Buiten de trein wiegde de nacht als een zee. In de verte rezen lichtjes op en zeilden weg, kwamen golven aarde woest omhoog en braken. De trein slingerde als een gek. In het gangpad vlogen mensen tegen elkaar aan; grepen elkaar vast, als steuntje. Het lawaai dat ze maakten, was oorverdovend. Maar Ted was bij de deur en wrong die open. 'O nee, geen sprake van,' zei een stem. Hij werd wakker. Was hij eindelijk thuis, en in bed? Maar de vele, verwarde geluiden hadden zijn oren al bereikt; het scherpe geklik van de rijdende trein op de rails, het aanzwellen en afnemen van allerlei stemmen door elkaar heen. Hij was nog altijd in de trein.
Hij deed zijn ogen open om op zijn horloge te kijken. Mijn god, terwijl hij sliep leek de tijd op hem te hebben gewacht. Aan de andere kant van het gangpad zat een man die niet met praten kon ophouden. 'Ze zijn niet meer wat ze vroeger waren,' zei hij. 'Niets is dat tegenwoordig nog.' Had hij dat al niet een keer eerder gezegd? Nee, zei Ted tegen zichzelf, geen dé- ja-vu effect, dank je wel. Er was dit trimester al zoveel over de tijd gefilosofeerd dat hij daar voor de rest van zijn leven genoeg aan had.
De trein was nog niet eens de stad uit. Misschien was hij stil blijven staan terwijl Ted sliep. Hij ging iets anders zitten om naar buiten te kunnen kijken, en probeerde dat stiekem te doen. Als hij zich ook maar even bewoog, kwam de dikke vrouw naast hem dichter bij hem zitten. Op de ruit glinsterden verse regendruppeltjes. Onder de straatlantarens dreven strepen oranje licht over de spiegelende straten, aangetrokken door de bewegende trein. Aan het einde van een straat passeerde een andere trein.
Nee, dat kon niet. Wat was het dan wel? Even had hij bewegende beelden gezien, als een onverlichte filmstrip die snel werd afgerold. Een onverlichte bus, wellicht. Iemand stond op zijn tenen.
Jezus, het was dat jammerende kind. Hij was opgestaan om nog een speeltje uit de koffer te pakken. 'Let op de tenen van die meneer!' schreeuwde zijn moeder. 'Nu ga je zitten en houd je mond dicht, anders krijg je een lel.' 'Au! Ik wil nog iets pakken!' jammerde het kind. 'Ik wil spelen!' Ted hoopte dat ze die act niet de hele reis zouden blijven opvoeren. Hoeveel langer nog? Hij schoof zijn manchet terug om op zijn horloge te kijken. Dat was stil blijven staan. Dat was geweldig! Gewoon fantastisch. Nu kon hij niet vaststellen hoe lang hij nog moest lijden, want hij was via deze route nog nooit eerder naar huis gegaan. Het enige dat er nu nog aan ontbrak, was dat de trein stil bleef staan. Bij de spoorwegen was alles mogelijk en deze trein zou zo vol niet zijn geweest als er elders niet iets mis was gegaan. Over de luidsprekers was mompelend een verklaring gekomen. Hoe lang zou hij deze menigte moeten verdragen?
Het kind speelde met een dingetje en keek knorrig, maakte aanstalten om weer te gaan jammeren. De moeder negeerde hem opvallend en las een liefdesverhaal. De dikke vrouw ging weer iets anders zitten; de papieren zakken op haar schoot kraakten en ritselden. De geluiden waren dichtbij, afgevlakt - een eeuwig hoesten, de ziekelijke praatzucht aan de overkant van het gangpad, de luide conversaties van vele anderen, die zich tot een kakofonie vermengden met de geluiden van de snel rijdende trein. Mensen die probeerden door het gangpad te lopen, zwaaiden heen en weer, met uitdrukkingsloze gezichten, alsof ze van was waren. Rook bleef hangen in de junihitte, als een gevangene. Ted drukte zich dichter tegen het raam aan, in een poging een heel kleine afstand te scheppen tussen hem en de dikke vrouw. Nog meer zou hij niet veel langer kunnen verdragen.
Hij moest oververmoeid zijn. Hij voelde zich gespannen, om de een of andere reden kwetsbaar. Het universitaire trimester was inspannend geweest. Toch hoefde hij niet neurotisch te worden. De reis zou niet eeuwig duren. Hij draaide zich om naar het raam en trok zich in zichzelf terug. Transpiratie veroorzaakte jeuk.
