4 januari 1942

Op de vierde dag van het nieuwe jaar komt Trudy binnen met een pamflet in haar hand.

‘Ze gaan mensen oproepen,’ kondigt ze aan, en dan leest ze voor.

“‘Sinds Japan op eerste kerstdag Hongkong heeft bezet, hebben vijandelijke buitenlanders zich vrijelijk mogen bewegen in vrijwel alle stadsdistricten van de kolonie” – enorm grootmoedig van ze, vind je niet? Dan komt er iets over generaals en militaire decreten, en daarna staat er: “Alle vijandelijke burgers” – zo klinkt het alsof je heel gevaarlijk bent, Will –, “Alle vijandelijke burgers dienen zich op 5 januari te verzamelen op de Murray-paradeplaats.” Je mag persoonlijke bezittingen meenemen en je moet zelf voor toezicht op je huis zorgen. Met “vijanden” bedoelen ze Engelsen, Amerikanen, Nederlanders, Panamezen en alle anderen die zo onvriendelijk zijn geweest oorlog te voeren met onze veroveraars.’ Ze kijkt op. ‘Ik denk dat ik er zonder kleerscheuren van afkom.’

‘Is dat zo?’

‘Nou ja, ik val in elk geval in geen van die categorieën. En ik heb mijn Britse paspoort op een veilige plaats verstopt, zodat niemand daarvan hoeft te weten. Ik denk niet dat een afkeer van origami wordt beschouwd als bewijs dat ik oorlog heb gevoerd met de Japanners. Maar ik neem aan dat jij er wel heen moet, tenzij je ergens anders naartoe wilt?’ Ze fronst haar voorhoofd. ‘China? Sommige mensen zijn bezig hun reis te regelen.’

‘Nee, ik denk dat het beter is om in Hongkong te blijven. De Japanners zullen zich moeten verantwoorden voor wat ze met ons doen. Als ze ons bijeenbrengen, moeten ze ons registreren en onze regering op de hoogte stellen, neem ik aan.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Maar we moeten bedenken wat we met Ned doen.’

Onder een karige lunch van rijst met ingemaakte kool besluiten ze de Canadees in te schrijven als Engelsman.

‘Beweer dat je je paspoort bent kwijtgeraakt doordat je huis door een bom is geraakt en er brand is uitgebroken of zo. Alleen je accent is een probleem,’ zegt Trudy. ‘Denken jullie dat de Japanners dat zullen merken?’

‘Ik zou me kunnen voordoen als Amerikaan,’ oppert Ned.

‘Maar we kennen geen Amerikanen die je onder hun hoede kunnen nemen. Je kunt beter bij Will blijven en je mond houden.’

Trudy herhaalt dat ze zich niet zal laten registreren.

‘Angeline, jij zou met Will en Ned mee kunnen gaan, omdat Frederick Engels is. Dan word jij ook als Engels beschouwd. Je hebt je trouwakte toch nog wel? Ik red het hier best zonder jou. Ik zal niet alleen zijn, met al die vrienden van mijn familie die hebben gezegd dat ik bij ze terecht kan.’ Ze streelt de arm van haar vriendin.

‘Ik geloof dat ik maar hier blijf, samen met jou. Vind je ook niet?’

‘Kun je niet doen alsof je voor de overheid werkt en gewoon niet gaan?’ vraagt Trudy aan Will. ‘De order geldt niet voor overheidspersoneel.’

‘Er zijn manieren om dat soort dingen na te trekken, lieverd,’ zegt hij. ‘Ik zou alleen maar slechter af zijn als ik loog en werd betrapt.’

‘Maar je mag vast niet meer terugkomen, denk je wel? Als ze je naam hebben opgeschreven, zullen ze je niet met een schouderklopje weer wegsturen.’

‘Het zou logisch zijn als ze ons als groep bijeenhouden. Ik neem aan dat we ergens gezamenlijk gehuisvest zullen worden terwijl ze bedenken wat ze met ons gaan doen. Ik heb wel eens gehoord van een massale uitwisseling van burgers tussen verschillende landen. Misschien ruilen ze ons wel uit tegen Japanners die in onze landen van herkomst wonen. Maar het kan wel even duren voordat dat allemaal geregeld is, dus we moeten een manier bedenken om contact met elkaar te houden.’

Na de lunch gaan Will en Trudy naar boven om spullen in te pakken.

‘Wat heb je nodig? Een tandenborstel.’ Ze geeft hem een nieuwe. ‘Tandpoeder. Dat zijn eerste levensbehoeften. Een kam. We kunnen je er niet slordig bij laten lopen. Hoewel, misschien moet je niet té knap zijn, want dan breng je jezelf en alle dames alleen maar in de problemen.’

