Juni 1952
Claire werd elke nacht op dezelfde tijd wakker. Om acht minuten voor halfvier. Ze wist het zo langzamerhand zonder op de klok te kijken. En nadat ze wakker was geschrokken, keek ze elke nacht naar de logge gestalte van haar slapende echtgenoot terwijl ze bijkwam van de schok van het ontwaken. Zijn borst ging gelijkmatig op en neer en hij snurkte zacht. Hij dronk elke avond een paar biertjes en sliep daardoor diep. Ze ging zitten en klapte tweemaal hard in haar vlakke handen, een geluid alsof er in het donker twee schoten werden gelost. Martin ging anders liggen en ademde weer vrij. Dat trucje was een van de weinige dingen die haar moeder haar over het huwelijksleven had verteld. De klok wees nu zeven voor halfvier aan.
Ze probeerde weer in slaap te vallen. Het was haar een paar keer gelukt weer in te slapen voordat haar lichaam te wakker was geworden. Ze lag op haar rug, haalde rustig adem en was zich bewust van het klamme linnen laken onder zich en de lichte katoenen deken over zich heen. De atmosfeer was zo vochtig dat ze alleen een dunne katoenen nachtjapon kon verdragen, en zelfs die werd na een dag of twee plakkerig. Ze moest een nieuwe ventilator kopen. De oude was de week tevoren ratelend tot stilstand gekomen, bedekt met een mossige laag schimmel. Een ventilator, en ook nog wat elektriciteitssnoer. En gloeilampen. Ze mocht de gloeilampen niet vergeten. Ze ademde licht en hoorde het zachte geronk van Martin, die weer op stoom begon te komen. Moest ze die boodschappen opschrijven? Nee, ze zou ze wel onthouden, probeerde ze zichzelf wijs te maken. Maar ze wist dat ze toch uit bed zou gaan om ze op te schrijven – zodat ze ze niet zou vergeten en zich ook geen zorgen hoefde te maken dat ze dat zou doen –, en als ze eenmaal op was, zou ze niet meer kunnen slapen. Haar besluit was genomen. Ze stond zachtjes op en baande zich op de tast een weg uit de klamboe, waarbij ze een stilzittende mug verstoorde, die boos in haar oor zoemde voordat hij wegvloog. Het schrijfblok lag op een tafeltje naast het bed, en ze schreef haar lijstje.
Maar dat was niet de werkelijke reden dat ze was opgestaan. Ze stak haar hand diep in de ladekast en tastte voorzichtig naar de tas. Het was een linnen tas die ze gratis had gekregen op een marktje, en hij was groot en vol. Ze trok hem geluidloos uit de la.
Ze liep naar de badkamer en deed daar het licht aan. Het bad stond vol water. Het had al een paar maanden niet geregend en het water was op rantsoen. Elke avond tussen vijf en zeven uur, als er water was, liet Yu Ling het bad vollopen zodat ze water hadden voor de volgende dag.
Claire zette de tas neer, schepte met een emmer wat water uit het bad en doopte er een washandje in om haar gezicht te wassen. Toen ging ze op de koele tegelvloer zitten en trok haar nachtjapon omhoog zodat ze de tas tussen haar benen kon zetten.
Ze kiepte hem leeg.
Er lagen meer dan dertig voorwerpen verleidelijk te glanzen. Meer dan dertig dure kettingen, sjaaltjes, beeldjes en parfumflesjes. Ze zagen er bijna smakeloos uit, zo op één hoop op de witte tegels in het harde licht van de badkamer, dus legde Claire een handdoek neer en stalde alles erop uit zodat er om elk voorwerp een paar centimeter ruimte was en ze niet meer op de kale grond lagen. Zo, nu kon je zien dat het dure spullen waren. Er lag een brede ring van prachtig bewerkt goud met een steen die eruitzag als een turkoois. Ze schoof hem om haar vinger. En er lag een zakdoekje, zo dun dat ze het bleke roze van haar handpalm erdoorheen kon zien. Ze sproeide er wat parfum op uit een rond flesje; het heette Jazz. Er stond een tekening op van twee dansende vrouwen in jarentwintigjurken. Ze wapperde met het geparfumeerde zakdoekje. Jasmijn. Te zwaar. Ze fatsoeneerde haar haar met de kam van schildpad, wreef haar handen in met Franse handlotion en stiftte zorgvuldig haar lippen. Daarna deed ze zware gouden oorbellen in en knoopte een sjaal om haar hoofd. Ze stond voor de spiegel. De vrouw die haar aankeek was verzorgd en mondain, een vrouw die over de wereld reisde en verstand had van kunst, boeken en zeiljachten.