Het werd stil in de stad. In de verte stak een trein een vaag zichtbare straat over. Alweer? Hij leek door een vervallen steegje te zijn gegaan. Misschien had een huis aan het einde van de straat er uitgezien als een rijtuig. Of misschien was de trein waarin hij gevangen zat, op de een of andere manier weerspiegeld. De nacht siepelde de stad in; hij veegde de laatste muren weg en vulde de ramen van de trein.
Ze werden er spiegels door. Het weerspiegelde rijtuig sloot hem in. De dikke vrouw boog zich naar voren en haar schoot ritselde luid. Haar spiegelbeeld verscheen, vermenigvuldigd door het dubbele glas. Haar twee neuzen overlapten elkaar, haar vier lippen openden zich vochtig. Alle gezichten werden explosies van vlees. Het waren er veel te veel. Overal waar hij keek, hete en olieachtige, duidelijk afgetekende gelaatstrekken. Ook zijn eigen gezicht was geëxplodeerd. Hij moest zichzelf afleiden. Moeizaam trok hij Robbe-Grillet uit zijn zak. Het kind jammerde, de man praatte, praatte. De wielen op de rails tikten. Ted las dezelfde woorden telkens weer, maar ze kregen steeds minder betekenis. Hij merkte dat hij hoopte dat ze opeens waren veranderd. Somber staarde hij door het raam, waarover dikke regenaders liepen. Toen staarde hij aandachtiger. Ditmaal was er daarbuiten echt een trein. Hij was wellicht zo'n tweehonderd meter verderop, en racete nek aan nek voort met zijn eigen trein. Hij schommelde ietwat, vervormd door de waterige aderen. Hij deed zijn best duidelijker te zien. De trein had iets eigenaardigs. De vaag zichtbare ramen konden een gevolg zijn van de neerstromende regen. Maar waarom flikkerden ze, verschenen en verdwenen ze, als een gebrekkig geprojecteerde film? Natuurlijk! De trein reed door een bos.
Hij keek gefascineerd. Het beeld leek hem te hypnotiseren, hem naar zich toe te trekken. Hij was zich het verstikkende rijtuig niet langer bewust, evenmin als de vele geluiden. Het vage, rechthoekige dwaallichtje zwaaide met schokken heen en weer tussen de glanzende zuilen van bomen. Het bos werd minder dicht. Hij verheugde zich op het zien van de volledige trein, zoals een kind dat kan doen. De bomen verdwenen, maakten plaats voor een veld. Maar toen zag hij helemaal niets meer. Hij hield zijn adem in en draaide zijn hoofd om naar het snel verdwijnende bos te kunnen kijken, alsof de trein daar nog als een dier op de loer kon liggen. Hij zag echter alleen de lange rand van het bos, dat snel achterwaarts vluchtte. De kale velden spreidden zich rond hem uit, doornat en glinsterend. Hij wenste dat hij iemand kon vragen of die het ook had gezien. Maar toen hij geschrokken zijn adem had ingehouden, hadden de moeder en het kind hem alleen maar aangestaard. Weer voelde hij zich zenuwachtig en kwetsbaar, alsof zijn huid te strak was getrokken en dunner werd. Om hem heen hoestten ze, jammerden, schreeuwden, rebbelden voortdurend, tikten de wielen op de rails. Nu voelde hij zich niet alleen verstikt door de menigte, maar er ook van vervreemd. Had hij dat gevoel al niet eerder gehad? Voor de droom? Hij kon met niemand praten; hij zat gevangen in zijn eigen geest. De menigte was een grote, warrige eenheid, die hem insloot met lichamen en lawaai.
Hij had trek in een sandwich. Hij wilde naar het toilet. In feite wilde hij domweg op de een of andere manier bewijzen dat hij niet hulpeloos was; hij wilde zelfs even uit het raam leunen. 'Wilt u mijn plaatsje even vrijhouden?' vroeg hij aan de dikke vrouw, maar zij sliep, met open mond. 'Wilt u mijn plaatsje even vrijhouden?' vroeg hij aan de moeder, maar die mompelde slechts vaag iets, schouderophalend. Het kind staarde hem aan. Toen Ted toch opstond, keek de dichtstbijzijnde, staande passagier vragend naar zijn plaats. Hij ging weer zitten, in zichzelf mompelend.
De dikke vrouw snurkte, diep in haar keel, alsof ze ritmisch aan het stikken was; ze rolde tegen hem aan. God! Hij duwde haar weg, maar ze rolde nog dichter tegen hem aan. Hij plantte een schouder tegen haar aan en zette zijn voeten schrap. De moeder en het kind staarden hem aan. Hij keek naar buiten, om hen te negeren.