‘Wil je niet met me meekomen?’ vraagt hij. Dat wil hij de hele ochtend al vragen. De gedachte van haar te moeten scheiden beneemt hem de adem. Hij is maandenlang elke dag met haar samen geweest en heeft in die tijd hoogstens af en toe een paar uur achter elkaar de geur van haar haar en haar huid moeten missen. Andere vrouwen vindt hij nu grotesk. Ze zijn te groot, te luidruchtig, te langzaam. Op een middag kort nadat hij in Hongkong was aangekomen, zaten Simonds en hij aan hun bureaus en keken geboeid – zoals je dat soms kunt doen bij iets alledaags – hoe juffrouw Tsai, hun kantoorjuffrouw, water kookte en dat in een thermoskan goot. Juffrouw Tsai was mager en droeg een bril met een metalen montuur. In het grijze vestje dat ze elke dag droeg waren haar schouders zo smal dat ze breekbaar als de botjes van een vogel leken. Haar haar was kortgeknipt en had vaak een vettige glans. Dit was in de tijd voordat Will Trudy leerde kennen, en Simonds zei tegen hem: ‘Ik snap niet hoe mensen Chinese vrouwen aantrekkelijk kunnen vinden. Ze zijn veel te spichtig om een erotische uitstraling te hebben.’ Will wou dat Simonds Trudy had ontmoet, met haar zwoele tengerheid. Kort nadat Will op een feestje kennismaakte met Trudy is Simonds teruggegaan naar Engeland, nog steeds vervuld van de wens daar een weelderige jonge vrouw te vinden om een gezin mee te stichten. Waarschijnlijk heeft hij die inmiddels wel gevonden. Will vermoedt echter dat hijzelf dat Engelse meisje te blozend en mollig zou vinden in vergelijking met het ranke silhouet van Trudy.

In reactie op zijn vraag verstijft ze even, maar dan gaat ze weer verder met inpakken. ‘Waarom zou ik mezelf in vredesnaam gevangen laten nemen als ik de vrije keus heb?’

‘Je weet niet hoe het leven hier zal zijn,’ zegt hij. ‘Daarbinnen krijg je in elk geval drie maaltijden per dag en een bed.’ Hij durft haar niet gewoon te vragen mee te komen om bij hem te zijn. In plaats daarvan probeert hij het te verkopen als een voordelige vakantie.

Als ze klaar is met zijn tas, begint ze voor zichzelf kleren in een koffer te pakken.

‘Ik beproef mijn geluk liever buiten,’ zegt ze. ‘Je weet niet hoe het jullie zal vergaan. De jappen kunnen onmenselijk zijn. En het is juist gunstig voor jou om iemand buiten de muren te hebben. Ik kan je pakjes komen brengen, en nieuws van de buitenwereld. In de Lusitano Club zijn alle Portugezen welkom – ook mensen zoals ik, die maar half Portugees zijn – en ze hebben fatsoenlijke slaapvertrekken. Als de nood aan de man komt ga ik daar gewoon heen. En Dommie zal voor me zorgen.’

‘We zouden kunnen trouwen,’ zegt hij. ‘Ik zal beter voor je zorgen dan hij.’

Ze kijkt op. Hij schrikt van haar gezicht, dat weloverwogen emotieloos is.

‘Je weet niet hoe het leven hier zal zijn,’ herhaalt hij. ‘Dan zouden we in elk geval samen zijn.’

Ze gaat door met het opvouwen van truien. Haar bewegingen zijn snel en efficiënt.

‘Weet je hoe de Chinezen over Engelsen denken?’ vraagt ze even later, alsof hij niets belangrijks heeft gezegd.

‘Eigenlijk niet, maar ik hoop dat Dominick niet representatief is.’

Trudy lacht. ‘Nou, een beetje wel, hoewel er bij hem meer achter zit. Je moet hem niet te makkelijk veroordelen. Hij heeft zijn redenen. Maar veel Chinezen vinden Engelsen ongemanierd, arrogant en vol van hun eigen erfgoed, terwijl dat van ons veel ouder en rijker is. En het zijn echte vrekken. Ik heb nog nooit een Engelsman een etentje zien betalen, terwijl zelfs de armste Chinees zich zou schamen om iemand anders te laten betalen als hij zelf had voorgesteld iets te gaan eten. Dat is toch raar? Onze manier van doen bevalt me veel beter. Wij Chinezen zijn niet dom. We weten dat de meeste Engelsen hier een leven leiden dat ze zich in hun eigen land niet zouden kunnen veroorloven. Ze leven hier als koningen omdat je met hun geld toevallig veel meer manuren kunt kopen dan met dat van ons. Daarom denken ze dat zij hier heer en meester zijn en wij de slaven. Maar dat verandert niets aan het feit dat ze thuis nooit zo royaal zouden kunnen leven als hier. Ze leven op geleend geld, onder een valse naam. Jij bent niet erg Engels, Will. Jij bent juist extreem gul en zeer hoffelijk en bescheiden. Ik ben heel blij dat je niet op je meeste landgenoten lijkt.’

‘Zeg, ik weet niet of dit wel een onderwerp is om nu te bespreken,’ zegt hij. ‘Dit is tenslotte nogal een speciaal moment, vind je niet?’

