twee
1
'Het is niet helemaal wat ik had verwacht,' zei Julia toen ze in de hal stonden. Het was al schemerig geworden; een koude dag in augustus. Niet het ideale moment om een huis te bekijken dat al zo lang leeg stond.
'Het moet worden opgeknapt,' zei Rory, 'meer niet. Sinds mijn grootmoeder is overleden, is er niets meer aan gedaan. Dat is nu bijna drie jaar geleden. En ik ben er vrij zeker van dat zij tegen het einde van haar leven niets meer heeft laten opknappen.'
En het is van jou?'
'Van mij en van Frank. Ze heeft het aan ons beiden nagelaten. Maar wanneer heeft iemand mijn grote broer voor het laatst
gezien?'
Ze haalde haar schouders op, alsof ze zich dat niet meer kon herinneren, terwijl ze het zich juist nog heel goed herinnerde. Een week voor het huwelijk.
'Iemand heeft me verteld dat hij hier de afgelopen zomer een paar dagen heeft doorgebracht. Zal wel heel wat hebben afgenaaid. Daarna is hij weer weggegaan. Hij heeft geen belangstelling voor bezittingen.'
'Maar stel dat wij dit huis betrekken en hij komt terug, wat is dan van hem?'
'Dan zal ik hem uitkopen. Ik vraag een lening aan bij de bank en koop hem uit. Hij zit altijd om contant geld verlegen.' Ze knikte, maar leek niet geheel overtuigd te zijn. 'Maak je geen zorgen,' zei hij, terwijl hij op haar af liep en zijn armen om haar heen sloeg. 'Dit huis is van ons, schattebout. We kunnen het schilderen en vertroetelen en er een hemel op aarde van maken.'
Hij keek aandachtig naar haar gezicht. Soms, vooral wanneer
ze twijfelde, zoals nu, ervoer hij haar schoonheid bijna als
angstaanjagend.
'Vertrouw me maar,' zei hij.
'Dat doe ik ook.'
'In orde. Zullen we zondag dan beginnen met verhuizen?'