Ze wilde iemand anders worden. Haar oude ik vond ze maar provinciaal en onwetend. Ze was naar een feest in het gouverneurshuis geweest en had champagne gedronken bij Gripps terwijl ze kennissen zag rondwervelen in zijden jurken. Ze stond met haar neus tegen een raam gedrukt en keek naar een andere wereld, een wereld waarvan ze nooit had geweten dat die bestond. Ze kon het niet onder woorden brengen, maar ze had het gevoel dat ze op het punt stond zichtbaar te worden, alsof er een andere Claire in haar zat die stond te dringen om naar buiten te komen. In die paar uur ’s ochtends vroeg, als ze de opschik van een ander droeg, kon ze fantaseren dat ze erbij hoorde, dat ze in Colombo had gewoond, kikkerbilletjes had gegeten in Frankrijk, of in Delhi in het gezelschap van een maharadja op een olifant had gereden.
Om zeven uur, nadat ze een kop thee had gezet en wat toast met boter had gegeten, ging ze terug naar de slaapkamer. Ze stond naast haar slapende echtgenoot.
‘Wakker worden,’ zei ze zachtjes.
Hij bewoog zich en draaide zich met zijn gezicht naar haar toe.
‘Koekoek,’ zei ze wat harder.
‘Gefeliciteerd, lieverd,’ zei hij slaperig. Hij richtte zich op één elleboog op en gaf haar een kus. Zijn adem rook zuur, maar niet onaangenaam.
Claire werd vandaag achtentwintig.
Het was een zaterdag aan het begin van de zomer. De ochtenden waren nog niet al te heet; een briesje bood nog wat verkoeling voordat de warme middag aanbrak en de hoeden en ventilators in stelling moesten worden gebracht. Martin werkte op zaterdagochtend, maar daarna was er een feestje bij de Arbogasts op de Peak. Reginald Arbogast was een zeer succesvol zakenman, die er eer in stelde werkelijk álle Engelsen in de kolonie uit te nodigen voor zijn feestjes. Die stonden bekend om zijn kwistige hand van schenken en het overvloedige eten.
‘Ik zie je om één uur bij de kabelbaan,’ zei Martin tegen haar.
Om één uur stond Claire bij het station van de kabelbaan te wachten. Ze had een nieuwe jurk van witte popeline aan. Meneer Hao, de kleermaker, had hem gemaakt naar een Parijs model en had hem net de vorige dag afgeleverd. Hij had een atelier in Causeway Bay, was niet duur en kwam haar thuis de maat nemen. Hij vroeg acht Hongkongse dollars voor een jurk, en deze was heel leuk geworden. Ze had een vleugje Jazz gebruikt, hoewel ze het nog steeds sterk vond ruiken. Ze had een paar druppeltjes opgebracht en er daarna water overheen gewreven om de geur af te zwakken. Om tien over één kwam Martin door de deuren van het station en gaf haar een kus.
‘Je ziet er mooi uit,’ zei hij. ‘Nieuwe jurk?’
‘Mm-hm,’ antwoordde ze.
Ze namen de kabeltram de berg op, een steile, soms bijna verticale rit. Ze hielden zich vast aan de leuning, bogen zich naar voren en keken naar buiten. Bij sommige huizen in de Mid-Levels waren de gordijnen open, zodat ze naar binnen konden kijken en tafels met kranten en vuile glazen erop zagen.
‘Ik zou denken dat je je huis een beetje netjes achterlaat als je weet dat er de hele dag mensen vanuit de kabeltram bij je naar binnen kijken, jij niet?’ zei Claire.
Bovenaan zagen ze dat de Arbogasts riksja’s hadden ingehuurd om hun gasten van het station naar hun huis te brengen. Claire stapte in.
‘Ik heb altijd met die mannen te doen,’ zei ze zachtjes tegen Martin. ‘Hier hebben we toch muildieren en paarden voor? Maar het is ongetwijfeld een van die typisch Hongkongse gebruiken.’
‘Het is een feit dat mankracht hier vaak minder kost,’ zei Martin. Claire onderdrukte haar ergernis. Martin was altijd zo nuchter.
De man tilde grommend de disselbomen op. Ze kwamen in beweging en Claire installeerde zich op het ongemakkelijke bankje. De begroeiing om hen heen was overweldigend: tropische bomen met dicht gebladerte dat droop als je eraan krabde, bougainville en allerlei andere soorten bloeiende struiken, de hellingen stonden er vol mee. Soms had ze het gevoel dat Hongkong té levend was. Het leek zich niet te kunnen bedwingen: overal kropen insecten rond, in de heuvels wemelde het van de wilde honden, en muggen plantten zich in een razend tempo voort. Er waren wegen aangelegd op de hellingen en er schoten gebouwen uit de grond, maar de natuur liet zich niet inperken. Er waren altijd bezwete arbeiders met ontbloot bovenlijf aan het inhakken op het groen, dat in de nacht leek op te rukken. Het was natuurlijk India niet, maar het leek in niets op Engeland. De riksjatrekker liep te zwoegen en te zweten. Zijn overhemd was dun en grauw.
