Het appartement van een andere man, en Emily had het vreemde gevoel dat ze verdwaald was, dat ze hier niet thuishoorde, dat ze hier niet heen had moeten gaan. Het was een groot atelier met weinig meubilair, een lange bank, een ongelakt bureau onder het schuine raam, een schrijfmachine, papieren, boekenplanken langs de muren. De muur tegenover het raam was bedekt met de ingelijste foto's van een vrouw - een mooie vrouw met een vriendelijk en intelligent gezicht en donkere ogen, een hoog voorhoofd dat omlijst werd door blond haar - en ze wist zonder dat ze het aan James Hamilton hoefde te vragen dat dit Deirdre was, de Deirdre aan wie hij een bundel had opgedragen. Hamilton was de kleine keuken ingegaan en kwam nu terug met een fles gekoelde wijn en twee glazen.

'Aha, het altaar,' zei hij. 'Waarschijnlijk vind je het een ziekelijke obsessie, of niet?'

'Ziekelijk? Waarom? Ze is erg mooi.'

'Ja.' Hamilton schonk de wijn in en overhandigde haar een glas.

'Dat is Deirdre,' zei Emily.

'Dat klopt.' Hij nam een slok van zijn wijn en trok een vies gezicht.

'Je hebt je gedichten aan haar opgedragen.'

Hamilton zweeg even. Hij staarde afwezig in zijn wijn. 'Je hebt een goed geheugen, Emily.'

'Waar is ze nu?'

'Ze is dood.'

Dood? Emily draaide de foto's de rug toe en keek Hamilton aan. 'Het spijt me. Ik bedoel...'

'Ze stierf vlak nadat die bundel uitkwam. Aan bloedkanker.'

Emily proefde van haar wijn. Haar hand beefde. Bloedkanker. Ze kon de vitale jonge vrouw van de foto's met geen enkele ziekte in verband brengen.

'Waren jullie getrouwd?'

Hamilton schudde zijn hoofd. 'Zo ver waren we nog niet. Soms denk ik dat ik de foto's moet weghalen en ze moet vernietigen. Waar zijn ze verdomme goed voor?'

Emily haalde haar schouders op: wat moest ze hierop antwoorden? Ze nam nog een slok wijn en voelde hoe het in haar begon te gloeien.

'Misschien is het wel ziekelijk om haar zo te kijk te hangen. Als een soort mummie of zoiets,' zei hij. 'Maar soms, als je 's morgens opstaat en het buiten rotweer blijkt te zijn, zodat het erop lijkt dat de zon nooit meer zal gaan schijnen - nou, dan lijken die foto's licht uit te stralen. Je bent zeker verbaasd dat ik zo sentimenteel kan zijn?'

'Ik vond sommige van je gedichten sentimenteel,' zei Emily. 'Dus het verbaast me niet echt.'

'Proost,' zei Hamilton, en hij tikte even met zijn glas tegen het hare, een gebaar waarin ze een onhandige poging tot intimiteit zag, alsof het klinken een kus moest vervangen. Ze liep bij hem vandaan in de richting van het schuine raam en keek naar de enorme papierrommel op zijn bureau.

'Mislukte gedichten,' zei hij.

'Waarom zijn ze mislukt?'

'Ik weet wel hoe ik ze moet beginnen, maar ik kan er geen eind aan breien,' zei hij. Hij was achter haar aangelopen en stond nu naast haar. Hij zette zijn wijnglas neer op een gevlekt vel papier waar op getypt stond: 'de deuren in de straat'. Verder niets.

'Misschien verspil je al je creativiteit met lesgeven,' zei ze. Ze wist meteen dat dat nergens op sloeg, dat ze dat niet had moeten zeggen.

Hamilton lachte en legde zijn hand zachtjes tegen haar nek. 'Creativiteit, kom nou! Arme Emily. Je begrijpt er niet veel van, hè?'

'Verwacht je dat dan van mij?'

Hij schudde zijn hoofd. 'Niet echt. Misschien heb je om te dichten toverkracht nodig. Misschien moet je kunnen toveren maar gaat het na een poosje niet meer omdat je je toverstaf bent kwijtgeraakt. Ach, dat is waarschijnlijk ook onzin.'

Ze vroeg zich af waarom hij zo verbitterd klonk, en hoe diep die bitterheid zich bij hem had ingevreten. Ze nam nog een slokje wijn en wierp een blik op haar horloge. (Ted, dacht ze. Waar is Ted nu? Wat is hij nu aan het doen?) Ze dronk haar glas leeg en Hamilton pakte het meteen op om het weer bij te vullen.

