Inleiding

De horror, de horror! 

We noemen ze horrorverhalen.

Er lopen dwazen rond die werkelijk denken dat kleren de man maken en dat er op de diverse vormen van literatuur etiketjes kunnen worden geplakt. De meesten van hen lezen geen hor­rorverhalen. Waarom zouden ze? De term zelf veroordeelt het genre even trefzeker als een goedkoop polyester kostuum de man die dat draagt. Echte literatuur moet zich bezighouden met het leven in al zijn oneindige varianten, met liefde en dood en geboorte en hoop en lust en vergankelijkheid, met alle erva­ringen en emoties die de menselijke conditie bepalen. Een ver- halensoort dat door zijn naam alleen al zijn geobsedeerde be­langstelling duidelijk maakt voor slechts één emotie, dat alleen bestaat om bij de lezer angst op te roepen... dat moet wel tweederangs materiaal zijn, dat nauwelijks de aandacht waard is. Het kan nog het beste worden vergeleken met pornografie, die zich net als de horrorfiction op één enkele emotie richt en alleen bestaat om bij de lezer lustgevoelens op te roepen. En dan die omslagen! Niets wat de moeite van het lezen waard is, heeft ooit een glanzend zwart omslag gehad waarop druppend rood bloed staat afgebeeld!

Degenen die dat standpunt huldigen, zijn ook geneigd te den­ken dat science fiction over wetenschap gaat, dat het mysterie het belangrijkste is in de boeken van Raymond Chandler, en dat Madison Square Garden zich ergens in de buurt van Madi- son Square bevindt, met al zijn struiken en bloemen. Wij, mensen die beter weten, noemen ze nog steeds horrorver­halen, maar een fatsoenlijk etiketje is het niet, en soms ruziën we erover en verzinnen een respectabeler term. Horror? zeggen we verontwaardigd. Nee! Nee! Horror interesseert me niet, angst wel. Angstverhalen? Angstfiction? Dat zijn ook geen goede kreten.

Griezelverhalen? Dat klinkt wel aardig. Gedegen en waardig en conservatief, iets waarbij Russell Kirk: en Sheridan LeFanu zich prettig zouden voelen - heel traditierijk, zoals een oude schooldas. Als we griezelverhalen schrijven, kunnen we ons bij alle exclusieve clubs aansluiten en cognac nippen in een smo­kingjasje. Niemand zou een snierende opmerking durven ma­ken aan het adres van een schrijver van griezelverhalen. Jam­mer dat er achter die zwarte omslagen vaak zo weinig verhalen te vinden zijn met het griezelelement bij uitstek: het spook. Wat zou u denken van bovennatuurlijke verhalen? Ook dat klinkt aardig en dan kunnen we net doen alsof we niets te ma­ken hebben met die scenarioschrijvers die geobsedeerd lijken te worden door psychotische tieners, babysitters en keukenge­reedschap.

Of misschien duistere fantasie? Dat is pas een modieuze kreet. Ik spring in mijn Porsche en race langs die boekhandel met rek­ken vol horrorpockets regelrecht door naar mijn favoriete lees- boetiek om een duistere fantasie te kopen. En op dinsdagoch­tend zal alles weer door de vuilnisman worden afgevoerd. De pogingen om horror van een modieuzer etiketje te voorzien zijn evenzeer tot mislukking gedoemd en zinloos als de sporadi­sche pogingen om science fiction een andere naam te geven, en zullen de heiden evenmin kunnen bekeren. Hoe we het genre ook noemen, er zullen altijd mensen zijn die erop staan een boek naar het omslag te beoordelen en een genre naar de slechtste voorbeelden ervan.

Omdat we hier toch openhartig bezig zijn, moeten we ook maar bekennen dat horror de laatste jaren de vijanden van het genre nogal wat van de slechtste voorbeelden heeft voorgescho­teld. Begin tegenover mij alstublieft niet over de films waarin tieners elkaar afslachten en waar dan prompt ook nog weer eens boeken van worden gemaakt, noch over alle eindeloze her­halingen van de bestsellers van het vorige jaar, over geweld en bloederigheid omwille van geweld en bloederigheid, over een duizendtal slappe, zinloze, niet originele verhalen die worden verteld in een proza dat even melodieus is als over een school­bord krassende nagels, en worden bevolkt door bloedeloze vampieren, bordpapieren agenten, door de duivel bezeten kin­deren, idiote helden en lange colonnes gezichtsloze bijfiguren die uitsluitend bestaan om de ratten hun ogen uit hun hoofd te laten eten. Tijdens de recente 'horrorhausse' leken te veel uit­gevers en te veel schrijvers het idee te hebben dat ze alleen een glanzend zwart omslag nodig hadden, inclusief een korte titel, in druppend bloed geschreven, en een pakkend citaat waarin de auteur werd vergeleken met Stephen King. Het deed er niets toe dat er op de bladzijden niets nieuws of onverwachts gebeurde, dat de plots onzinnig waren en de figuren zelden menselijker dan de monsters. Horror kan meer zijn dan dat. Hetgeen ons, via een omweg, op Hellehart brengt. Het is een voortreffelijke bloemlezing, samengesteld door Paul Mikol en de mensen van Dark Harvest Press. Het idee is een­voudig. Drie schrijvers, één gastredacteur. Iedere schrijver draagt 30 000 woorden bij aan originele, nooit eerder gepubli­ceerde horrorfiction. Een twaalftal korte verhalen, drie korte, een langere novelle - dat doet er niet toe. We willen de verha­len hebben die de schrijver wil vertellen, met een lengte die hij passend acht. Iedereen krijgt er een habbekrats voor, dus is het van het begin af aan duidelijk dat niemand meedoet vanwege het geld. Dit is liefdewerk. In plaats van geld krijgen de schrij­vers de vrijheid en de uitdaging om het allerbeste te schrijven waartoe zij in staat zijn. Het resultaat is een bloemlezing die laat zien wat horrorverhalen op hun best kunnen zijn, wat het genre kan betekenen, moet betekenen en soms ook betekent. In deze bundel zijn verhalen opgenomen van Ramsey Camp­bell, Lisa Tuttle en Ciive Barker. Het boek zou kunnen worden beschouwd als een Britse invasie. Campbell en Barker zijn Brit­ten en Tuttle is afkomstig uit Texas, maar woont in Londen. De Britten waren al zeer goede horrorverhalen aan het schrij­ven voordat iemand ooit aan een gepreegd omslag (met een re­liëf) had gedacht en Barker, Campbell en zelfs Tuttle behoren tot die traditie. Het zijn drie heel verschillende schrijvers, maar ze hebben ook iets gemeen en dat is meer dan een voorkeur voor gebakken vis en patat. Het heeft veel te maken met de re­den waarom we fiction en dan met name horrorfiction lezen. Degenen die beweren dat we horrorverhalen om een zelfde re­den lezen als waarom we in een achtbaan stappen, gaan aan het belangrijkste voorbij. Als we weer uit een achtbaan komen, zal er op z'n gunstigst meer adrenaline zijn aangemaakt, en daar gaat het bij fiction niet om. Net als een achtbaan kan een wer­kelijk slecht horrorverhaal ons misselijk maken, maar verder kan de vergelijking niet worden doorgevoerd. We lezen fictie om er méér uit te halen dan de 'genoegens' die een pretpark te bieden heeft.

