Susan kwam om tien voor half zeven. Omdat Emily zich de antiseptische aanblik van haar keuken herinnerde, had ze een zwakke poging ondernomen om op te ruimen - maar het was bij een halfslachtige poging gebleven. Wat deed het ertoe dat Susan in een wereld leefde waarin geen stof voorkwam, geen verfrommelde lege chipszakjes die tussen de kussens van de bank werden gestopt, geen asbakken met as erin? Voor mijn part ben je prinses Domestica zelf, dacht Emily, toen ze haar binnenliet.
'Ben ik te laat?' Ze had een wat zachte, bedeesde stem.
'Precies op tijd,' zei Emily.
De kinderen kwamen uit de televisiekamer tevoorschijn. Susan glimlachte verlegen tegen ze.
'Susan, dit is Charlotte. En dit is Frankie.'
'Hallo,' zei Susan.
De kinderen glimlachten. Susan keek even om zich heen, alsof ze de kamer in zich op wilde nemen. Er lag een stapel boeken op het tafeltje. Het was een beetje rommelig. Er lag een peuk in de asbak. En, God verhoede het, er stond een bos verlepte bloemen in een vaas.
'Kun je dammen?' vroeg Frankie.
'Niet zo goed,' zei Susan. Ze deed haar blauwe jas uit en stond ermee in haar handen, alsof ze hem niet op de bank of over de leuning van een stoel durfde te gooien, en Emily dacht: Alles op zijn vaste plaats, een eigen plaats voor alles. Ze zoekt naar een kapstok. Emily nam de jas van haar aan en hing hem in de keuken over de leuning van een stoel. Ze hoorde Susan zeggen: 'Ik wil best dammen, maar ik ben bang dat jij alles wint.' En toen proestte Charlotte het uit en zei: 'Hij wint nooit van iemand,' waar Frankie tegenin ging: 'Wel waar! Ik heb van Eddie Smithers gewonnen!'
'Eddie Smithers! Die is achterlijk!' Susan zei: 'Ik geloof zelfs niet dat ik de regels nog ken.' Ze lachten nu allemaal - en Emily vroeg zich af waarom, ze had niets leuks of geks gehoord. Misschien had Susan een mal gezicht getrokken of een raar gebaar gemaakt. Maar ze vond het bemoedigend dat de kinderen weer eens lachten. Dat had ze ze de laatste dagen niet vaak horen doen.
Ze pakte haar eigen jas en trok hem aan. Terwijl ze daar mee bezig was ontdekte ze een beetje verbaasd dat ze het leuk vond om weg te gaan, dat ze graag het huis uit wilde. Ze had geen zin met de kinderen thuis te blijven zitten wachten op het rinkelen van die verdomde telefoon. Ze ging terug naar de voorkamer.
'Je redt je wel, hè?' zei Emily half vragend.
'Natuurlijk.'
'Anders moet je het maar aan Charlotte vragen, die weet alles wel te vinden.'
'Ik ook,' zei Frankie.
Ze keek even naar hen, naar dit groepje van drie mensen, en ergens voelde ze zich buitengesloten, alsof ze er niet bij hoorde, alsof ze haar ineens niet meer nodig hadden. Charlotte keek haar met een bemoedigende glimlach aan.
'Veel plezier,' zei ze.
Emily deed de voordeur open. Ze zei gedag, trok de deur achter zich dicht en dacht: wat zou ik graag plezier willen hebben.