De telefoon. De telefoon op het tafeltje. Het was vreemd, maar als hij niet overging leek hij geen nut te hebben. Een gekke vorm. Een akelig zwart ding. Ze stak haar hand uit en raakte hem aan, voelde het gladde plastic. Ze speelde met de kiesschijf. Als je de hoorn niet opnam hoorde je ook de melodieuze geluiden niet die in de telefoon zaten. En dat was ook vreemd, want dat geluid moest toch ergens zijn. Alleen hoorde niemand het.
Ze trok haar hand terug.
Ze besefte dat ze op het gerinkel van de telefoon zat te wachten.
Daar zat ze op te wachten.
Ze wilde gebeld worden.
Maar er gebeurde niets. Het bleef helemaal stil in huis.
Zowel boven als beneden was het stil. Een huis zonder geluiden was eigenlijk geen huis. Daar kon je je niet thuis voelen.
Bel me, dacht ze.
Zeg dat ik moet komen. Weet je niet dat ik zit te wachten?
Ze staarde naar de telefoon. Bel me gauw.