Een goed horrorverhaal zal ons inderdaad angst aanjagen. Het zal ons 's nachts wakker houden en ons kippevel bezorgen. We zullen erover dromen, waardoor de duisternis voor ons een nieuwe betekenis krijgt. Angst, doodsangst, horror, kies zelf maar, het komt er allemaal bij kijken. Maar verwar die gevoe­lens alsjeblieft niet met een gewone duizeling. De prachtigste verhalen, die ons bijblijven en ons leven veranderen, gaan nooit écht over de dingen waar ze over lijken te gaan. Slechte horrorverhalen houden zich bezig met zes manieren om een vampier te doden en geven levendige beschrijvingen van hoe de ratten de genitaliën van Billy opaten. Goede horrorver­halen hebben een veel breder perspectief. Ze gaan over hoop en wanhoop. Over liefde en haat, lust en jaloezie. Over vriend­schap en puberteit en seksualiteit en woede, eenzaamheid, ver­vreemding en psychosen, moed en lafheid, de menselijke geest en het menselijke lichaam, die aan spanningen of verdriet wor­den blootgesteld. Over het oneindige conflict van het menselijk hart met zichzelf. Goede horrorverhalen laten ons naar onszelf kijken in donkere, vervormende spiegels, waar we glimpen op­vangen van dingen die ons verontrusten, dingen waar we eigen­lijk liever niet naar hadden willen kijken. Horror kijkt in de schaduwen van de menselijke ziel, naar de angst en woede die in ieder van ons aanwezig is.

Maar duisternis is betekenisloos zonder licht, en horror is zin­loos zonder schoonheid. De beste horrorverhalen zijn in de eer­ste plaats verhalen en houden zich pas in de tweede plaats met horrorelementen bezig. Ze jagen ons angst aan, maar doen ook meer dan dat. In die verhalen is niet alleen ruimte voor gegil, maar ook voor gelach, voor tragedie, voor triomf en tederheid. Ze houden zich met angst bezig, maar ook met het leven in al zijn oneindige gevarieerdheid, met liefde en dood en geboorte en hoop en lust en vergankelijkheid, met alle ervaringen en emoties waaraan de mens ten prooi kan vallen. De figuren zijn mensen, mensen die in onze verbeelding blijven bestaan, men­sen als degenen om ons heen, mensen die niet alleen bestaan om in hoofdstuk vier het slachtoffer te worden van een geweld­dadige slachtpartij.

De beste horrorverhalen vertellen ons waarheden.

Clive Barker, Ramsey Campbell en Lisa Tuttle behoren tot de

beste schrijvers in het genre en op de hierna volgende bladzij­den zult u van ieder van hen een topprestatie kunnen lezen. Al­le dingen die door een uitgever gewoonlijk worden beloofd, zijn erin terug te vinden. Het zijn verhalen die u nachtmerries zullen bezorgen, die uw hart in uw borstkas doen hameren, die uw haren overeind doen staan, uw handen bezweet maken en u kippevel bezorgen. Begin niet 's avonds laat in dit boek te le­zen en als u dat wel doet, laat dan de lichten branden, enzo­voort, enzovoort.

Laat me daar echter dit nog aan toevoegen. Als dit boek weer op de plank staat en u niet langer kippevel heeft, uw haar weer normaal zit en uw handpalmen droog zijn, als het zonlicht door uw keukenraam naar binnen schijnt... zult u zich deze verhalen nog kunnen herinneren, deze mensen, deze ervaringen die u nooit ten deel zijn gevallen. U zult over deze verhalen na­denken, omdat er dingen in staan die de moeite van het over­denken waard zijn. U zult niet alleen bang zijn geworden (want iemand angst aanjagen is in feite het makkelijkste), maar ook verontrust en ontroerd en misschien... heel misschien... zult u een beetje anders zijn geworden.

George R.R. Martin