'Nog eentje om het af te leren,' zei hij. Hij haalde zijn hand van haar nek weg, pakte de fles en schonk in. Ze voelde, zich al een beetje aangeschoten en lichtelijk verhit, en ze merkte dat ze niet meer helder kon denken. Ik moet oppassen, dacht ze. Dit zijn de eerste signalen. Ze keek hoe hij haar glas weer volschonk, deze keer tot aan de rand - en toen boog hij zich plotseling naar haar toe en kuste haar op haar mond. Ze voelde zijn adem over haar gezicht strijken. En wat ze het ergste voelde was de onbekendheid. De mond van een andere man, de smaak van een andere man, alsof de verhoudingen verkeerd waren, alsof het geen zaak van moraal maar van vormen was. Niet Teds mond, maar de mond

van iemand anders. Meteen nadat hij haar gekust had trok hij zijn gezicht terug.

'Moet ik mijn excuses aanbieden?' zei hij.

Ze voelde nattigheid op haar bloes; gemorste wijn.

'Ik zal je de rekening van de stomerij sturen ...'

'Ik heb mijn belofte gebroken,' zei hij. 'Daar wil ik mijn verontschuldigingen voor aanbieden.'

Verward leunde ze tegen de rand van het bureau en keek hem aan. 'Dit heeft geen zin,' zei ze. 'Begrijp je wat ik bedoel? Dit doet ons geen van beiden goed. Jou niet en mij niet. Dit leidt nergens toe.'

'Ik vraag je niet om aanwijzingen, Emily,' zei hij. 'Je hoeft me niet te vertellen wat wel en wat niet goed voor me is. Ik was niet van plan om je onder wat dan zo mooi "valse voorwendsels" heet, mee te nemen, begrijp je.'

'Ja,' zei ze en ze dacht: de eenzaamheid moet wel erg diep zitten. Hij wordt erdoor verslonden. De foto's van een dode vrouw, een dode liefde. Het was een ziekte, een hartverscheurende ziekte. En ineens wilde ze dat ze in staat was om hem te troosten, dat ze haar handen uit kon strekken om hem aan te raken. Maar zo ben ik niet, dacht ze. Dan zou ik op moeten houden met Emily Allbright te zijn en iemand anders moeten worden, iemand die dat wél aandurft.

Ze zette haar glas neer en keek hem aan.

'Je gaat weg,' zei hij.

'Ik moet wel.'

'Je hebt je wijn nog niet op.'

De kinderen, dacht ze. De kinderen.

'Drink eerst je wijn op,' zei hij.

Ze pakte haar glas op maar dronk er niet uit. Hij keek intens verdrietig en ze dacht: oh, nee, Jezus, nee, daar val ik niet voor. Niet voor die blik van een verdrietige kleine jongen. Echt niet.

'Je kunt altijd nog naar huis opbellen,' zei hij. 'Zeg tegen je oppas dat je wat later komt.'

'Dat doe ik niet,' zei ze. 'Dat doe ik niet omdat het geen zin heeft. Begrijp je wat ik bedoel?'

'Ik begrijp het, maar ik vind het niet leuk.'

Ze staarde in haar glas wijn, dronk er nog een slokje uit en zette het toen op het bureau terug. Ze stak haar handen in de achterzakken van haar spijkerbroek en bleef hem aankijken, alsof ze wachtte op een argument waar ze geen weerwoord op had. Maar hij keek zwijgend en met een lichte glimlach terug. Ze sloeg haar ogen neer. Ze voelde iets in haar rechter achterzak. Een stukje papier. Een gekreukt stukje papier. Een verfrommeld stukje papier waarvan ze zich niet kon herinneren dat ze het in haar zak had gestopt. Ze haalde het tevoorschijn, streek het glad en keek ernaar.

Hamilton zei: 'Wat is dat? Staan daar al je afspraken op?'

Verbaasd staarde ze naar het papier.

Het was het adres van een antiquair in Pastorville. En toen herinnerde ze het zich. Susan. Het was het adres dat Susan haar gegeven had.

Maar dat was niet alles.

Er moest nog iets anders zijn, iets uit het verleden, iets dat ze zich vaag herinnerde en dat haar koud deed worden van angst. Denk na. Denk diep na. Probeer erop te komen.

Verdomme, denk toch na.

'Wat is er aan de hand?' zei Hamilton.

Ze keek hem aan en was vergeten waarom ze hier was, waarvoor ze gekomen was. Haar omgeving zei haar niets meer.

'Wat is er aan de hand,' vroeg hij weer.

Ze schudde haar hoofd langzaam heen en weer.