‘Dat weet ik ook wel,’ zegt ze ongeduldig, alsof hij niet begrijpt waar ze heen wil. ‘Ik bedoel alleen dat het veel Chinezen weinig kan schelen wat er met de Britten gebeurt. Maar aan de andere kant zijn ze ook niet erg gesteld op de Japanners. Iedereen wil gewoon ongestoord zijn leven leiden, wat geld verdienen, de liefde bedrijven en niet sterven met een lege maag. Dat is alles.’

Het duurt altijd even voordat de essentie van wat Trudy zegt tot je doordringt, want haar uitspraken zijn vaak verrassend als die van een kind, maar na een tijdje beseft Will altijd weer hoe slim ze is. En hoe pragmatisch. Hij kijkt toe hoe ze een avondjurk inpakt, en na een korte aarzeling een bijpassende sjaal.

‘Heb je mijn zilverkleurige avondschoentjes gezien?’ vraagt ze.

‘Ik wist niet eens dat je die had.’ Hij vraagt niet waarom ze verwacht in oorlogstijd avondkleding nodig te hebben.

‘Ik kijk altijd vooruit,’ zegt Trudy plotseling. ‘Nooit achterom. Ik heb een hekel aan foto’s, dagboeken en krantenknipsels. Wat hebben ze voor nut? Ik snap niet dat er mensen zijn die een dagboek bijhouden. Ik vind het een akelige gewoonte.’ Haar felheid verrast hem.

‘Ik heb altijd een journaal bijgehouden van mijn reizen.’

‘Dat is iets anders; meer een soort logboek, lijkt me.’

‘Nou ja, ik leg er mijn indrukken in vast. En ik schrijf over de mensen die ik ontmoet.’

‘Ik hoop maar dat ik niet in dat journaal van jou voorkom.’

‘Dan moet ik je teleurstellen,’ zegt hij na een korte stilte.

‘Mensen kunnen zich zo afschuwelijk gedragen, vind je niet?’ vraagt ze. ‘Als we in de toekomst niet meer bij elkaar zijn, denk dan alsjeblieft niet met rancune aan me terug. Denk met genegenheid aan me of vergeet me. Dat probeer ik ook altijd te doen. Mild zijn en niet veroordelen. En rekening houden met de hele situatie.’

‘Waar heb je het in godsnaam over? Spring niet zo van de hak op de tak.’ Hij voelt zich alsof ze hem een stomp in zijn buik heeft gegeven en kan niet doen alsof het hem koud laat, maar hij kan het ook niet opbrengen om haar te smeken niet bij hem weg te gaan.

‘Als je van me houdt, weet je precies hoe ik ben.’

‘Maar Trudy, zo ben jij niet. Helemaal niet.’

‘En jij bent niet dom, liefste.’ Ze geeft hem zijn tas. ‘Alsjeblieft. Helemaal klaar voor je grote avontuur.’

Als ze bij de paradeplaats aankomen ziet hij tot zijn verrassing dat anderen hun hele hebben en houden bij zich hebben, in enorme, propvolle koffers die met stevig touw zijn dichtgebonden. Een of andere grapjas heeft zijn golfclubs meegenomen. De mensen zitten op hun bagage, drinken uit thermosflessen en zien er verloren uit. Vreemd genoeg zijn er ook Chinezen, die gehurkt in de schaduw zitten. Ze hebben al hun bezittingen in roze en rode doeken geknoopt die ze over hun schouder dragen.

Will heeft geld in zijn broekzak, en een paar gouden ringen en armbanden die Trudy hem per se wilde meegeven. ‘Goud is altijd goed, iedereen neemt goud aan,’ hoort hij haar nog zeggen. Hij heeft alleen een kleine schoudertas bij zich, met de paar onmisbare spullen die ze voor hem heeft ingepakt. Angeline heeft Ned wat kleren van Frederick meegegeven, ook al passen ze hem slecht. De jonge Canadees brengt bij beide vrouwen moederlijke gevoelens naar boven.

Trudy zet de auto net lang genoeg stil om hun de kans te geven uit te stappen, waarna ze Will een kusje geeft en snel wegrijdt. Een afscheid van niets. Hij blijft daar even staan, terwijl Ned naast hem opgelaten met zijn voeten schuifelt, en dan pakt hij zijn tas op. Hij geneert zich een beetje tegenover de jongeman, die hun bloedeloze afscheid heeft gezien. Dan ziet hij de Trotters en de Arbogasts. Hij loopt naar Hugh Trotter, stelt Ned aan hem voor en legt hem de situatie van de jongen uit.

‘Het ziet er slecht uit,’ zegt Hugh, die weinig belangstelling heeft voor de beproevingen van de jonge Canadees. ‘Ik heb gehoord dat ze bij de bank ongesigneerd papiergeld aan het verbranden zijn, zodat het niet in verkeerde handen kan vallen.’

‘Ja,’ zegt Will, ‘het ziet er heel slecht uit.’

‘Weet je dat ze twee dagen geleden een nieuw bestuur voor de Chinese burgers hebben ingesteld? Ze noemen het de Afdeling Burgers van het Japanse Leger en ze proberen orde op zaken te stellen en te zorgen dat gas, water en elektriciteit weer normaal gaan functioneren. Ze willen dat iedereen het leven van alledag weer opneemt, zijn winkel weer opent of weer naar zijn werk gaat of wat dan ook. Iedereen behalve wij, natuurlijk. Wij zijn nu vijandelijke gevangenen.’

