1953

In zijn dromen komt ze terug. In zijn dromen vergeeft ze hem.

‘Ik ben altijd op zoek geweest naar een heilige,’ zegt Trudy. Ze heeft haar handen achter zijn hoofd, de vingers verstrengeld, en kijkt hem in de ogen. ‘Ik dacht dat ik die in jou gevonden had.’

‘Het spijt me. Ik heb me nooit als heilige voorgedaan.’

‘Ja hoor, volgens mij wel,’ zegt ze zonder boosheid. ‘Je hebt altijd iets heiligs over je gehad. Iedereen vraagt jou altijd om raad. Je straalt zelfvertrouwen uit. Heel anders dan ik. Ik straal… onbetrouwbaarheid uit. Maar met mij kun je veel meer lol hebben.’

Hij raakt haar fijne haar aan, de glanzende omber- en bronskleurige lokken.

‘Vanwege jou heb ik mijn deur nooit meer op slot gedaan,’ vertelt hij haar. ‘Ik dacht: al is er maar een piepkleine kans dat je nog leeft… Er zijn gekkere dingen gebeurd. Ik kon de gedachte niet verdragen dat je me terug zou weten te vinden maar dat ik toevallig niet thuis zou zijn, zodat je weg zou gaan en ik mijn kans zou missen. Daarom kon ik hier niet weg. Iedereen vraagt zich altijd af waarom ik hier ben gebleven, vastgeklonken aan het verleden.’

‘Natuurlijk zou ik je weten te vinden,’ zegt ze met haar klinkende, heldere stem. ‘Je bent vergeten hoe vindingrijk ik ben.’

‘Jij bracht het slechtste in me boven,’ bekent hij. ‘Als ik een gezin had gehad, had ik dat voor jou verlaten. Als je een onbetaalbaar sieraad had willen hebben, had ik het voor je gestolen. Als je me had gevraagd iemand te vermoorden, had ik dat misschien ook nog gedaan. Er was niets wat ik niet voor je wilde doen, en dat is het ergste wat er is. Daarom moest ik afstand nemen. Ik moest afstand van je nemen om mezelf te beschermen.’

‘Goh,’ zegt ze geamuseerd. ‘Ik weet niet of dat het aardigste is wat iemand ooit tegen me heeft gezegd, of het lelijkste.’

Ze heeft hem altijd verteld dat ze niet betrouwbaar is, dat ze hem van het ene op het andere moment zal verlaten, dat hij niet op haar moet rekenen, maar als hij haar tijdens dat soort verklaringen in de ogen kijkt, gelooft hij haar niet.

‘Ik denk graag aan de tijd dat dit allemaal voorbij zal zijn,’ zegt ze. ‘Dan ga ik ijs eten, bij elke maaltijd champagne drinken en baden in honing en wijn. Je kunt je niet voorstellen hoe verkwistend ik zal zijn! Ik ga me gedragen als een rijke erfgename en neem alleen nog maar genoegen met het beste van het beste. Alleen zeep en parfum uit Frankrijk komen het huis nog in, en elke avond moeten er verse exotische bloemen op mijn nachtkastje staan. Ik word gek van deze soberheid. Ik ben een verzuurde huisvrouw geworden, en ik zal die weerzinwekkende persoon tot op de laatste millimeter van me af schrobben zodra…’ Maar ze kan niets bedenken wat een einde zal maken aan de oorlog.

Hij schudt haar door elkaar. Hij heeft zin om gemeen hard in haar wang te bijten, totdat haar huid openscheurt en er bloed langs zijn kin loopt. Hij wil haar met huid en haar verslinden, tot ze de pijn voelt die hij heeft gevoeld. De pijn die hij haar ook heeft bezorgd.

Hij wordt even wakker: zij vervaagt en hij herinnert zich de ander, die nog leeft. Maar dan gaat hij weer kopje-onder in het verleden. Dat trekt te veel.

De herinneringen aan die tijd. Hoe hij op zijn dunne matras zat, machteloos, geërgerd en woedend over de eindeloze eentonigheid om hem heen en de onbeduidende zorgen van de anderen: of ze wel de rantsoenen kregen waar ze recht op hadden, of dat iemand stiekem was verhuisd naar een kamer die nog aan niemand was toegewezen en leegstond sinds de Amerikanen waren gerepatrieerd.

