Adrienne zei erg weinig op de terugweg. Emily kreeg het gevoel dat ze naast iemand zat die ineens, zonder aanwijsbare redenen, helemaal veranderd was. Misschien heb ik haar wel beledigd, dacht ze, misschien komt het daardoor. Misschien had ze zich voorgesteld dat we samen de stad in zouden gaan om achter de mannen aan te zitten. Ze genoot van de rust en vond het eigenlijk wel prettig dat Adrienne haar mond hield. Pas toen ze op de snelweg die om West Pastorville heenliep reden, zei Adrienne iets, en dat was alleen maar een onbelangrijke opmerking over de gaten die in het wegdek zaten. Op Larue Drive stopte ze voor Emily's huis terwijl ze de motor liet lopen.
'Ik hoop dat je het leuk vond om er eens uit te zijn,' zei Adrienne.
'Verandering van spijs doet eten,' zei Emily en ze keek naar de gevel van haar huis. Ze glimlachte. 'Bedankt voor de uitnodiging.'
'De volgende keer ben jij aan de beurt,' zei Adrienne.
'Daar kun je op rekenen.' Emily deed het portier open en stapte uit.
Ze keek Adrienne na die koninklijk wuifde en toen was de blauwe Oldsmobile uit de straat verdwenen. Op het gazon bleef ze even staan. Het was stil en leeg in de straat. Als je je ogen tot spleetjes maakte om zo je blik te vervormen kon je je gemakkelijk voorstellen dat je in het een of andere maanlandschap stond en naar de overblijfselen van een uitgestorven beschaving keek. Toen reed er een glimmend bruine bestelwagen langs die de rust verstoorde. Toen hij voorbij was voelde ze de leegte in de straat bijna als iets tastbaars, alsof het een wezen was dat zich in de roerloze bomen had genesteld. Ze draaide zich om en haalde de sleutels uit haar broekzak.
Ze wist niet waarom ze even in de richting van de stationcar op het garagepad keek. Maar ze deed het - en ze zag het meteen, een parkeerbon onder de ruitenwissers. Ze dacht: wanneer heb ik een bon gekregen? Gisteravond? Maar dan had ze het moeten opmerken toen ze naar huis reed. Bovendien had ze de auto op het parkeerterrein van het college gezet en was ze nergens anders gestopt. Ze liep naar de auto toe en haalde het stukje papier achter de ruitenwisser vandaan. Ze zag onmiddellijk dat het geen bon was, maar een stuk papier met blauwe lijntjes, dat ruw uit een schrift of een dagboek of iets dergelijks was gescheurd en een paar keer was opgevouwen. Ze streek het glad op de motorkap en zag dat er in een slordig handschrift met tekenkrijt of een wenkbrauwenpotlood iets op geschreven was, vlekkerig en nauwelijks leesbaar, alsof het in haastige woede was neergekalkt...
Ze las het door, toen las ze het nog eens en daarna voor de derde keer. Wie kon zoiets geschreven hebben, zoiets onzinnigs? En even dacht ze dat Carole het gedaan had, gisteravond nadat ze weg was gegaan, maar dat idee verwierp ze meteen. Dat sloeg nergens op. Of Adrienne, voor ze die ochtend had aangebeld, maar dat leek haar ook onwaarschijnlijk. Een kind, misschien. Een vriendinnetje van Charlotte. Maar hoewel het een slordige krabbel was, zag het er niet uit alsof het door een tienjarige was geschreven. Het leek haar het handschrift van een volwassene.
Ze las het nogmaals.
'Je denkt nu wel dat je alles hebt, maar niets is blijvend.'