‘Waarom zijn die Chinezen dan hier?’ Will kijkt om zich heen naar de vele inheemse inwoners. ‘De Japanners gaan toch zeker niet alle inwoners van de kolonie registreren?’

‘Nee, dat is een misverstand. De Japanners hebben er niet aan gedacht dat veel Chinezen hier zichzelf als Brits onderdaan beschouwen en zich daarom hier komen melden. Nu is er grote verwarring over wat er met hen moet gebeuren. Ik neem aan dat de jappen alleen de blanken willen, om het maar eens ronduit te zeggen. Ik verwacht dat de Chinezen vandaag weer naar huis gaan.’

Will ziet kinderen spelen; wat doen zij hier? Ze hadden maanden geleden al het land uit moeten zijn. Hugh volgt zijn blik.

‘Ja, en dan zijn er natuurlijk de kinderen. Die ouders zijn stommelingen,’ zegt hij. ‘Sentimentele idioten. Wilden hun kinderen niet wegsturen naar een veiliger plek. Ze hebben hun kop in het zand gestoken. Ik hoop dat de omstandigheden redelijk zijn.’

‘Dat is wel te hopen, ja.’

‘En heb je gehoord dat Millicent Potter blind is geworden?’

‘Nee, dat wist ik niet,’ zegt Will.

‘Haar kind is in haar armen gestorven, gewond door granaatscherven. Haar man vertelde dat ze haar zoontje vasthield en plotseling niets meer kon zien. Haar zicht schijnt te komen en te gaan, maar nu is ze al een tijdje helemaal blind.’

‘Wat afschuwelijk.’

‘En Trudy?’ vraagt Hugh. ‘Ik neem aan dat zij hier helemaal buiten staat?’

‘Ja, ze is half Portugees, half Chinees, allebei gunstig op dit moment.’

‘Het is goed dat je straks iemand buiten de muren hebt. Ze kan je spullen en berichten brengen. Wij hebben onze amah en huisknecht gevraagd ons in de gaten te houden. Ik heb ze meer geld gegeven dan ze anders in hun hele leven gezien zouden hebben. En nu maar hopen dat ze er niet mee vandoor gaan. Wat moesten we anders?’ Hugh glimlacht vreugdeloos. ‘Ironisch, hè?’

Reggie Arbogast komt bij hen staan. ‘De situatie is heel slecht. Ze zijn in de Filippijnen en in heel Malakka en Birma aan de winnende hand. Ze krijgen te veel overwicht.’

Er komt een Japanse soldaat te paard aanrijden.

‘Rij!’ schreeuwt hij. ‘Eén rij. Geen Chinezen.’

De menigte aarzelt en komt als een amorfe massa in beweging. Net een kwal, als je het uit de lucht zou zien, denkt Will. De groep golft en bolt op als een onzeker zeedier.

‘Eén rij! Geen Chinezen!’ schreeuwt de soldaat opnieuw, deze keer harder. Hij laat het paard om hen heen galopperen en zwaait met zijn zwaard boven zijn hoofd. De Aziaten in het gezelschap bewegen zich naar de zijkant, zodat de rassen langzaamaan gescheiden raken.

‘Het is alsof hij ons samendrijft,’ zegt Hugh tegen Will. ‘Wij zijn het vee.’

Will denkt aan de kleding die hij draagt: een stevige katoenen broek, twee overhemden, een trui en een jack. Nu beseft hij opeens dat hij daar misschien lang mee moet doen. Hij is blij dat hij een brede riem om heeft. Het sterke leer en het metaal zullen hem misschien nog van nut zijn.

De soldaat keert om en rijdt weg. De mensen zwijgen. Een vrouw gaat op haar koffer zitten en barst in huilen uit. ‘Laat je niet zo gaan,’ zegt haar man. ‘Dit is nog maar het begin.’

Ze worden gegroepeerd naar nationaliteit en in ganzenmars afgemarcheerd. Will ziet de Amerikanen verdwijnen, en daarna de Nederlanders en de Belgen. De Britten moeten het langst wachten. Blijkbaar hebben de Japanners aan hen de grootste hekel.

Dan lopen ze urenlang door vrijwel onherkenbare straten. Er liggen brandende afvalhopen voor zwartgeblakerde gebouwen en er hangt een overweldigende stank van rottende lijken en menselijke uitwerpselen. Ook de vrouwen en kinderen maken deze tocht. Baby’s huilen. Langs de wegen staat de plaatselijke bevolking zwijgend te kijken naar het onwaarschijnlijke tafereel van westerlingen die worden weggevoerd door Aziaten. Sommigen spugen de gevangenen voor de voeten, maar de meesten kijken slechts toe. Will ziet opluchting op hun gezicht, opluchting dat zij deze keer in elk geval niet het slachtoffer zijn. In de ogen van sommige ouderen staat ook medeleven te lezen. In de stoet is er één dappere ziel die het waagt het ‘Hail Britannia’ aan te heffen, maar zijn stem sterft weg onder de dreigende blik van een soldaat, die zijn pas inhoudt totdat hij gevaarlijk dicht naast de zanger loopt. Dan is het weer stil, een stilte die alleen wordt verbroken door het geluid van voetstappen en de zware ademhaling van de overwonnenen.