Het begon minder hard te regenen. Naast de trein ging de grond abrupt omhoog; een aarden wal glinsterde door vochtig gras en natte bloemen. De spiegelbeelden kwamen daardoor dichter bij hem; de met vlees bedekte gezichten werden tastbaarder. Hij moest nu toch beslist dicht bij huis zijn. De aarden wal werd weer lager; de wind haalde de regendruppels van de ruit weg. Het terrein werd weer vlak, er kwamen velden, en een trein reed even snel als de zijne.
Het was niet dezelfde trein als die tussen de bomen. Hij was vaag verlicht, maar waarom ook niet? Natuurlijk, dacht hij blij, hij werd op een zijspoor gerangeerd, 's Avonds werd er ongetwijfeld met veel treinen gerangeerd. Dat was de reden waarom die andere trein was verdwenen. Maar deze trein was dichterbij, nauwelijks honderd meter verderop, en hij was niet leeg. Vage gezichten zaten in de vaag verlichte rijtuigen, licht heen en weer wiegend.
Misschien was het een weerspiegeling, op regen of mist. Op kale velden? Hij begon te zweten, waardoor zijn huid onaangenaam aanvoelde; hij raakte vaag in paniek. Het kon geen weerspiegeling zijn, want de zitplaats tegenover hem in de andere trein was niet bezet. Er was iets mis met de gezichten. Voor hem kwam de grond weer omhoog, een weg naar een brug dragend. Hij hoorde zijn eigen trein een korte tunnel inrijden. Maar er was geen brug voor de andere trein, die reed regelrecht af op...
De brug passeerde boven zijn hoofd, schreeuwend; toen zeilden er weer velden langs. Ze waren verlaten. Er was geen tweede trein.
O god, hij was aan het hallucineren. Hij had vroeger weinig drugs gebruikt, zeker niet voldoende om een flash-back te kunnen veroorzaken. Werd hij geconfronteerd met een zenuwinzinking? Even wist hij niet zeker in welke trein hij zat. Het zweet deed hem verstijven, het lawaai in het rijtuig sloot hem in, donderend, ontastbaar.
Ach, kom nou! Je hoeft niet gek te zijn om te hallucineren. Hij was al eerder tot de conclusie gekomen dat hij oververmoeid was. Zorgde vermoeidheid soms niet voor dromen als je wakker was? In ieder geval hoefde de trein geen hallucinatie te zijn geweest. Hij moest via een bocht een andere kant zijn opgereden en de brug had hem belet te zien waarheen. Die verklaring bracht hem weer iets tot rust, maar diep in zijn binnenste bleef hij zich onrustig voelen. Een gedachte lag op de loer, iets wat eerder was gebeurd, wat hij was vergeten. Het deed er niet toe. Hij moest het einde van de reis naderen. De menigte bewoog zich rusteloos, wiegend; stemmen klonken door elkaar heen. Rookwolkjes zakten omlaag, door de zware hitte heen; de hoester bleef stug hoesten. Het kind sloeg met zijn voeten op de grond onder zijn zitplaats, de moeder staarde nietsziend voor zich uit, de prater rebbelde verder. Spoedig zou hij nu thuis zijn, spoedig.
Buiten kwam de grond weer omhoog. De gezichten staarden terug vanaf het raam, met elkaar overlappende ogen. Het is in orde, er is niets aan de hand. Maar Ted raakte steeds meer in paniek toen de omgeving door de aarden wal niet meer was te zien. De wal schoot voorbij. Hij wachtte tot die weer zou verdwijnen, zodat hij kon zien wat erachter was. Er was niets, niets wat op de loer lag; waarom zou dat er moeten zijn? De wal werd lager. De wind trok de laatste streepjes regendruppels van de ruit. De aarden wal verdween snel in de verte, in het donker. Opeens werd de plaats ervan ingenomen door de trein. Hij was veel dichterbij, nog geen vijftig meter weg. En hij leek verontrustend veel op de laatste trein. Hoewel de vaag verlichte rijtuigen vol waren en het gangpad vol mensen stond, was de plaats tegenover Ted onbezet.
Paniek doortrok zijn lichaam, dat onstabiel aanvoelde. Die trein had iets heel eigenaardigs. De gezichten van de passagiers waren weliswaar slechts vaag zichtbaar, maar ze zagen er nog eigenaardiger uit dan de geëxplodeerde weerspiegelingen van de gezichten in zijn eigen trein. Sommige waren heel bleek, andere leken grote, felle vlekken te hebben. De vormen ervan waren helemaal verkeerd.