Ze vouwde het op en scheurde het aan stukken, die ze uit haar handen liet vallen ... Je denkt nu wel dat je alles hebt... Wat moest dat in vredesnaam betekenen? ... Niets is blijvend ... Dat is waar, dacht ze. Niets is blijvend. Een waarheid als een koe. Ze keek naar de snippers bij haar voeten en schopte er tegenaan. Toen dacht ze dat ze wist van wie het afkomstig was. Het was natuurlijk een boodschap van een van die godsdienstfanatici die de buurt steeds weer onveilig maakten. Ze herinnerde zich nu dat er ongeveer een maand geleden een uitgeteerde vrouw aan de deur was geweest die haar had verteld dat ze Gods genade kon verkrijgen als ze een streng dieet ging volgen dat bestond uit louter fruit. Die was behoorlijk gek geweest, dacht Emily, met een verwilderde blik in de ogen en een uitgemergeld gezicht waarvan de huid bijna doorzichtig leek. Ze noemde zich zelf Fructariaan of zoiets. Ze had de verdiensten van mango's en bananen breed uitgesponnen en uitgelegd hoe je in vruchtvlees God kon vinden. Een gek. Maar er liepen altijd dat soort gekken in de wijk rond, die zieltjes probeerden te winnen en die pas als je er niet op inging met de keerzijde op de proppen kwamen, die voornamelijk uit hel en verdoemenis bestond. Ze keek naar de snippers en dacht: goed, het is een boodschap van een onheilsprofeet die lid is van een sekte die te arm is om zich een drukker te kunnen veroorloven. Meer is het niet. Het is achter mijn ruitenwisser gestopt om me eraan te herinneren dat ik niet tevreden en zelfvoldaan moet zijn, en niet moet denken dat ik onsterfelijk bén.
Alles is broos, alles is vergankelijk. Op een dag ga je dood. Niets is blijvend.
Alles verandert, enzovoorts.
Ze merkte dat ze het toch prettiger had gevonden als er een meer optimistische boodschap achter haar ruitenwisser achtergelaten was, iets wat vrolijker was dan dit. Maar het waren zonder uitzondering ongelukkige types die bezig waren met de mensen op een verkeerde manier angst in te boezemen. Verdomme, dacht ze. Ze vond het geen leuk idee dat iemand hier in haar afwezigheid had rondgeslopen en een briefje had achtergelaten - wat daar dan ook instond. Hoe je het ook bekeek, het was toch een kleine inbreuk op je privéleven.
Ze schopte nog eens tegen de snippers aan, haalde haar schouders op en liep naar de voordeur, waar ze de sleutel in het slot stak. Ineens werd de deur van binnenuit opengetrokken. Ted stond glimlachend in de deuropening.
'Ik kreeg bijna een hartaanval,' zei ze. Ze sloeg haar armen om zijn middel en kuste hem licht op zijn mond. Hij duwde met zijn voet de deur dicht.
'Ik heb opgebeld van het station ...'
'En ik was er niet.'
'En jij was er niet, dat klopt.'
'En je vroeg je af waar ik uithing...'
Ted maakte haar haar in de war, een gebaar dat haar deed denken aan een vader die zijn kind een mild standje geeft. 'Dat vroeg ik me af, ja,' zei hij.
'Ik was bij een groep vrouwen die zich vol zaten te proppen met gebak.'
'Gebak?'
'Je had het moeten zien. Een orgie, gewoonweg.'
Hij liep al bij haar vandaan, de keuken in. Ze liep achter hem aan; hij was bezig zijn pijp te stoppen. We zijn weer veilig, dacht ze. Onze heer en meester is terug, en op het kasteel is het weer veilig.
Hij trok aan zijn pijp om de tabak goed te laten branden. Hij deed het zo langzaam en bedaard dat ze dacht: hij komt thuis, steekt zijn pijp op en doet alsof hij nooit is weggeweest, geen omhelzing omdat hij weer thuis is, het komt niet in hem op dat de kinderen naar school zijn en dat het huis leeg is zodat niemand ons kan storen als we naar boven gaan. Totaal niet. Hij rookt zijn pijp. En toen dacht ze: Nee, ik laat me beïnvloeden door Adrienne, daar komt het door. Ik laat Adriennes woorden tot me doordringen: ... ik weet dat je huwelijk in hetzelfde stadium verkeert als het mijne, liefje. Een sleur...
'Hoe wasje reis?' vroeg ze.
'Zoals gewoonlijk,' zei hij. Hij draaide het deksel op het tabaksblikje. 'Ik heb vanaf het station een taxi genomen. Van wie was die grote Olds?'
'Van een van de heksen,' zei ze.
