41

Leida bracht de pasgeborene naar ons huis. Ze zei dat het nu Kobens kind was en dat wij er maar voor moesten zorgen. Ik zoogde Anna nog, dus had wel een borst voor de jongen over.

Ik nam de kleine in mijn armen en wiegde hem. Zijn oogjes hadden inderdaad dezelfde kleur als die van Koben, maar daarmee hield elke vergelijking op. Het kind had iets schriels en keek me schichtig aan. Hij rook zeker dat ik zijn moeder niet was. Ik meende trekken van Leida te zien, dat smalle, dat wel heel kleine neusje, maar die haren van hem kwamen ergens anders vandaan.

Dit was Koben Junior, hij had hem aan mij geschonken, zei Koben. Anna wist zich eerst geen raad met dat andere kind dat de aandacht van haar moeder vroeg en haar kleren droeg. Toen Koben thuiskwam vertelde ik hem dat ze hem had geslagen, niet erg, maar het was duidelijk dat ze niets moest hebben van dit mannetje, en Koben gaf haar een klap op haar billen, waar ze onbedaarlijk van begon te huilen. Op haar beurt strafte ze onze stoelen door die stuk voor stuk een klap te geven en de tafel twee.

Koben was hele dagen op het land. ’s Avonds tilde hij Koben Junior op zijn schoot, hij nam hem mee naar het balkon en toonde hem aan het groepje beneden dat Leida zwanger had gezien. Koben Junior deed ook afwerend tegen Koben, alsof hij wist dat hij door twee vreemden in huis was gehaald en daar niets aan kon veranderen.

Op een droge hete dag kwam de man die we niet eerder hadden gezien, de eigenaar, de vader, onaangekondigd uit een boot met gordijntjes stappen. Ik zag het gebeuren toen ik bij mijn moeder vandaan kwam en begreep meteen dat hij het moest zijn. De zoon rende geschrokken op hem af. Al zijn overwicht smolt weg. Hij werd een hond die om zijn baas heen drentelde.

De vader was een zwaargebouwde man in een smetteloos wit kostuum met een al even witte gerande hoed erboven en bakkebaarden die als schuim aan zijn wangen kleefden. Hij steunde op een wandelstok.

Met Junior op mijn rug en Anna in mijn armen hobbelde ik het pad af naar het dorp en vertelde ik dat de vader was gekomen. Beer waarschuwde Koben en binnen de kortste keren stonden alle overlevers bij elkaar voor ons gemeentehuis.

Koben begon meteen orders te geven. Hij zei dat we twee aan twee in de rij moesten gaan staan, we moesten een ordelijke indruk maken. De volwassenen gehoorzaamden hem, maar de vader kwam almaar niet, we stonden zeker een uur zo in de rij, de zon brandde op onze hoofden en Koben zei dat we moesten volhouden, want je zou altijd zien dat als je niet volhield, die vader opeens het pad af kwam.

Zo stond hij voor zijn haveloze troepen.

Allemaal schoften, fluisterde Leida.

Ik keek haar begripvol aan, want ik dacht haar te begrijpen.

Koben begon de Enige aan te roepen.

O Enige, riep hij naar boven, zie op ons neer, laat dit de dag zijn waarop we verlost worden en een glorieuze toekomst kan aanvangen.

De man kwam en het was pijnlijk om te zien dat Kobens gezag meteen in lompen gehuld stond. Hij boog voor die onberispelijke heer op leeftijd en zei met een stem die deftig moest lijken dat hij welkom was en dat wij allen hoopten dat er nu betere tijden zouden aanbreken, opdat we zouden bloeien. De vader begreep er niets van. Hij keek vragend naar de zoon, die er een beetje krom bij stond en tegen mij zei dat ik mijn moeder moest halen. Even keek ik naar Koben, maar daarna rende ik met Junior op mijn rug het pad af om mijn moeder te halen. Ik hoorde Anna brullen alsof ik haar voorgoed in de steek liet.

Mijn moeder was thuis. Toen ik haar vertelde dat ze voor de vader moest vertalen, deed ze haar boezelaar uit, trok een schone rok aan, klemde haar boek achter de band vast en liep met me mee.

Iedereen stond nog steeds in de rij, met glimmende voorhoofden van de hitte. Koben was weer begonnen met hen te bidden. Ze zwaaiden hun armen in de lucht.

De vader sprak mijn moeder op een hoffelijke manier aan. Ik keek naar Koben, het moest onverdraaglijk voor hem zijn dat ze zijn rol overnam.

Mijn moeder was de rust zelve. Ze zei iets en wees naar hem.

Wat zegt ze, wat zegt ze, siste Koben. Mijn moeder merkte het.

Dat u hier de leiding heeft, zei ze tegen hem.

De leiding hebben, wat was dat voor manier van praten, zag ik Koben denken, er was veel meer aan de hand, hij was voorganger, gids, bezieler.

De vader bekeek Koben van top tot teen waardoor het leek of er nog meer gaten in zijn kleren vielen dan er al in zaten, en vroeg of er een paar woningen konden worden bezocht. Mijn moeder vertaalde zijn wens met luide stem en meteen viel de rij uit elkaar, iedereen ging naar zijn eigen huisje, vereerd dat deze machtige man binnen wilde komen en gegeneerd om de schamelheid. Alleen Leida en Minke bleven stijf als poppen buiten staan. En juist in hun woning stapte de vader binnen. Koben vloekte, konden ze die man niet gastvrij behandelen, onze toekomst hing ervan af.

Die heer in zijn witte kleren bezocht ook de vader van het verre blinde kind. Er lag nog een berg lege flessen in een hoek van het vertrek en het stonk er, het stonk er erbarmelijk. Toen hij weer naar buiten kwam inspecteerde hij vluchtig zijn kostuum en veegde even over de panden.

Bij ons kwam hij niet, hij keek alleen even op naar het balkon waaraan scheef het gevlochten kruis hing.

Mijn moeder vertaalde dat hij de akkers wilde zien. Hij gebaarde naar Koben dat die niet mee hoefde. Koben gaf geen weerwoord. We stonden daar en zagen het kleine gezelschap – de zoon, mijn moeder en de vader – het pad op lopen en uit het zicht verdwijnen.

Anna pakte Koben bij de hand.

Kobens blik was afgrondelijk. Ik vermoedde dat in zijn gedachten gouden gebouwen instortten en kolkende rivieren ons overspoelden. Hij liet Anna’s handje los en zei tegen me dat hij honger had en dat ik allang iets voor hem had kunnen klaarmaken, wat stond ik daar, doe iets, lamlendig mens!