45
Koben was naar de akker gegaan en ik veegde de winkel aan en stopte de bedorven groente in een emmer, toen Leida opeens met een paar kinderen voor me stond. Ze had meer meel nodig, zei ze, en fruit en zoutvlees en jenever, ze wilde jenever.
Ik weet niet of dat zomaar mag, zei ik, ik kan ze niet meer zomaar meegeven en ze hebben ook nog geen nieuwe prijzen.
Leida schold me de huid vol. Nu de kwelgeest weg was wilde ik haar een nieuwe kwelgeest geven, ik was een even grote ellendeling als die man van me, en ze begon samen met de kinderen bijna alles wat ik net had teruggezet van de schappen te grissen, ze stopten de zakken die er nog lagen vol, Leida vloog onze kamer binnen, ze trok het laken van de vloer en haalde de kleren van de zoon uit de kast, waarbij ze geen moment naar Junior keek die met Anna op ons matras lag. Alles brachten ze naar buiten, waar ze de kinderen opdroeg om het naar haar huis te dragen. Zelf bleef ze bij haar prooi staan tot de kinderen het laatste hadden opgehaald. Ze riep naar mij dat ze er recht op had en dat ik niet meer in het dorp hoefde te komen, zíj zou de kinderen wel leren wat die te leren hadden. Als wij zo graag in dit huis wilden wonen, zouden ze het in het dorp zelf wel redden. Ik wist niet wat ik moest terugzeggen en bleef hen verbouwereerd met een gezouten vis in mijn handen staan nakijken. Als Koben hierachter kwam, zou hij een straf voor Leida verzinnen, maar dat mocht hij niet, Leida had hem haar kind geschonken, hij moest haar eeuwig dankbaar zijn, ook als ze de winkel plunderde.
Ik pakte de emmer met de bedorven groente die zich gemengd had met vuil en dode insecten en bracht hem door de schuur naar buiten. Op die smalle strook tussen het huis en het bos smeet ik de emmer leeg.
Er was hier iemand geweest, zag ik, iemand had hier in de aarde staan woelen, misschien had die snel zijn voorraad willen verstoppen om niet alles aan Koben af te hoeven geven.
Ik bracht de emmer terug en haalde een schop. Toen ik begon te graven vond ik geen etensvoorraad, maar een rij tenen, en mijn bloed trok weg, ik wilde braken, het kwam niet, ik rende de loods in, de winkel door, naar de kamer waar ik Anna en Junior had opgesloten, ze speelden met het blokje dat Jakob had gemaakt, het blokje met het lachende gezicht, en ik rende weer naar buiten en begon als een gek te scheppen tot de zoon helemaal tevoorschijn was gekomen, met het opgedroogde bloed op zijn borst waar aarde aan geplakt zat en zijn strakke bleke gezicht, zijn ogen nog op een kiertje alsof hij mij kon zien, en ik rende alweer weg, nu rende ik het pad op naar de akkers, waar Koben op een liggende geblakerde boomstam zat met een fles jenever die hij probeerde te verstoppen zodra hij me aan zag komen, ik riep naar hem, ik riep dat de zoon dood was, dat ik zijn lijk had gevonden, Koben, riep ik, Koben, heb jij de zoon vermoord, en toen Koben dat hoorde gaf hij me zo’n harde klap in mijn gezicht dat ik omviel.
Koben liep met me mee naar ons nieuwe huis, rennen wilde hij niet. Ik had hem verteld waar de zoon lag, met al die aarde in zijn open mond, ik dacht het hem niet te hoeven vertellen, Koben was de enige geweest die geloofde dat alles zonder de zoon goed zou komen en misschien had hij de zeven vette jaren wat naar voren willen schuiven omdat we het eind van de zeven magere niet eens zouden halen.
Terwijl hij om de hoek van de schuur liep, bleef ik bij de zwarte cirkel van de vuurplaats staan. Het duurde een poos voor hij weer tevoorschijn kwam. Hij leek niet geschrokken. Hij zei alleen dat de zoon was doodgeschoten en dat we nu zeker waren dat hij niet terugkwam. Hij zei dat we hem meteen moesten verbranden, we moesten zorgen dat alle sporen van zijn aanwezigheid zo snel mogelijk werden gewist, als ik daar moeite mee had moest ik maar binnen bij de kinderen blijven, dit was mannenwerk. Hij was niet van plan uit te zoeken wie het had gedaan – hij wilde zeker duidelijk maken dat hij het in elk geval niet was – en het moest snel gebeuren.
Hij sleepte brandhout naar de vuurplaats. Ik heb me omgedraaid en ben naar onze nieuwe kamer gelopen, naar Anna en Junior. Anna klampte zich aan me vast alsof ze bang was dat ik weer wegliep. Junior lag op zijn buik en kwijlde. Ik ging bij Anna op het matras zitten, ze kroop meteen op mijn schoot en ik sloeg mijn vuile handen om haar lijfje. Ze gaf me tjilpende kusjes op mijn wangen en ik kon de gedachte niet van me afzetten dat het Koben was geweest, dat Anna’s vader een moordenaar was, al dacht hij van zichzelf misschien dat hij een bevrijder was, en daarna dacht ik dat ik niets zeker wist, dat het Koben niet hoefde te zijn, het kon ook iemand anders zijn, misschien had Vanloo het gedaan in opdracht van Koben, of iemand die helemaal geen opdracht had. Anna merkte dat ik haar geen aandacht gaf, ze trok aan me, ze kneep in mijn armen en Junior begon te huilen, Anna wilde niet dat ik op Junior lette, ze nam mijn hoofd in haar kleine handen en probeerde het haar richting uit te duwen, maar ik zei dat ik Juniors billen moest verschonen, want de lap tussen zijn benen was zwaar.
Ik verschoonde hem zonder water, ontblootte mijn borsten en legde de kinderen aan, Anna links, Junior rechts. Buiten hoorde ik stemmen die ik niet kende. Jomo, dacht ik. De verhuizing. Jomo en zijn vrienden. Die zullen niet achter de loods komen.