Ze worden samengedreven in het Nam Ping Hotel, dat kort daarvoor duidelijk nog als bordeel dienst heeft gedaan. De lobby is haveloos en vervuild; de rode verf bladdert af en er hangen borden met opzichtige gouden Chinese karakters erop.

Om te beginnen moeten ze hun horloges en al hun sieraden afdoen en in een grote jutezak stoppen. Daarna gebaart een Japanse soldaat met zijn geweer naar de trap om aan te geven dat ze naar boven moeten.

De kamers zijn piepklein en de situatie wordt onaangenaam als sommigen haastig een eigen ruimte proberen op te eisen. Even later beseffen ze dat het niet uitmaakt hoe snel ze zijn, ze zullen toch met zijn vieren of vijven in een kamer worden gepropt. De gepleisterde muren zijn bobbelig van het vocht en de schimmel, en bij de minste trilling vallen er schilfers van het plafond. Er staan ijzeren bedden met flinterdunne matrassen en Chinese gewatteerde dekens, mintoi, met grote koperkleurige vlekken erin. Enorme kakkerlakken schieten haastig weg, geschrokken van de plotselinge invasie, en de vloer voelt klam en plakkerig aan. Het is een chaos. De mensen eisen toiletpapier, handdoeken en schoon water zonder te weten dat er niemand is die hun die dingen zal bezorgen. Sommigen lijken niet te beseffen dat de tijd van amahs en chauffeurs voorbij is. De toiletten raken bijna meteen verstopt en in de gangen hangt een afschuwelijke stank. Will en Hugh stellen schoonmaakteams samen. Sommigen weigeren daaraan mee te werken of komen gewoon niet opdagen. Will zegt tegen de anderen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken omdat er binnenkort werk in overvloed zal zijn voor iedereen en ieder zijn aandeel zal moeten leveren. De Japanners bemoeien zich nergens mee. Sommigen kijken geamuseerd naar de chaos en anderen slaan er totaal geen acht op en nemen er hun gemak van, nadat ze Chinese kinderen eropuit hebben gestuurd om bier en inktvis voor hen te halen.

De eerste avond is er niets te eten. De gevangenen gaan met een lege maag naar bed, en in de kamers klinkt het zachte gehuil van kinderen en de amechtige ademhaling van hun ouders. Will steekt zijn handen onder zijn armen, luistert naar het gesnurk van Ned – een vreemd, onregelmatig, blaffend geluid – en vraagt zich af wat Trudy op dat moment doet.

Zo ondervindt hij dat niet tandpoeder een eerste levensbehoefte is, maar eten. ’s Avonds zetten de Japanners een kuip met waterige rijst neer, en een te klein aantal beschadigde kommen met lepels. Daarbij krijgen ze een beetje bedorven gekookt vlees en wat rottende groenten die in bruin vocht drijven. De eerste keer weigeren sommige vrouwen ervan te eten. De avond erna neemt iedereen zijn deel. Ze vragen Chinese voorbijgangers eten te kopen voor munten die ze vanaf het balkon naar beneden gooien, maar dat is op zijn best een onzekere aangelegenheid want sommigen verdwijnen met het geld en komen nooit meer terug. Degenen die het geluk hebben dat hun amah of huisknecht hen heeft gevolgd, gooien geld naar beneden en krijgen er vis en groenten voor terug.

De dagelijkse gang van zaken in het hotel staat onder leiding van een luitenant, Ueki, een kleine man met een rond brilletje en een snor. Hij is ondoorgrondelijk, zoals Will ontdekt als hij wordt uitverkozen om met de leiding te praten over de leefomstandigheden en het eten. Het is een eigenaardig gesprek, gespannen en overdreven beleefd.

Ueki heeft zich het kantoortje van de hotelmanager achter de receptie toegeëigend en zit achter een metalen bureau met een aangebroken fles whisky erop, en een asbak met een smeulende sigaret. Ondanks de langzaam ronddraaiende plafondventilator staat het er blauw van de rook.

Will maakt een buiging omdat hij vermoedt dat dat zo hoort. Ueki knikt hem kort toe.

‘Er zijn een paar kwesties die ik graag onder uw aandacht wil brengen,’ zegt Will.

‘Spreek,’ zegt de man.

‘De toiletten moeten worden schoongemaakt en daar hebben we materiaal voor nodig. Kunt u ons toiletborstels en bleekpoeder bezorgen? En een ontstopper zou ook heel nuttig zijn.’

‘Ik zal zien wat ik kan doen.’