O ja, de dag dat de Amerikanen vertrokken. Hun regering was veel handiger geweest in het regelen van een uitwisseling van gevangenen. Het onbeschrijfelijke gevoel dat hij had toen hij de vrachtwagens weg zag rijden, vol blije, sjofel geklede mensen met in hun zakken stapels brieven van de achterblijvers aan hun naasten over de hele wereld. Ze hadden beloofd de brieven te zullen versturen. De aardigsten hadden al hun dekens, extra kleren, andere spullen en zelfs geld achtergelaten, maar sommigen namen werkelijk alles mee, alsof ze het niet meteen zouden weggooien als ze thuiskwamen. Vreemd, de mentaliteit die in dergelijke omstandigheden de kop opsteekt. En er waren een paar Amerikanen die achterbleven: de katholieke geestelijken. Ze zagen af van de kans om naar huis te gaan omdat ze de gelovigen die in het kamp achterbleven wilden bijstaan, ongeacht hun nationaliteit. Ja, er waren ook goede mensen geweest.

Een andere herinnering, van nog langer geleden: de eerste kerst in het kamp, bijna een jaar nadat ze waren geïnterneerd. Hij herinnerde zich het vrijwel dode gras van het middenperk en de stofwolken die opstoven toen de kinderen opgewonden schreeuwend rondrenden in hun haveloze korte broeken. Het was ongebruikelijk warm geweest voor de tijd van het jaar. De vrouwen hadden tafels neergezet met kannen waterige citroenlimonade erop, en kerstkransjes die ze hadden gekregen van mensen buiten het kamp. Er was een programmablad met liederen en voordrachten gestencild en uitgedeeld. Ze hadden ook wat kerstversiering te pakken weten te krijgen, zodat er engelenhaar en wat opzichtige decoraties in de bomen hingen die hier en daar langs de rand van het perk stonden. De geïnterneerden hadden zich verzameld rond een oude grammofoon waarop kerstliedjes werden gedraaid. Ze praatten wat over koetjes en kalfjes en dronken met kleine slokjes uit hun bekers, terwijl er stiekem een heupfles rondging. Bill Schott had zich tot grote vreugde van de kinderen verkleed als de Kerstman en kwam met een kussen voor zijn buik gebonden naar buiten. Hij deelde een vreemd samenraapsel aan cadeautjes uit, die niettemin met enthousiast gekrijs in ontvangst werden genomen: een verzameling glimmende knopen, een lappenpop gevuld met gedroogd gras, een kerstcollage van bladeren. De moeders hadden het druk gehad.

De Japanse soldaten keken vanaf de zijlijn verbaasd toe. Eerder op de dag hadden ze de kinderen zakjes suikergoed gegeven.

Plotseling stond Regina Arbogast voor Wills neus, met een rode sjaal zwierig om haar hals geslagen. Ze had nog steeds flair.

‘Vrolijk kerstfeest, Will,’ zei ze. Haar man stond naast haar. Het was een paar maanden voordat hij gemarteld werd. Will hief zijn glas naar het stel.

‘Een jaar is snel voorbij, hè? Wat een verschil met vorig jaar.’

‘Ja, en hier zitten we dan,’ zei Reggie.

‘Geniet je van je verlofdagen?’ vroeg Regina. Wills uitstapjes waren een bron van veel afgunst en speculatie, hoewel hij altijd probeerde spullen mee terug te nemen waar iedereen iets aan had.

“‘Genieten” is niet helemaal het woord,’ zei hij.

‘Trudy is dik met het huidige regime.’ Regina liet de opmerking in de lucht hangen, alsof ze hem uit zijn tent wilde lokken.

‘Is dat een vraag of een constatering?’ vroeg Will vriendelijk.

‘Hoe kun jij dat nou weten terwijl je hier opgesloten zit?’ zei Reggie ongeduldig tegen zijn vrouw. ‘Je trekt te snel conclusies, Regina.’

‘Nou ja, iedereen zegt het.’ Regina knipoogde. ‘Maar hoe minder je weet hoe beter, neem ik aan, hè Will?’

Reggie sloeg zijn ogen ten hemel en keek verontschuldigend.

‘O, kijk,’ zei hij. ‘Het koor gaat beginnen.’ Hij pakte Regina stevig bij de arm en nam haar mee naar de oudere kinderen en vrouwen die klaarstonden om te gaan zingen.

Will denkt met een bitter gevoel aan dat gesprek terug, en aan hoe luchtig ze deden over iets wat uiteindelijk maar al te waar bleek te zijn.

