Nadat ze de auto geparkeerd had, bleef ze een poosje zitten en keek naar het oude Victoriaanse huis dat opgedeeld was in verschillende kantoren. Het deed haar denken aan het huis waarin Nick had gewoond.

Ze wierp een blik op de voordeur waar op een koperen plaat de namen en beroepen van de bewoners op alfabetische wijze gerangschikt stonden.

Clitheroe, Architecten. Esterhazy, Reisbureau, Pastorvilles Bureau voor Gezinsmoeilijkheden. En daaronder Spassky's naam, als laatste op de lijst. Ze legde haar hand op de deurknop en stond op het punt het portier open te doen toen ze dacht: nee, ik hoef hier niet naartoe te gaan, ik kom hier al lang niet meer, waarom was ik dat vergeten?

Ze had het besluit genomen om niet meer naar Spassky toe te gaan.

Dat had ze ooit een keer besloten.

Ze deed haar ogen dicht. De jongen, dacht ze.

De jongen paste niet in haar plannen. Waarom moest er ook een jongen zijn? Plotseling klopte er niets meer van het beeld dat ze voor ogen had, plotseling was dat vaag en onduidelijk geworden, als een wazige of bewogen foto. Ze moest heel goed over deze jongen nadenken, echt heel goed. In een gezin hoorden geen buitenstaanders.

Misschien had hij haar gezien. Misschien ook niet. Ze was zich niet erg van hem bewust geweest, alleen maar van Charlie, van de manier waarop Charlie zich tussen de bomen bewoog. En daarna ...

Ze deed haar ogen open en keek naar de modder op haar schoenen. Ze haatte modder.

Wat was er gebeurd ?

Daarna hadden ze gerend, hadden ze hard tussen de bomen door gehold, dat was er gebeurd.

Nee. Hij had haar niet gezien.

De jongen. De jongen hoorde er niet bij.

Ze draaide het contactsleuteltje om en ze dacht: Nick. Nick. Maar toen raakte ze even van streek, omdat Nick dood was en ze een fractie van een seconde had gedacht dat hij nog leefde. Er verschenen zwarte vlekken voor haar ogen. Nick is dood, dacht ze. Maar Charlie niet.

Charlie is niet dood.

Misschien is er ergens wel een plek, dacht ze. Ja, misschien is er ergens wel een plek waar we weer met zijn allen samen kunnen zijn.

Ze vond een zakdoekje en boog zich onhandig voorover om haar schoenen schoon te vegen. De modder was opgedroogd en viel in kleine stukjes op de vloer. Ze pakte de schilfers van de automat af en verzamelde ze in haar handpalm. Toen deed ze de autodeur open en liet ze ze buiten op straat vallen.

Toen ze uiteindelijk wegreed dacht ze: waarom moet er ook een jongen zijn ?