‘En mevrouw Aitken is acht maanden zwanger en heeft het heel moeilijk. Zouden we een bed voor haar kunnen vinden? Ze deelt nu een bed met twee andere mensen. Alle anderen slapen ook met zijn tweeën of drieën in een bed.’ Afgezien van de corpulente Australische secretaresse die weigert haar bed af te staan, maar dat vertelt Will maar niet.

‘Goed,’ zo doet Ueki het verzoek af, en Will weet niet of hij ja of nee bedoelt.

‘En het eten…’ Will aarzelt.

‘Ja?’

‘Het eten is niet toereikend.’

De kleine luitenant neemt Will aandachtig op.

‘Jij wil roken?’ Hij houdt Will een smalle zilveren sigarettenkoker voor, waarschijnlijk net geroofd van een van Trudy’s vrienden.

Will neemt een sigaret en buigt zich naar voren, zodat Ueki hem vuur kan geven.

‘Weet je waar ik het Engels heb geleerd?’

‘Nee, maar u spreekt het heel goed.’ Will houdt zichzelf voor dat hij niet kruiperig is, geen hielenlikker, alleen maar eerlijk.

‘Engelse zendeling naar Japan gekomen, heeft me drie jaar lesgegeven.’

‘Zendelingen verrichten veel goed werk,’ is Wills – naar zijn eigen mening idiote – reactie.

‘Hij was goed mens. Voor hem probeer ik je te helpen.’

Will bedankt de man en blijft nog even zitten voordat hij beseft dat het de bedoeling is dat hij vertrekt. Als hij opstaat, bedankt hij de luitenant nogmaals.

Het gesprek levert niets op.

Op deze onwaarschijnlijke plek, in dit vroegere bordeel, wisselen de gedetineerden informatie en verhalen uit over wat er in de dagen voor hun gevangenschap is gebeurd. Tijd hebben ze in overvloed, dus komen ze bijeen en vertellen elkaar verhalen in een poging de laatste, chaotische dagen voor de overgave samen te vatten tot een coherent geheel.

Regina Arbogast, een vrouw met fijne gelaatstrekken die zich in de hoogste kringen bewoog en in een riksja op de paradeplaats arriveerde met zeven hutkoffers, waarvan ze er zes door haar bedienden weer naar huis moest laten brengen, heeft talloze verhalen van wreedheden die haarzelf niet zijn overkomen maar vrienden van vrienden van mensen die ze kent. Ze heeft overal een mening over en verkondigt die vol verontwaardiging.

‘De Chinezen hebben het eigenlijk het zwaarst te verduren. Ze zijn weerloos, zonder een behoorlijk bestuur om hen te beschermen. Ze zijn zo lang onder onze hoede geweest dat ze niet weten wat ze moeten beginnen. Alle meisjes zijn verkracht, terwijl de Japanners de Engelse vrouwen niet durven aan te raken. Ze weten dat hun dat uiteindelijk duur zal komen te staan.’

Regina had haar intrek genomen bij haar vriendin May Gibbons, waar ze nogal een luxeleventje leidde totdat ze werden overvallen door Chinese gangsters, die hen vastbonden en het huis leegroofden. Ze praat voortdurend over de juwelen die ze is kwijtgeraakt en dat ze die nooit meer zal kunnen vervangen. Als ze de anderen daar weer eens zeer langdurig over heeft doorgezaagd, barst haar man – een succesvol importeur en zakenman – in woede uit.

‘Jezus, Regina, hou nou eens je mond en gun ons wat rust. Als dit allemaal voorbij is, koop ik alle juwelen in China voor je.’

Ze werpt haar man een onheilspellende blik toe en vertelt haar vriendin, Patricia Watson, op fluistertoon hoe moeilijk ze het heeft gehad en hoe onmogelijk Reggie zich al die tijd heeft gedragen. Patricia glimlacht en kijkt tevreden. Bij toeval heeft zij haar kostbaarheden in het hotel kunnen behouden: ze had ze aan haar voeten op de vloer gelegd, en de Japanner had geweigerd te bukken om ze op te rapen en had niet de moeite genomen het haar op te dragen.

Mary Cox, een jonge vrouw, vertelt dat haar man door Japanse soldaten is gedwongen een straat schoon te maken nadat er lijken door waren gesleept waar lichaamsdelen vanaf waren gevallen. Die moesten worden weggehaald voordat ze het drinkwater zouden besmetten en ziektes zouden veroorzaken. Toen hij thuiskwam, zat hij onder het bloed en stukjes rottend vlees, en liet hij zich huilend en uitgeput op de sofa vallen. De volgende ochtend was hij verdwenen. Daarna heeft ze hem niet meer gezien. Ze heeft een zoontje van twee, Tobias, die haar overal volgt; met één hand houdt hij zijn moeder vast en in de andere klemt hij een speelgoedvliegtuigje. Sinds kerst heeft hij niet meer gepraat, vertelt ze. En dan is er een man, uitgemergeld van de zorgen, die vertelt dat hij met zijn vrouw door Carnavon Street liep toen zij door een paar soldaten werd gegrepen. Ze hielden hem onder schot terwijl zij werd meegevoerd. Ook hij heeft haar niet meer gezien. ‘En ik dacht nog wel dat de Japanners de vredelievendste, rustigste mensen waren die je je kon voorstellen, met hun schilderijen van bloeiende kersenbomen en hun uitgebreide theeceremonie,’ zegt hij. ‘Hoe kunnen ze zo onmenselijk zijn?’