'Een nieuwe boezemvriendin?'
Boezemvriendin. Wat bedoelde hij daar nu mee? 'Een kennis,' zei ze. Ze liep naar de tafel toe, ging achter hem staan en legde haar handen op zijn schouders. Hij bewoog zich niet.
'Heb je al gedichten geschreven?' vroeg hij.
'Ik heb het nog niet geprobeerd.'
'Hoe was de cursus?'
'Dat ging best. Ik denk dat het nog beter wordt als iedereen zich wat meer op zijn gemak gaat voelen.' We praten over koetjes en kalfjes, dacht ze. Gebabbel. Onbelangrijke dingen.
'Ga je de volgende keer weer?'
'Natuurlijk!'
Hij draaide zich om en raakte met zijn vingers even de rug van haar hand aan. 'En hoe beviel dat andere project?'
'Prima...'
'Je klinkt niet al te zeker.'
'Het is nog niet echt aan de gang,' zei ze.
Ted stond op en liep naar de deur om de achtertuin in te kijken. Natuurlijk, dacht ze, hij kijkt naar zijn rek. Wat had ik anders verwacht? Hij kijkt naar zijn plantenrek, alsof in zijn leven een verzameling latten belangrijker is dan zijn vrouw. Ze kreeg ineens het afschuwelijke gevoel dat er iets zó snel kleiner werd dat er niet meer dan een nietig puntje van overbleef - een puntje dat je angstvallig in het oog probeerde te houden, omdat het anders voor eeuwig verdween.
'Hoe was de oppas?'
'Uitstekend, Ted, geweldig gewoon,' antwoordde ze. 'Ik had verwacht dat ze met een masker op zou verschijnen, denk ik. Maar dat was niet zo. Ze was zo te zien normaal. Maar je weet natuurlijk nooit wat zich achter dat uiterlijk schuilhoudt...'
Ted keerde zich om en keek haar aan. 'Is er iets?'
Ze haalde haar schouders op. 'Nee, niets. Hoezo?'
'Dat dacht ik even.'
Ze liep naar de deur toe en ging naast hem staan. 'En hoe was het in Maine?'
'Verdomd koud.'
Ted, dacht ze. Alsjeblieft niet zo. Niet op deze manier. Deze lege, nietszeggende gesprekjes. We zeiden altijd dingen tegen elkaar. We raakten elkaar aan. Waarom kan het niet meer zo zijn als vroeger? Hij deed de achterdeur open en liep de tuin in. Ze liep achter hem aan. Hij slenterde naar het plantenrek en ze zag dat hij de latten met zijn vingertoppen aanraakte. Hij deed het zo liefdevol, dat ze het bijna obsceen vond.
'Het staat nog steeds overeind,' zei ze.
'Natuurlijk. Wat ik maak gaat jaren mee.'
'Een soort monument,' zei ze. Hij hoorde niet hoe scherp haar stem klonk, hoe snel haar ademhaling ging. Hij hoorde zelfs dat niet. Ze balde haar vuisten en vroeg zich ineens af waarom hij de moeite had genomen om terug te komen. Ze merkte dat ze liever had dat hij weer wegging, alsof zijn aanwezigheid plotseling een schaduw over haar bestaan wierp. Nee, dacht ze. Daar moet je tegen vechten. Probeer daar niet aan te denken. We zijn nog niet in dat stadium. We zitten nog niet in het slop. Maar waarom nam hij haar niet in zijn armen? Waarom raakte hij haar niet aan? Hij leek van ijs, ijs dat ze niet kon breken; misschien zou de rest van hun huwelijksleven zich voortslepen in een soort emotionele vrieskou, een bevroren toendra waarop niets wilde groeien. Houd van me, dacht ze. Zeg tegen me dat je van me houdt. Ik heb het nodig dat je dat zegt.
Het is geen vreemde. Het is Ted. Het is iemand die je kent. Hij is de man van wie je houdt. Ze viel hem om de hals en kuste hem op zijn mond.
Toen ze haar gezicht terugtrok zei ze: 'Ik heb je gemist. Ik heb je zo erg gemist.'
'Ik jou ook.'