Later, in 1945, waren er het geluid van de steeds weer overvliegende vliegtuigen en de geruchten over een nieuw type bom. Een heel bijzondere, die ieders voorstellingsvermogen te boven ging en een ongelooflijk aantal slachtoffers maakte. Een enorme paddenstoelwolk van vernietiging hing over Japan. Met de groenten die dagelijks werden bezorgd werden snippertjes informatie binnengesmokkeld; de spinazie was plotseling verpakt in de Engelstalige krant.

De bewakers keken schaapachtig, waren iets vriendelijker en lieten wat meer toe. Hun rantsoenen werden groter.

Aan Trudy dacht hij nog dagelijks, maar die gedachten kon hij nu gemakkelijker onderdrukken. Zijn boodschappen werden niet beantwoord en geen van de bezoekers van de andere geïnterneerden had haar gesignaleerd. Het was alsof ze in rook was opgegaan. Net als haar moeder, dacht hij, en dan zette hij die gedachte weer uit zijn hoofd. In een oorlog vallen nu eenmaal doden. Later zou hij beseffen dat dat de gedachtegang van een stervende was.

En toen kwam de bevrijding. De kennismaking met de schitterende nieuwe buitenwereld, waarin ze nog steeds moesten uitkijken voor de Japanners, die gevaarlijke verliezers konden zijn. Sommigen werden gewelddadig en brachten zo veel mogelijk mensen om, maar de meesten bewandelden het smalle, ongedefinieerde pad tussen overwonnene en overwinnaar.

Hongkong was als een oude machine die weer wordt aangezwengeld en knarsend in beweging komt. De bussen en trams gingen weer volgens de dienstregeling rijden, de winkels kregen goederen geleverd en langzamerhand werden de prijzen weer normaal. De mensen kwamen elkaar op straat tegen, grepen elkaar vast en zeiden tegen elkaar dat iedereen zo mager was geworden. Ze waren blij dat ze de ellende hadden overleefd en dat ze elkaar zagen, zelfs als ze elkaar voor de oorlog niet echt hadden gemogen. Iedereen moest wennen aan het normale leven en wilde dat het weer alledaags zou worden.

Otsubo werd overgebracht naar Japan. Later hoorden ze dat hij in de Sugamo-gevangenis was opgehangen. Het nieuws bracht geen troost.

Het eerste dinertje was vreemd: in het begin was iedereen op zijn hoede en daarna raakten ze zo snel op hun gemak dat het bijna ongepast was. Ze klaagden over het gebrek aan eerste levensbehoeften, daarna over het gebrek aan goed huishoudelijk personeel, toen over het probleem om aan goede wijn te komen en ten slotte over alles. Het geheugenverlies dat wordt veroorzaakt door een comfortabel leven is sussend, kalmerend en maar al te aangenaam. Al heel snel waren ze allemaal weer zichzelf.

Hoe kan een vrouw verdwijnen? Hoe kan iemand die zo opvallend was zomaar weg zijn?

Na de oorlog ging Will naar haar op zoek met een lege smaak in zijn mond, de smaak van spijt. Het was heel raar, maar na de bevrijding had hij voortdurend dorst. Hij kocht een auto en reed over de lege wegen kriskras over het eiland; naar haar vroegere appartement, naar Angelines oude huis, naar het huis van Trudy’s vader in Sai Kung. Al die huizen stonden leeg en waren geplunderd, en het rook er muf of erger. Een rondreis langs verlaten huizen. Haar vader was tijdens de oorlog gestorven in Macau, oorzaak onbekend. Ook Dominick was er niet meer. Het zoveelste droevige verhaal.

Zonder de luchtigheid van Trudy om hem drijvende te houden werd Will neerslachtig, te serieus, te somber. Hij hing rond in de vreemdste uithoeken van Hongkong of bleef thuis, een sober verblijf met één glas, één bord en een kaal peertje. Hij werd nergens meer voor uitgenodigd. ‘Hij is zonderling geworden,’ werd er in de stad gefluisterd. Zonder Trudy was hij niet in staat zijn leven opnieuw vorm te geven.

Hij zonk weg in de anonimiteit totdat hij Victor en Melody op een dag in Causeway Bay uit hun auto zag stappen met hun dochtertje. Een dochtertje dat totaal niet op hen leek. Hij herinnerde zich dat hij ooit had gehoord wat Melody in Amerika was overkomen, iets tragisch, maar er was slechts eenmaal over gesproken en daarna nooit meer. Hij begon erover na te denken, en toen belde hij Victor op met een zielig verhaal en de vraag of hij misschien werk voor hem had. Will wist dat hij het prachtig zou vinden om een Engelsman in te huren voor wat hij als een min baantje beschouwde. En natuurlijk waren beide mannen zich ervan bewust dat er veel meer achter het verzoek zat.