‘Een soldaat is maar één aspect van een natie,’ zegt Hugh. ‘Zeker niet representatief voor een heel volk. En in een oorlog veranderen we allemaal.’

‘Hoe kún je dat zeggen?’ roept Regina Arbogast uit. ‘Voor zover ik heb gezien zijn ze allemaal even sadistisch. Het is ondenkbaar dat een Brits soldaat zich zou gedragen zoals die beesten doen.’

‘Oké, je hebt gelijk,’ zegt Hugh om een einde aan de discussie te maken.

De volgende dag komt Mickey Wallace de lobby binnen, waar enkele anderen lusteloos rondhangen. Hij bloedt uit zijn oren en zijn ogen beginnen al op te zwellen en blauw te worden. Hij stond op het dak naar beneden te kijken toen een paar Japanse soldaten hem in de gaten kregen. Ze zijn naar boven gestormd en hebben hem tot bloedens toe geslagen, want niemand mag neerkijken op een Japanner. Alleen Japanners mogen op anderen neerkijken. De eigenaardige preoccupatie die ze – vanwege hun doorgaans korte gestalte – hebben met de vraag waar mensen zich bevinden en dan vooral op welke hoogte, raakt zo ingesleten bij alle gevangenen dat die er vele jaren na de oorlog nog steeds automatisch op zullen letten wie in een gezelschap de hoogste positie inneemt en wie de laagste.

Door de willekeurige wreedheden raken ze allemaal op hun hoede. Een soldaat die dronken is en boos over zijn verlies bij het gokken, geeft op weg naar zijn post een klein kind een klap. Het jongetje heeft een gebroken neus en is drie tanden kwijt. Een jap van hogere rang zorgt ervoor dat het jongetje en zijn moeder stilletjes verdwijnen en ze worden nooit meer teruggezien. Weg is het bewijs. Als hij op een dag de trap op loopt, kijkt Will naar beneden, naar het steegje tussen het hotel en het gebouw ernaast. Hij ziet een lichaam met een deken eroverheen; er steekt alleen een bos blond haar onder vandaan, maar de afstand is te groot om te kunnen zien wie het is. Als hij beneden aankomt, is het lichaam verdwenen. Hij vraagt zich af of hij het zich heeft verbeeld, maar hij weet dat dat niet zo is. Op een andere dag komt Trotter naar hem toe en zegt op gedempte toon: ‘Ik vraag me af of ik gek aan het worden ben. Ik stond op het balkon te roken en ik zou zweren dat ik zag dat er in een steegje een man werd onthoofd door twee anderen.’ Zijn stem beeft, maar zijn gezicht staat kalm. ‘Ik zag de straal bloed en ik zag dat de man, die met zijn handen achter zijn rug gebonden op zijn knieën zat, vooroverviel. Ik zou het echt kunnen zweren. En toen ben ik weggegaan. Ik wilde niet zien hoe ze hem opruimden.’ Hoe kan een mens dat verdragen? Hoe zorg je ervoor dat je je verstand niet verliest?

Naast die grote beproevingen zijn er ook kleine. Een muggenplaag bijvoorbeeld, veroorzaakt door een gebrekkig rioleringssysteem. Het zijn de grootste muggen die Will ooit heeft gezien en hij zit onder de rode, dikke en pijnlijke bulten. Als hij de muggen doodslaat barsten ze uiteen in rode bloedspatten, het bloed dat ze uit hun vele slachtoffers hebben gezogen. Er kruipt ongedierte in hun dunne matrassen, en dat proberen ze met weinig succes te bestrijden door de ijzeren poten van de bedden in kommetjes met water en kamfer te zetten. En er zijn meer ongemakken. Snuitkevers in de rijst. Stinkend, warm water dat ze met hun neus dicht moeten drinken. De diarree die ze van dat water krijgen, totdat ze wat blikjes hebben verzameld waarin ze het water eerst koken. De verbrande tong die ze oplopen door het net gesteriliseerde water direct van het vuur af te drinken, omdat ze zo’n dorst hebben dat een verbrande tong een onbelangrijk detail lijkt.

En als ze door de vuile ramen naar buiten kijken, zien ze dronken Japanse soldaten, overeind gehouden door Chinese prostituees, kotsen op de trottoirs als ze hun overwinning hebben gevierd. Soms wordt er een ongelukkige koelie bij gesleept om de rommel op te ruimen, maar meestal blijft het op straat liggen rotten. Will is blij dat het geen hartje zomer is, want dan zou de stank tienmaal zo erg zijn.