'Laten we naar binnengaan. Laten we naar boven gaan. Ik wil met je neuken, Ted.'
Hij keek verschrikt en ze huiverde even toen ze besefte hoe weinig ze gepraat hadden in de laatste jaren van hun huwelijk; wat hadden ze weinig tegen elkaar gezegd op het niveau waarop een woord als 'neuken' iets teders in kon houden. En ze moest denken aan de tijd dat Ted erop gestaan had dat ze haar ogen opendeed en naar hem keek als ze met elkaar naar bed gingen, en dat hij altijd zei: 'Wat neuk ik graag met jou, wat neuk ik graag met jou ...'
Maar nu was het iets dat in het donker gebeurde, iets ritueels. Zijn ogen waren leeg en zonder uitdrukking, alsof hij niets begreep van wat ze zei. En ze dacht: de kinderen, zonder de kinderen heb ik niets. Alleen eenzaamheid. Doe er iets aan, Ted. Laat het weer beter worden. Laat het niet verwateren. Zet alle klokken terug.
Ze keek hem even aan, daarna draaide ze zich om en liep weer naar binnen. Ze deed de deur achter zich dicht, liep de woonkamer door en bleef onder aan de trap staan. Hij wil niet, dacht ze. Hij vindt me niet aantrekkelijk meer, hij wil mij niet meer. Ze liep naar boven, ging op het bed liggen en staarde naar het plafond. Ze dacht: dit gevoel van eenzaamheid, van onzekerheid - overkomt dat iedereen? Slaat het gewoon toe, als een ramp die er nou eenmaal bijhoort, als je een bepaalde leeftijd hebt bereikt of op een bepaald punt in je huwelijk bent aangeland? Ze sloot haar ogen. Ze verwachtte ieder moment het geluid van de hamer of van de elektrische zaag te horen. In plaats daarvan hoorde ze hem binnenkomen, toen zijn voetstappen op de trap. Ze hield haar handen omhoog en keek naar de strakke witte huid om haar knokkels. Het bloed was uit haar vingers weggetrokken. Ze keek naar de deur en zag Ted binnenkomen, zag hoe hij stilstond om naar haar te kijken. Daarna liep hij langzaam verder tot hij bij het bed was. Ze draaide haar gezicht naar het raam toe en staarde naar de roerloze takken van de eik. Toen voelde ze het matras doorzakken onder zijn gewicht en keek ze hem aan. Hij raakte haar middel aan. Hij raakte haar aan zoals hij het plantenrek had aangeraakt. Ze deed haar ogen stijf dicht. Het zegt hem niets, dacht ze. Kon ik maar huilen. Het zegt hem verdomme helemaal niets. Hij drukte zijn lippen op haar voorhoofd en de kus voelde koud aan. Ze wendde haar gezicht af.
'Wat is er aan de hand?' vroeg hij.
Hoe kón hij het vragen?
Ze keek hem aan en hij herhaalde zijn vraag en ze vond dat hij er dom uitzag, met een nietszeggend, uitdrukkingsloos gezicht.
'Ik weet niet wat er aan de hand is. Iets. Ik weet niet wat. Ik mis iets...'
'Mis je iets?' Hij keek verbaasd. Hij haalde zijn schouders op en staarde een poosje naar zijn handen. 'Wat dan? Wat mis je dan?'
'Jezus Christus ... Ik weet het niet meer. Jij komt thuis. Je kijkt nauwelijks naar me om. Je raakt me bijna niet aan. Je gaat naar buiten en geeft meer aandacht aan je plantenrek dan aan mij...'
'Hé,'zei Ted.
'Niks hé. Het is waar. Ik vertel de waarheid. Ik heb je gemist. Ik verlangde ernaar om je terug te zien. Ik keek er écht naar uit!'
Hij schudde langzaam zijn hoofd en zuchtte. Hij stond op en liep naar het raam waar hij met zijn handen in zijn zakken naar buiten ging staan kijken. Zonder haar aan te kijken zei hij: 'Misschien zijn we toe aan vakantie. Ik weet het ook niet.'
