37

Wie het kon moest helpen de broodwortels te oogsten. De planten waren inmiddels meer dan manshoog en eromheen woekerde ander groen. Aarde plakte aan het bruine, knoestige voedsel dat wittig was vanbinnen. We staken onze oogst in grote jutezakken en brachten ze naar de loods. We werkten driftig, het hielp om iets uit de grond te kunnen halen wat ons in leven hield. De zoon was met zijn geweer over zijn schouder naar de akkers gekomen om te zien of we niets achteroverdrukten. De broodwortels waren klein uitgevallen en hier en daar aangevreten. Hij vloekte dat het een miezerige oogst was, en ik had al zoveel van mijn moeder opgestoken dat ik dat verstond. Leida en ik moesten ze van hem schoonmaken en daarna raspen. Hij reikte ons daarvoor planken aan met een blikken plaat erop waar hij langs de achterkant rijen gaatjes in had geslagen, zodat die bovenop ruwe randjes hadden. Een voor een hebben we de wortels geraspt, we hebben er weken over gedaan, lang genoeg, hoopte ik, om onze schulden af te lossen. Dat heb ik ook tegen Koben gezegd, die het daarom goedvond dat ik in de loods bezig was. Met mijn poging tot moestuin was het toch niets geworden.

Jakob liet zich niet meer zien in het dorp. Hij bouwde een nieuwe woning voor zichzelf, niet ver van die van mijn moeder. Jomo hielp hem.

Bijna elke dag ging ik met Anna bij mijn moeder langs. Ze gaf ons van haar eten en drinken, speelde met Anna op haar brede schoot en vroeg me met haar weg te gaan voordat ook wij een ziekte zouden oplopen. Ik zei dat Anna Kobens kind was en ik hem zijn kind niet mocht ontnemen, dat ik naast hem moest blijven staan nu we alles tot bloei probeerden te brengen, en ik zag dat ze me met haar blik fileerde, alsof ik wat bijeengeraapte woorden van Koben te dicht bij haar voeten had gelegd, maar ze sprak me niet tegen en drong niet aan.

Jomo voer haar geregeld naar het stadje, waar ze haar werk had en levensmiddelen kocht omdat die daar veel goedkoper waren dan in de winkel van de zoon. Ze vertelde me dat Jomo de baas van de smederij in het stadje kende en dat de man van Leida daar werk had gevonden. Mijn moeder is hem samen met Jomo gaan opzoeken en heeft hem over Jenneke verteld, hij zei dat het allemaal de schuld was van Leida, als ze met hem mee was gegaan, was alles goed gekomen. Hij zei dat hij nu een ander had en dat hij nooit meer terug wilde.

Voorbij, zei hij, voorbij.

Ik begon erover toen ik met Leida aan het raspen was, dat haar man nu werk had in het stadje. Ze trok bleek weg en stopte met raspen.

Wie beweert dat? vroeg ze.

Mijn moeder, zei ik.

– Je moeder is onbetrouwbaar, ze zegt dingen die niet waar zijn, ik wil niets meer met haar te maken hebben, hij is er niet meer, hij komt nooit meer terug.

En ze ging verder met raspen, al haar aandacht ging naar de broodwortel in haar hand, verpulveren moest ze die.

Soms nam de zoon Leida mee naar binnen, dan zei ze tegen me dat ze in de winkel werkte, maar er kwam niemand voor de winkel, de dorpelingen deden hun boodschappen óf heel vroeg óf pas aan het eind van de dag. Eén keer wilde ik uit nieuwsgierigheid de winkel in gaan, maar de deur zat op slot, en toen Leida langer dan anders wegbleef, ben ik om de loods heen gelopen en heb ik vanachter een boom voorzichtig bij de zoon naar binnen gekeken. Het weerspiegelende raam vertroebelde het beeld, maar ik zag wel dat ze tegen een wand leunde en geen kleren aanhad. Van schrik ben ik meteen weer aan het werk gegaan alsof ik niets had gezien, maar ik heb later toch eens geprobeerd er met haar over te beginnen. Ze zei dat ik van niets wist en dat dat zo moest blijven.

Nu Koben zich niet meer door Jakob in de weg gezeten achtte, leek hij vleugels te krijgen. Elke avond stond hij voor het groepje dorpelingen dat naar hem wilde luisteren en spreidde hij zijn armen uit.

– Ik ben er voor jullie! We gaan door een dal van diepe duisternis, maar zullen het licht zien!

En iedereen stak zijn armen in de lucht en toonde de donkere vlekken van het diep in de stof ingevreten zweet onder hun oksels, en Koben hield maar niet op met het prijzen van de Enige die ons zou redden nu we zo veel offers hadden moeten plengen, want na de zeven magere jaren kwamen er zeven vette, en iedereen was het daarmee eens, maar ik bedacht dat die eerste zeven jaren nog lang niet voorbij waren.

Op een dag kon Leida niet komen raspen, omdat ze zich te slecht voelde om op haar benen te staan. Ik kwam alleen. De zoon zat in een hoek van de loods toe te kijken en met zijn geweer te spelen. Hij bracht me een kroes water. Daarna kwam hij naast me zitten en keek toe hoe ik aan het drinken was. Ik keek niet terug. Ik voelde zijn hand over mijn rug glijden. De hand wilde langs mijn buik onder mijn kleren kruipen, maar ik stond met een ruk op en rende naar het dorp, almaar Hamels naam fluisterend alsof hij me vergeving moest schenken.

Daarna heb ik geen broodwortel meer geraspt, ook niet toen Leida weer beter was. Ik heb gezien dat de weduwe van de vlasteler mijn plaats had ingenomen. Xer en Kele moesten meehelpen.

Toen alles geraspt was, heeft de zoon hun voorgedaan hoe ze het vocht uit de broodwortelsnippers moesten persen. Het liep in een bak. Ze dachten dat het sap was dat ze konden drinken. Xer heeft er als eerste van genomen en werd meteen suf en misselijk. De weduwe droeg hem naar haar woning, ze schreeuwde dat we giftig eten hadden verbouwd, dat we niet hadden geweten dat de zoon ons allemaal dood wilde hebben door ons giftig eten te laten verbouwen. Hij heeft nog twee dagen geleefd, Xer. Kele vroeg aan zijn moeder wie de volgende was die doodging en of hij nu alles mocht hebben wat van Xer was geweest.

Weer heeft Beer een kist gemaakt, een kleine, die je met z’n tweeën kon dragen.

De vingertoppen van mijn rechterhand waren korstig, ik had ze opengeraspt.