30

De Scheve die de koeien had meegebracht vloekte tegen zijn beesten, want ze waren te veel van slag geraakt om nog melk te geven, ze zouden ook nauwelijks vlees geven, zo mager stonden ze op een kluitje aan de oever. Het leek of ze niets lustten van wat er te eten was, dat ze het gras van thuis misten en niet van plan waren het onbekende groen om hen heen nog langer te proberen, ze leken nergens meer zin in te hebben, als ze hadden kunnen vloeken, zouden ze terugvloeken, maar zelfs geluid kwam er niet meer uit. Al verschillende keren had de zoon kwaad naar de koeien gewezen, maar de Scheve had zich er niets van aangetrokken, want als er nog iets was wat op gras leek, dan hier aan de oever.

Op een dag waren ze alle drie verdwenen en de Scheve was woedend naar de zoon gegaan om te vragen of die ze had laten verdwijnen terwijl er nog vlees aan zat. De zoon had zijn magere schouders opgetrokken en het enige wat de Scheve nog kon bedenken was mijn moeder te vragen voor hem te vertalen, maar hij was bang voor mijn moeder om wat hij over haar had gehoord, hij dacht dat het ook mijn moeder kon zijn geweest die de koeien had doen verdwijnen. Hij begon er met mij over, dat hij moest weten wie het had gedaan en dat alleen mijn moeder het aan de zoon kon vragen, maar dat mijn moeder het misschien zelf had gedaan. Ik zei dat hij zich moest schamen om zoiets over mijn moeder te denken en hij liep weg op zijn kromme benen.

Ik heb het toch maar aan mijn moeder gevraagd en een dag later, toen ik bij haar langsging, gaf ze me door wat de zoon had gezegd, dat alle koeien op een avond doodlagen en hij de volgende ochtend een boot heeft laten komen om ze op te halen, omdat ze daar niet konden blijven liggen.

Iedereen had nu een woning, ruim genoeg om erin te kunnen overnachten, klein genoeg om van groter te blijven dromen. De houten huisjes met dunne houten pannendaken die onder leiding van Jakob waren opgetrokken zagen er beter uit dan wat er al stond, waardoor er onvrede groeide bij wie al eerder een woning toegewezen had gekregen, maar Jakob was onverbiddelijk, hij verdeelde de huisjes en wilde er daarna niets meer over horen.

De Scheven waren bij elkaar gekropen. Elke nacht hoorden we hun luidruchtige dronkenmanslach tussen de kieren naar buiten sijpelen. Twee van de jonge vrouwen hadden hun raam laten dichttimmeren en kregen een balk om hun deur vanbinnen mee te barricaderen nadat de Scheven hen een keer hadden lastiggevallen in hun slaap en Koben hen hardhandig had weggejaagd. De derde sliep bij Jakob, waar de andere twee jaloers op waren. Ze hadden alle drie bij Jakob willen slapen, maar Jakob had zijn keus gemaakt, hij had zich ontfermd, zo zei hij dat, over de meest gevulde van de drie, de Rosse noemden we haar. Vaak hoorden we door het dunne hout heen dat ze het goed hadden.

De Scheven waren de enige bewoners die niet naar de avondlijke bijeenkomsten bij het vuur kwamen die Koben leidde. Een aantal van ons herhaalde er het gebed dat ze op het schip hadden geleerd en Koben sprak ons moed in omdat de Enige ons zag en het goed met ons voorhad. Dan stond Jakob zwijgend naast hem als om hem eraan te herinneren dat ze deze bedoening met z’n tweeën leidden.

Op een avond werd Koben zo kwaad op de Scheven dat hij Jakob aansprak om ze samen met hem een voor een hun huis uit te slepen en eens flink door elkaar te rammelen, zodat ze hun gedrag zouden verbeteren, maar Jakob wilde daar niet aan meedoen, hij vond dat die mensen hun eigen leven moesten kunnen leiden en de gevolgen ervan ook maar zelf moesten dragen. Daarop had Koben Jakob verweten dat hij de boel liet begaan en dat we juist nu, omdat we het nog zo moeilijk hadden, strenge regels moesten hebben, dat had hij toch ook gewild, Jakob, waarom werkte hij dan niet mee, had hij soms terwijl hij met anderen aan het bouwen was die anderen tegen hem opgezet, waarom had hij dat gedaan, terwijl ze toch samen dit dorp zouden leiden?

Jakob begreep niet waar Koben het over had. Hij had de anderen alleen maar orders gegeven voor de bouw en hij liet Koben elke avond spreken over de Enige, dat was hem best, hij wist te weinig over de Enige, hij zou wel zeggen wat er over de gewone dingen te zeggen viel.

Nee, zei Koben, hij had gezien dat Jakob te veel alleen met zijn eigen zaken bezig was, dat hij te veel wilde vertellen hoe de dingen moesten gaan, dat hij alles naar zich toe trok en zijn gelijk wilde krijgen, Jakob. Zijn gelijk. Krijgen.

Dat is niet waar, zei Jakob.

– Ontken het maar niet.

Jakob keek naar Kobens opgewonden armzwaaien als naar een bijzonder natuurverschijnsel.

Wanneer dan? vroeg hij.

Toen Koben zei dat hij dat zelf wel het beste zou weten, draaide Jakob zich om en liep zijn huis in.

Ja ja, weglopen, riep Koben tegen zijn rug, weglopen is laf, het is laf, Jakob, om weg te lopen.

Ik zat met mijn bolle buik onder het afdak. Koben liep langs en wierp een afwezige blik op mij.

Ga wat doen, zei hij, niemand heeft hier het recht om niets te doen.

Het kind in me schopte. Ik legde mijn handen op mijn buik om het te voelen. Koben had gezegd dat zijn kind Koben Junior moest heten en de stamhouder zou worden die zou meemaken hoe alles hier tot bloei kwam.

En als het een meisje is? vroeg ik.

Het wordt een jongen, zei hij.

Ik noemde het kind in mijn buik Junior en vertelde hem alvast wat hem te wachten stond.

Koben vond dat ik kon blijven werken, hij had me nodig op de akker, maar als ik het te benauwd kreeg mocht ik rusten, want ons kind moest gezond ter wereld komen.

In bed legde hij zijn brede hand op mijn buik en wilde hij in mijn oor fluisteren dat hij trots op me was, maar hij kon niet goed fluisteren, zijn rokersadem raspte. Ik kon nog net zijn woorden vangen.

Vier ochtenden per week zat Hamel met de kinderen tot dertien jaar onder een boom als een parasol en leerde hun lezen en schrijven. Sommigen waren loom geworden van te weinig eten, omdat hun vader of moeder bang was zich te veel in de schulden te steken. Koben kwam regelmatig luisteren, hij wilde weten of Hamel hun zo goed mogelijk onze taal, onze rivieren en onze tradities bijbracht. Hij verordonneerde dat de kinderen elke ochtend moesten beginnen met het gebed dat hij zijn dorpelingen had geleerd, en dat ze daarna drie keer een reidans rond de boom moesten maken, iets wat we in ons oude land één keer per jaar deden om de lente te vieren, maar nu er hier geen duidelijke lente was kon het elke dag. Omdat Hamel de kinderen meer wilde vertellen dan Koben toestond, was hij ertoe gekomen bij zulke kennis te zeggen dat ze die in hun hart moesten bewaren tot ze groot waren, en zo is het gegaan, het werd een samenzwering tussen Hamel en de kinderen, onder die boom als een parasol.