Dat is natuurlijk de kern van het probleem, dacht ze. Dat lost alles op. Tien dagen in een andere stad en alles is weer in orde. Een reisje langs de St. Lawrence om te zien hoe de natuur zijn metamorfose ondergaat op de Thousand Islands en alles komt weer goed. Vergeet het maar.
'Ik denk niet dat natuurschoon iets zal veranderen, Ted. Ik denk niet dat dat de problemen de wereld uit helpt.'
Hij draaide zich om, keek haar aan en fronste zijn voorhoofd. 'Weet je wat ik denk? Ik denk dat je te gespannen bent en dat je daarom zo reageert. Je bent de hele tijd aan huis gebonden. Je piekert te veel. Je hebt altijd al veel fantasie gehad, Emily ...'
'Hou toch op, Ted. Wat heeft mijn fantasie te maken met het feit dat je geen belangstelling voor me toont? Wat heeft die fantasie van mij verdomme te maken met het stomme feit dat je niet bepaald je best doet om mij te laten voelen dat je me een zeer begerenswaardig stuk vindt?' Ze kwam van het bed af en besefte heel goed dat ze bezig was een ordinaire ruzie te maken, alsof ze de hoofdrol in een afschuwelijk melodrama speelde. 'Misschien is het een sleur geworden, Ted. Misschien is dat het. Dat gebeurt toch bij de meeste getrouwde mensen, niet? Ze raken uitgekeken op steeds datzelfde lijf...'
Bot, dacht ze. Bot en zinloos. Wees redelijk. Probeer wat rationeler tegen het leven aan te kijken; reageer eens op een volwassen manier als je merkt dat je huwelijk de normale slijtage vertoont.
Probeer daar begrip voor te hebben.
'Ik heb nog nooit zoveel onzin gehoord,' zei Ted.
Ze ijsbeerde door de kamer en draaide zich bij de deur om zodat ze hem aan kon kijken. Ze had het gevoel dat ze nu niet meer terug kon; het was alsof ze in de verte het eerste scheuren van de aarde bij een aardbeving hoorde, het eerste breken van de korst. 'Dat is het niet, Ted. Zo eenvoudig ligt het niet. Probeer er vanuit mijn positie tegenaan te kijken. Probeer dat eens. Kun je dat? In de eerste plaats houd je niet meer van mij.'
'Emily...'
'Laat me uitpraten.' Ze zweeg even en voelde hoe ze beefde, alsof ze voor een gesloten deur stond waarachter een verschrikkelijk geheim verborgen lag; je hoefde alleen maar de sleutel om te draaien. Draai met een ijskoude hand de sleutel om. 'In de tweede plaats: je hebt iemand anders. Er is een andere vrouw in het spel. Je hebt ergens een andere vrouw.'
Ze ging weer op het bed zitten, met haar gevouwen handen stijf tussen haar knieën geklemd. Plotseling hoorde ze hem lachen. Dat ergerde haar, omdat ze het idee had dat er weinig te lachen viel. Ze draaide zich naar hem toe en keek naar hem, en ze zag hoe hij naast haar ging zitten, hoe hij zijn hand op haar pols legde en zijn vingers er omheen sloot. Hij lachte nog steeds.
'Emily, Emily, Emily. Je bent wel overstuur, zeg. Bovendien zit je er helemaal naast. In de eerste plaats houd ik van jou. Ik houd van jou zolang ik je ken. Ja?'
Ik luister, dacht ze. Ik luister. Laat me horen wat ik wil horen.
'In de tweede plaats is er niemand anders. Er is buiten jou geen ander. Ik vind het al erg genoeg dat ik het je moet zeggen. Wat haalde je je eigenlijk in je hoofd? Dat ik mijn vrouw en mijn kinderen zou riskeren voor iemand anders? Dacht je dat? Toe nou, Emily. Ik meen het.' Hij schraapte zijn keel. 'Misschien ... misschien verwaarloos ik jullie wel een beetje. Misschien ben ik te veel weg. Dat zal ik niet ontkennen. Maar je moet niet zeggen dat ik niet van je houd, of dat er een ander is, daar kan ik niet goed tegen... Wat ik wil zeggen is dat ik niets in de waagschaal zou willen stellen, Emily. Dat zou ik nooit doen.'