Hij raakte nu totaal in paniek. Hij wist nauwelijks meer waar hij was. Hij zwaaide heen en weer, hulpeloos voortgedragen over tikkende rails; hij zat in een van de treinen. Hij zag gezichten, exploderend vlees achter glas; het zouden weerspiegelingen kunnen zijn, of...
De dikke vrouw viel nog dichter tegen hem aan, waardoor hij even bij zijn positieven kwam. Hij was gevangen in het hete, verstikkende rijtuig. Een trein, vaag en flikkerend, alsof hij vol kaarsvlammetjes was gezet, hield gelijke tred met hem. Alle vage, misvormde gezichten staarden hem vanachter de ramen aan.
Hij deed zijn uiterste best om te gaan staan. Hij moest weg. Waarheen? Als hij een conducteur vond, misschien... Hij moest weg van het raam, van de starende vaagheden. Hij vocht om de dikke vrouw van zich af te duwen; ze hield hem op zijn plaats gedrukt. Zweet kleefde aan hem, als kleding. Hij vocht nog altijd om zich te bevrijden toen hij zag dat de twee treinen steeds dichter bij elkaar kwamen. Ze zouden in botsing komen. 'Nu duurt het niet lang meer,' zei de praatzieke man. 'We zijn er bijna.'
Dat had hij al eerder gezegd, net voordat Ted in slaap was gevallen. Alles was mis; er was geen werkelijkheid om de nachtmerrie op een afstand te houden. 'Christus!' gilde Ted. Een paar mensen staarden hem aan, iemand lachte; hun ogen waren dood geworden.
Hij wrikte zich vrij. De dikke vrouw viel richting raam, hevig snurkend. Hij wankelde het pad door, werd door het zwaaiende rijtuig tegen zitplaatsen en mensen aangesmeten. Angstig keek hij naar het raam en zijn geest raakte verdoofd. Misschien was die al helemaal verdoofd, want hij meende dat de grond was verdwenen en de andere trein met grote vaart steeds dichterbij kwam.
Met zijn schouders baande hij zich woest een weg tussen de menigte door. Mensen mompelden gebelgd. Traag gingen ze opzij; sommigen bleven staan, hem aanstarend. Hij werd gehinderd door een netwerk van heet, vochtig vlees, dat het pad blokkeerde, hem het verder gaan herhaalde malen vrijwel onmogelijk maakte. Klauwend baande hij zich verder een weg. Achter hem werd het gemompel sterker, gebelgd, woedend. Een hand wilde hem vastpakken, maar hij had het uiteinde van het rijtuig bereikt.
Buiten de deur wiebelde een vaag, verwrongen gezicht zijn kant op, starend. Hij wierp zich tegen de andere deur aan om zich schrap te kunnen zetten tegen het gewiebel van het rijtuig. Hij moest met een fikse sprong wegkomen. Iedere verwonding was beter dan die vage, toenemende angst. Hij rukte aan de hendel van de deur.
'O nee, geen sprake van,' zei een stem en de treinen kwamen met elkaar in botsing.
Er was geen geluid en meteen ook geen licht meer. De treinen leken niet zozeer te botsen als wel in elkaar op te gaan. In het volkomen duister zag Ted voor zijn geestesoog een duidelijk beeld: een verongelukte trein die naast de rails lag, hij zelf wegkruipend door een open deur. Het beeld werd meteen weer vager. Hij trachtte het vast te houden, maar hij werd weggedragen, de duisternis in. Uiteindelijk bleek hij niet de enige overlevende te zijn. Ze waren teruggekomen om hem met hen mee te nemen, ze namen hem zijn ontsnapping kwalijk. Het beeld vluchtte, was een lichtpuntje, doofde.
Hij leunde achterover in zijn stoel en voelde het rijtuig wiegen, in een volslagen stilte. Hij hield zijn ogen dicht zolang hij kon. Toen hij ze uiteindelijk opendeed, probeerde hij te gillen; maar toen hij meer zag, probeerde hij volkomen rustig te blijven, stil, onzichtbaar. Misschien dat alles dan zou verdwijnen. Maar de dikke vrouw viel tegen hem aan. Zonder te kijken wist hij dat ze een deel van haar gezicht was kwijtgeraakt. De gangpaden waren nog vol, voorwerpen wiegden er heen en weer. Buiten de ramen was niets anders dan de duisternis. De mond van de vrouw tegenover hem hing veel te ver open. Maar ondanks hun uiterlijk bewogen zijn metgezellen zich, hoewel langzaam, als een klok die bijna opnieuw moet worden opgewonden, in het vage, onstabiele licht. Het lichaam van het kind bewoog zich spastisch en in het voorwerp dat op zijn hals wiebelde, begon een mond te jammeren.