10

Toen mijn moeder vrijkwam heb ik haar opgehaald. Het was twee uur lopen van het gesticht naar onze boerderij. Onderweg zei ik dat ze geduld moest hebben met Koben, dat we door de misoogst een moeilijk jaar doormaakten, dat het de eerste fatale misoogst was in zijn leven, ik zei dat ze hem de tijd moest geven om aan haar te wennen, en dat hij in God geloofde.

Hij doet maar, zei ze.

Koben had mijn moeder niet eerder gezien. Het leek wel of hij opgelucht was dat ze geen verwrongen duivels gezicht had. Mijn moeder zei dat ze blij was de man te ontmoeten die haar dochter een thuis had gegeven. Hij zei meteen dat ze geld moest verdienen, bijvoorbeeld door meelzakken te maken of te repareren, maar mijn moeder zei dat ze nog wel een andere manier wist om aan geld te komen. Ze kon de man van de winkelbibliotheek om werk vragen, zei ze.

Wat voor werk? vroeg ik.

Werk, zei ze.

Ik bracht haar eten. Ze stond tussen het kleine bestofte raam en het potkacheltje. Bleek licht viel over haar gezicht. Ze was ouder geworden. Ze scheelde minder jaren met Koben dan hij met mij.

Ik zette het eten op de tafel en bleef even bij haar, niet te lang, anders zou Koben vinden dat hij te veel alleen werd gelaten.

De volgende dag is mijn moeder naar de stad gegaan en kwam ze terug met geld en verontwaardiging, want ze wilde op het stadhuis een bewijs-van-in-leven-zijn tekenen en daar hadden ze gezegd dat dat niet kon, omdat de gestichtsarts haar had opgegeven als niet tot handtekenen bevoegd. Ze was zo kwaad geworden dat ze de pen van de klerk uit zijn handen had getrokken, de inktpot met een ruk naar zich toe had geschoven en op het dichtst­bijzijnde papier wel tien keer haar handtekening had gezet.

Ja, had die man gezegd, ik zie dat u het kunt, maar het spijt ons, we mogen het niet uitreiken zolang de arts geen goedkeuring geeft.

Maar u ziet toch dat ik in leven ben! had ze geroepen.

Als Prosper kwam vertrok mijn moeder, want ze wilde zich niet met mijn werk bemoeien, zei ze. Dan schoven we zijn tafel en bank een eindje op tot tegen het ledikant. Zo kon ik voor hem staan. Soms, als Prosper iets niet begreep, liet hij zich achterovervallen op het matras en kwam hij verlegen en luidruchtig weer overeind.

Hij ging vooruit, hij schreef alleen de z nog verkeerd om. Als ik hem teksten te lezen gaf, schoof zijn vinger tergend langzaam langs de zinnen en vormde zijn mond de woorden alsof hij ze opnieuw uitvond, en als ik hem vroeg wat hij net had gelezen wist hij het vaak niet meer. Dan las ik hem voor, over het sterke papier waar een mens op kon staan en over de man die dacht dat een luchtballon kon worden bestuurd met getemde adelaars.

– Heb ik dat allemaal zelf gelezen?

Na school kwam mijn moeder terug met geld waarvan ze mij meteen de helft gaf. Ik moest niet vragen waar ze het vandaan haalde, dat was haar zorg, zei ze.

Meelzakken maakte ze niet. Ze werkte langzaam aan een lap waarin ze de beeltenis van een hoekige os weefde.

Voor jouw Koben, zei ze.

Ik zei maar niet dat Koben de sprei met de vechtende mannen al na twee dagen van de tafel had gehaald en weggestopt.

Vaak kroop Koben ’s nachts niet bij me in de bedstee, maar bleef hij aan de tafel zitten. ’s Morgens vond ik hem dan, slapend met zijn hoofd in zijn armen. Mijn hand kromde rond zijn stugge nek en bleef daar tot hij wakker werd, met een droge mond en een verwarde blik. En elke dag zei hij dat het maar goed was dat zijn ouders dit niet meemaakten.

Ik gaf hem het geld dat mijn moeder meebracht. Hij zei dat het voor kost en inwoning was, daarom nam hij het aan. We slachtten twee van onze kippen en verkochten ze. Nu hadden we er nog één over, die almaar rusteloos rond het secreet darde alsof ze de andere miste.

Soms kreeg Koben een klusje aangeboden op de markt, hij bracht waren weg met zijn ossenkar. Maar een dagloner was hij niet, zei hij, want wat er ook van het leven worden moest, hij was fier en fier zou hij blijven. Zoals hij dat woord uitsprak, fier, alsof hij een vuur aanblies dat al doofde.