Ze deed haar ogen open en keek hem aan. Hij zei: 'Ik handel mijn lopende zaken af en neem een poosje vrij. Dan gaan we een paar dagen weg, dat zal ons goed doen. Alleen jij en ik. Denk je niet dat dat zal helpen?'
'Dat hoef je niet te vragen,' zei ze.
Hij zweeg nu. Hij boog zich voorover, kuste haar teder op haar haar en liet zijn hand over haar schouder naar haar heupen glijden. Ze sloot haar ogen omdat ze weg wilde dromen, alleen maar aan Ted en haar wilde denken. Ze voelde dat hij haar riem losmaakte en haar broek van haar heupen trok - hij deed alles langzaam en voorzichtig en zei steeds weer: 'Ik houd van jou, ik houd van jou, er is geen ander, er is geen ander...' En ze hoorde zichzelf zeggen: 'Ik weet het, ik weet het, Ted,' terwijl ze zijn hand tussen haar benen voelde en hem met haar eigen hand streelde. Haar rug kromde zich toen hij voorzichtig in haar binnendrong en daarna leek alles vanzelf te gaan; hun lichamen bewogen zich in een langzaam ritme en haar angsten verdwenen als sneeuw voor de zon, terwijl haar eigen hartstocht haar verbaasde. 'Ik geloof je, Ted, ik geloof je.' Harder nu, harder en sneller dan daarvoor en toen voelde ze zichzelf klaarkomen alsof het ergens heel diep uit haar vandaan kwam. Het hield niet op, golf na golf overspoelde haar en bij iedere golf bleef ze iets meer uitgeput achter. Ze klemde zich stevig aan hem vast, met haar benen om hem heengeslagen zodat ze elkaar onderaan zijn rug kruisten. Een enorme uitbarsting die steeds opnieuw leek op te vlammen, alsof er iets in haar brandde dat nooit meer uit zou gaan. 'Ted,' hoorde ze zichzelf zeggen. 'Ted, Ted, Ted.'
'Ik houd van jou.'
Ze hoorde hem zeggen: 'Ik houd ook van jou. Ik heb nooit van iemand anders gehouden.'
Nooit.
Badend van het zweet, zodat haar lichaam aan het zijne vastkleefde, opende ze haar ogen. Nooit. Nooit van iemand anders gehouden. Ze keek naar zijn gezicht, ze keek naar hem terwijl hij bovenop haar lag en toen deed ze haar ogen weer dicht. Ze kon niet verdragen wat ze zag, ze wilde zich afsluiten, terugtrekken, en net doen of ze niets gezien had.
Die blik.
Die blik in zijn ogen.
Maar ze wilde er niet aan denken, zelfs niet toen hij haar losliet en opstond en nog niet toen ze geluiden uit de badkamer hoorde, stromend water, het doortrekken van het toilet en Ted die zijn keel schraapte. Die blik in zijn ogen. Ik heb het me verbeeld, dacht ze. Ik heb iets gezien dat er niet was.
O
Maar het was er wel en je hebt het je niet verbeeld.
Je hebt je niets verbeeld, Emily.
Verveling! Uit die blik sprak verveling!
Hij heeft plichtmatig de goede dingen gedaan en de juiste woorden gebruikt om jou gerust te stellen.
Nee, dacht ze.
Nee. Dat was niet zo.
En toen wist ze zich niet te herinneren of hij was klaargekomen, of dat hij alleen maar om haar met haar naar bed was gegaan en het een schijnvertoning was geweest, een buitengewoon overtuigende en uiterst deprimerende schijnvertoning.
Ze zag de badkamer opengaan. Hij stond glimlachend naar haar te kijken en zag er bijzonder zelfingenomen uit. Ze deed haar ogen dicht. Ze voelde zich koud, kwetsbaar en leeg en achter haar gesloten oogleden zag ze nog steeds zijn glimlach - een vreugdeloze en nietszeggende glimlach.
Ze draaide zich op haar zij en ze dacht: nee, ik moet me vergist hebben.
Ik moet me vergist hebben.
Maar ze wist dat dat niet zo was.