Victor mocht graag met hem pronken tegenover zakenrelaties die van niets wisten, vooral als ze net waren aangekomen uit Europa of Amerika. Het was de gewoonte dat Will de auto voorreed en uitstapte om het portier open te houden. Victors gasten stapten dan met grote ogen in, duidelijk onder de indruk. Het was ongekend dat een Engelsman ergens als chauffeur in dienst was, zelfs bij een familie als de Chens, en dan was het ook nog een Engelsman die zich voor de oorlog in de hogere kringen had bewogen. Maar de meeste mensen hadden het te druk met hun eigen sores om hier lang bij stil te staan. Velen waren veranderd door de oorlog. Je had bijvoorbeeld de Nederlandse bankier die in Stanley schizofreen was geworden en nu in een achterafsteegje in Sheung Wan woonde en liep te bedelen met een rotan mandje, zijn blonde haar donker en vol klitten, of de dochter van de Millers, die verloofd was geweest met een van de Ho’s van de scheepvaartmaatschappij, maar die in het kamp zwaar misbruikt was en nu in Mong Kok woonde en volgens de geruchten als gastvrouw in een bar werkte. Will was gewoon een van de vele slachtoffers van de oorlog, en bij lange na niet het zwaarste geval. In het begin werd er over hem gepraat, maar later werd het gewoon een van die rare dingen die nu eenmaal gebeurden in Hongkong.

Hij had onregelmatige werktijden en probeerde af en toe een glimp van Locket op te vangen, maar de Chens lieten haar altijd door een van de andere chauffeurs naar school brengen. Hij kon zich er niet van weerhouden naar haar gezicht te kijken, op zoek naar… wat? Naar Trudy, ja, maar ook naar iets wat hij niet onder woorden kon brengen, wat hij zelfs niet durfde te denken.

Op een dag was Victor in de auto gestapt en had Will opdracht gegeven naar de Peak te rijden. Op weg naar boven had hij op de achterbank rusteloos door papieren gebladerd. Hij had een nerveuze indruk gemaakt.

‘Er zijn fouten gemaakt,’ zei hij opeens cryptisch.

Will had geen antwoord gegeven, wat Victor nog geagiteerder had gemaakt.

‘Weet je waar ik het over heb?’ had hij gevraagd.

‘Nee.’

‘Tijdens een oorlog worden er veel beslissingen genomen en dingen gedaan zonder dat er goed over wordt nagedacht.’

‘Ja, meneer,’ had hij geantwoord, en zijn beleefdheid was bedreigender dan alles wat hij had kunnen zeggen. Hij zag Victors bezwete gezicht in de achteruitkijkspiegel.

‘Ik heb een bericht gekregen…’ begon Victor.

‘Ja, meneer,’ herhaalde Will.

Victor aarzelde en leek zich toen te vermannen.

‘Hoe dan ook, Will, de oorlog heeft ons allemaal veranderd. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.’

Will zweeg.

‘Ik ben van gedachten veranderd, Will. Je kunt me weer naar huis brengen.’

Will keerde en bracht Victor thuis. Op de terugweg wisselden ze geen woord meer. Zijn loon werd plotseling verdubbeld. Will was er nooit achter gekomen wat Victor dwars had gezeten, maar noch hij noch Victor waren ooit nog op het ritje teruggekomen.

Hij wachtte tot er iets gebeurde. En ondertussen had hij zijn herinneringen.

Trudy en Dominick, die elkaar omklemmen in een gruwelijke omhelzing.

Gek dat veel dingen onvermijdelijk lijken als je er van een afstand naar kijkt. Laat een jongen en een meisje met dezelfde mentaliteit de zomer samen doorbrengen en zie waar dat toe leidt. Meestal tot liefde. Twee vrienden die elkaar in alles evenaren, maar dan raakt een van de twee plotseling in het voordeel. In zo’n geval zal de vriendschap zelden standhouden. Dat moet zijn wat er is gebeurd. Trudy en Dominick, die als twee druppels water op elkaar leken toen het leven goed was. Toen de omstandigheden verslechterden, kwam bij beiden hun ware aard boven. Trudy was in wezen goed, maar Dominick was een beest. Het verraad was hard aangekomen.

En dat van hemzelf? Dat was veel erger. Dat weet hij.

‘Ik vergeef je,’ zegt ze. ‘Ik begrijp het.’

Daar klampt hij zich aan vast. Dat hoort hij haar steeds weer zeggen.

Hoe kan hij haar nu nog verlaten?