren. Ze was te veel alleen, besloot ze. Ze moest meer tijd doorbrengen bij haar vrienden en een minnaar zoeken. Ze stelde zich een man in haar armen voor, in de warme priva­cy van haar bed, met haar benen om hem heen en haar lippen op de zijne, hem dicht tegen zich aanhoudend, hem dwingend stil te blijven liggen, zijn miserabele, zwakke pogingen voelend om weg te komen, de kracht die door hem heen ging, waardoor hij uit het leven werd weggerukt...

Er was veel wilskracht nodig om die gedachtengang te onder­breken en Alida kon er niets aan doen dat haar hart bonsde en haar adem in korte, opgewonden stoten kwam - of waren het angstige stoten? Alida wist niet wat ze ervan denken moest. Ze was een vreemde voor zichzelf geworden. Ze durfde niet na te denken over wat ze wilde. Het was alsof ze twee verschillende mensen was en de wensen en verlangens van de ene onbegrijpe­lijk en gevaarlijk voor de andere waren. Ze bleef lopen, omdat dat het gemakkelijkste was en omdat het veilig leek. Het zou zelfs goed kunnen zijn, dacht ze, om te lo­pen tot ze door de uitputting niet meer kon denken. Ze was zich er nauwelijks van bewust waarheen ze ging. Ze stak de Theems over en bleef verder naar het zuiden lopen, met vaste tred, zon­der moe te worden. Ze had geen plaats van bestemming in ge­dachten gehad, maar geleidelijk besefte ze dat ze al spoedig in de buurt van het huis van haar ouders zou zijn. Het werd don­kerder en haar moeder had altijd voldoende eten. Alida had geen honger, maar meende dat een diner met haar ouders een anker zou zijn om weer contact te kunnen maken met de wer­kelijkheid. Ze zouden het fijn vinden haar te zien, en een tijdje zou ze haar oude zelf kunnen lijken.

Haar ouders woonden in een rustige zijstraat, in een groot maar ietwat vervallen rijtjeshuis. Zodra Alida de hoek omging, zag ze meteen de bekende gestalte van haar vader. Hij was heel langzaam en zorgvuldig de dode bladeren aan het wegvegen van de stenen waarmee hij de voortuin had betegeld toen Alida veertien was.

Opeens besefte ze hoe ontzettend veel ze van hem hield. Toen ze hem daar langzaam in het schemerlicht zag bewegen, herin­nerde ze zich alles wat hij in dertig jaar voor haar geweest was, zijn stem, zijn voorkomen, zijn geur, het voelen van hem - de betekenis van hem in haar leven. Ze begon sneller te lopen en vroeg zich af of het geluid van haar op het trottoir tikkende hakken ervoor zou zorgen dat hij zich omdraaide. Ze verheug­de zich al op de langzame, blije glimlach als hij haar zou zien, een glimlach die zijn oude gezicht zou oplichten. Toen sloeg haar hart opeens sneller door iets anders dan doch­terliefde, op het moment dat ze iets - iemand - achter haar vader zag, half verborgen in de schaduw van het gewelfde por­tiekje bij de voordeur. De man in het zwarte pak. Dat leed geen enkele twijfel. Zijn doodstille houding gaf haar koude rillingen. Toen werd er een zwarte arm met lichte vingers uitgestoken, alsof hij zijn minachting voor haar duidelijk wilde maken. Die vingers raakten de gebogen schouders van haar va­der net niet, maar als hij ook maar één stap naar achteren zette, zou dat veranderen. En daar kon Alida niets aan doen. Ze kon de dood niet als eerste bereiken, zoals haar dat eerder wel was gelukt. Ditmaal stond haar vader tussen haar en de dood in. De enige hoop die ze had, was ervoor zorgen dat haar vader haar kant op kwam, buiten het bereik van de dood. Als ze hem op tijd kon waarschuwen, hem naar haar toe kon roepen... Ze gilde, hem bij een infantiele, tweelettergrepige naam roe­pend die hij haar vijftien jaar lang niet meer had horen gebrui­ken. Misschien begreep hij het niet, misschien herkende hij al­leen de doodsangst en het verlangen in de schreeuw van een vrouw.

Hij draaide zich om en Alida rende op hem af, sneller dan ze zich ooit in haar leven had bewogen. Ze zag de uitdrukking op zijn gezicht veranderen en een deel van haar geest vroeg zich af waarom hij zo doodsbang keek. In ieder geval deed hij een stap naar achteren, bijna wankelend, van haar vandaan. Naar achteren, ruimschoots binnen het bereik van de man in het zwart, die hem echter niet aanraakte. Toen Alida het kleine gietijzeren hekje openmaakte en zich naar voren stortte, wist ze niet eens waarom ze dat deed.

Toen had ze haar armen stevig om haar vader geslagen en hield hem dicht tegen zich aan, voelde hem sterven. Deze dood was anders dan de andere twee, die ze uit de tweede hand had ontvangen, geladen en pijnlijk, van de man in het zwart. Deze dood was de hare...

Ze voelde botten als glas breken door de druk van haar armen en toen ze haar lippen op de zijne drukte, was dat om zijn laat­ste, trillende ademstoot op te zuigen. Ze stond daar, moeizaam ademhalend, keek naar het overschaduwde portiekje en wacht­te tot de man in het zwart te voorschijn zou komen. Toen hij dat deed, toen hij het schemerlicht instapte en zich aan haar liet zien, zag ze dat hij het gewone gezicht van een on­bekende had. Hij was weer een sterfelijke man, omdat hij de last of de gave van de dood had doorgegeven aan Alida. Ze stak een arm uit om het menselijke gezicht voor haar met lange, koele vingers te liefkozen. Ze deed zijn ogen dicht en gaf hem de rust waarnaar hij had verlangd. Nadat de dood zijn li­chaam naast dat van de man die eens Alida's vader was ge­weest, had laten vallen, ging ze weg om haar werk te doen.