Hij weet niet meer hoe het is om frisse lucht te ruiken, want er hangt voortdurend een zware, weeïge geur van urine en ontlasting in zijn neus. Zijn huid, zijn haar en zijn vingers zijn doortrokken van een poeplucht, hoe grondig hij zich ook wast. Hij heeft met zijn handen de gladde binnenkant van een toiletpot gevoeld, in pogingen het dikke, stinkende mengsel van braaksel, urine en ontlasting doorgespoeld te krijgen. Het rioleringssysteem is niet afgestemd op vijfhonderd steeds zieker wordende geïnterneerden – en dat is wat ze zijn, of ze voorheen nu bankier of jurist waren – die leven op rijst met ongedierte en bedorven water. De bewakers zijn hardvochtig, op één na. Die ene is een jongen met een breed, kalm gezicht in een soldatenuniform, die voortdurend verontschuldigend glimlacht. Als zijn collega’s de gevangenen slaan of prikken met hun bajonetten, slaat hij zijn ogen neer. Hij spreekt een paar woordjes Engels, maar alleen als er geen landgenoten van hem in de buurt zijn.

Trudy komt nooit, terwijl familie of vrienden van anderen wel een manier vinden om langs te komen en een boodschap achter te laten. Hij merkt dat hij haar naam tegen iedereen noemt, dat hij haar in elk gesprek binnensmokkelt, alsof het noemen van haar naam ervoor kan zorgen dat ze blijft leven in zijn geest. Haar jasmijngeur is alleen nog maar een verre herinnering, want het oproepen van een geur gaat mensen moeilijk af. In bed ligt hij voortdurend te draaien, want hij is niet gewend aan een krappe ruimte en aan de afwezigheid van haar warmte. Hij is niet boos op haar, nog niet. Wie weet wat er buiten de muren gebeurt.

Ned begint door te draaien. De jonge soldaat is ver van huis, ver van enige vorm van liefde of troost. Hij praat niet meer en eet heel weinig. Zijn gezicht is bleek en opgezet. Will probeert hem over te halen wat actiever te zijn, maar hij trekt zich elke dag verder terug.

De meesten wennen echter verbazend snel aan de nieuwe situatie. De mens vervalt snel in een routine. Het is alsof ze al maanden geïnterneerd zijn, in plaats van een week. Succesvolle zakenlieden sloffen rond met hun onderhemd uit hun broek; hun chique pakken zijn ingepakt. Dames uit de hogere kringen doen zij aan zij met onderwijzeressen en winkeliersters de was. Er ontstaat een zwarte markt. Aangezien sommigen veel geld hebben, richten Arbogast en Trotter een fonds op waarmee voedsel voor iedereen wordt gekocht. Iedereen draagt bij wat hij wil en met het geld kopen ze Russisch roggebrood (voor zes Hongkongse dollar per half pond), poedermelk, sojabonen, wortelen en soms boter, die ze dan heel dun op brood smeren, waarna ze hun sneetjes traag opeten om extra lang te kunnen genieten van het kostbare vet in hun mond. De etenswaren worden door Chinese jongetjes naar binnen gesmokkeld, maar die moeten wel langs de Japanse bewakers zien te komen, en zij weten precies wat er gebeurt en houden van de karige levensmiddelen achter wat ze willen. ‘Belasting,’ zegt een van hen telkens weer, en dan lacht hij om zijn flauwe grapje. Hij heeft de gewoonte bijna de helft achter te houden.

‘Ik vind eigenlijk dat het onder zoveel mensen wordt verdeeld dat niemand er echt van kan genieten,’ zegt Trotters vrouw misnoegd tegen Will. ‘Zou het geen beter idee zijn om een loterij te houden, zodat een van ons zijn buik eens rond kan eten?’

Will haalt zijn schouders op. Hij is niet van plan erop in te gaan. Het valt hem overigens wel op dat zij nog net zo mollig is als vroeger. Een paar vrouwen bieden zich aan als vrijwilliger om te koken. Een van hen is Mary, de moeder van de zwijgende Tobias, de vrouw die haar man niet meer heeft teruggezien. Ze is lief en stil en maakt geen gebruik van haar werk in de keuken om extra voedsel voor zichzelf en haar zoontje te pakken, hoewel Will het haar niet eens kwalijk zou nemen. De kookmeisjes, zoals ze zichzelf noemen, verzinnen de verrassendste gerechten: sandwiches van roggebrood met broccoli en oestersaus, stoofpotten van verdunde gecondenseerde melk met pruimen, en groente met eieren. Ze zijn erin geslaagd een kooktoestel te bemachtigen en ’s avonds zitten ze dicht bij elkaar rond de blauwe vlam waarop het eten staat te pruttelen.

Verbazingwekkend genoeg gaat alles op den duur gewoon lijken. Als ze uit de buurt van de bewakers blijven, worden ze over het algemeen met rust gelaten, want die hebben het druk met drinken en speuren naar vrouwen of spullen die ze kunnen stelen. Er doen voortdurend geruchten over een aanstaande verhuizing de ronde. Sommigen denken dat ze onmiddellijk gerepatrieerd zullen worden. Anderen, met meer realiteitszin, hopen dat ze naar een wat comfortabeler plek zullen worden gebracht om de oorlog uit te zitten. Maar ook zij denken dat het een kwestie van dagen of weken zal zijn voordat het allemaal voorbij is.