2
'Wat moeten we doen?' vroeg Julia voor de honderdste keer. De man in de hoek zei niets en de blik op zijn geruïneerde gezicht viel niet te interpreteren. 'Wat wilde je trouwens van haar?' zei ze. 'Nu heb je alles verpest.' 'Verpest?' zei het monster. 'Je weet niet eens wat dat woord betekent.'
Ze slikte haar woede in. Zijn getob maakte haar moedeloos.
'Frank, we moeten weg,' zei ze, zachter.
Hij keek haar aan, als witheet ijs.
'Ze zullen je komen zoeken. Ze zal alles vertellen.'
'Misschien...' reageerde hij.
'Kan je dat dan niets schelen?' wilde ze weten.
De verbonden klomp haalde zijn schouders op. 'Natuurlijk
wel, maar we kunnen niet weggaan, lieveling.' Lieveling. Dat woord leek met hen beiden te spotten, een positief gevoel in een kamer die alleen pijn had gekend. 'Ik kan de wereld zo niet onder ogen komen.' Hij wees op zijn gezicht. 'Of wel?' vroeg hij en staarde haar aan. 'Kijk me aan!' Ze keek. 'Kan ik dat?' 'Nee.'
'Nee.' Hij keek weer naar de grond. 'Ik heb een huid nodig,
Julia.'
'Een huid?'
'Ja. Dan kunnen we misschien... samen gaan dansen. Dat wil je toch?'
Hij sprak met een zelfde nonchalance over dansen als over de dood, alsof het ene even weinig te betekenen had als het andere. Toen ze hem zo hoorde praten, werd ze rustiger. 'Hoe?' vroeg ze uiteindelijk. Ze bedoelde hoe ze een huid kon stelen, maar ook hoe ze hun gezonde verstand nog zouden kunnen bewaren, en voor hoelang.
'Er zijn manieren,' zei het gevilde gezicht en wierp haar een kusje toe.