‘Het schijnt dat de Arbogasts het huis na de oorlog enorm hebben opgeknapt,’ zei Martin. ‘Smythson heeft me verteld dat de Japanners alleen de muren hadden laten staan, en dat nog niet eens helemaal. Het was van de agent van Bayer geweest, Thorpe, maar die is na de oorlog gerepatrieerd en nooit meer teruggekomen. Hij heeft het voor een appel en een ei verkocht. Hij had er zijn buik van vol.’
‘Zoals de mensen hier vóór de oorlog leefden,’ zei Claire. ‘Zo verfijnd.’
‘Arbogast heeft zijn hand verloren in de oorlog. Nu heeft hij een haak. Ze zeggen dat hij nogal gevoelig is op dat punt, dus probeer er maar niet naar te kijken.’
‘Ik zal eraan denken,’ zei Claire.
Toen ze binnenkwamen, was het feest al in volle gang. Deuren gaven toegang tot een grote ontvangstruimte die uitkwam op een ruime salon. Daar stonden de tuindeuren open, en over het gazon heen had je een weids, magnifiek uitzicht op de lager gelegen haven. Een violist stond energiek te spelen, begeleid door een pianist. Het huis was ingericht zoals Engelsen in de Oriënt dat deden, met Perzische tapijten en hier en daar een houten Chinese tafel met Birmaanse zilveren schalen en andere exotische voorwerpen erop. Vrouwen in dunne katoenen jurken bogen zich naar elkaar toe en mannen in safaripakken of blazers stonden met hun handen in hun zakken. Daartussendoor schoten bedienden die bladen met Pimm’s en champagne op één hand in evenwicht hielden.
‘Waarom doet hij dit?’ vroeg Claire aan Martin. ‘De hele wereld uitnodigen, bedoel ik.’
‘Vroeger had hij niet veel, maar hier is hij rijk geworden en nu wil hij iets doen voor de gemeenschap. Dat is althans wat ik heb gehoord.’
‘Hallo hallo,’ zei mevrouw Arbogast, die de gasten in de hal begroette. Ze was een slanke, elegante vrouw met scherpe trekken. In haar oren bungelden glinsterende oorringen.
‘Heel vriendelijk van u om ons uit te nodigen,’ zei Martin. ‘Een grote eer.’
‘Ik ken u niet, maar misschien hebben we later nog het genoegen.’ Ze wendde zich af en keek uit naar de volgende gast. Claire en Martin konden gaan.
‘Iets te drinken?’ vroeg Martin.
‘Graag,’ zei Claire.
Ze zag een kennis, Amelia, en liep naar haar toe. Te laat pas zag ze dat mevrouw Pinter ook in het kringetje stond, gedeeltelijk verborgen achter een potplant. Ze probeerden allemaal mevrouw Pinter te ontlopen. Claire was al eens eerder door haar in een hoek gedreven en had toen een verschrikkelijk halfuur lang moeten luisteren naar een verhaal over mierenkolonies. Ze probeerde altijd aardig te zijn tegen oude mensen, maar er waren grenzen. Tegenwoordig was de oude vrouw bezeten van het idee een Esperantovereniging op te richten en had ze de gewoonte onwetende nieuwkomers bij haar steeds gecompliceerdere en idiotere plannen te betrekken. Ze was ervan overtuigd dat een universele taal de oorlog had kunnen voorkomen.
‘Ik denk erover een butler te nemen,’ zei mevrouw Pinter nu. ‘Zo’n Chinese jongeman zou het met wat oefening best goed kunnen doen.’
‘Gaat u hem dan Esperanto leren?’ vroeg Amelia plagend.
‘Dat moeten we iedereen leren, behalve de communisten,’ antwoordde mevrouw Pinter onverstoorbaar.
‘Al die vluchtelingen, is het niet vreselijk?’ zei Marjorie Winter, de anderen negerend. Ze wuifde zichzelf koelte toe met een servet. Ze was een dikke vrouw met een vriendelijk gezicht, omlijst door piepkleine pijpenkrulletjes.
‘Ze komen met duizenden binnen, heb ik gehoord,’ zei Claire.
‘Ik ben een comité aan het opzetten om de vluchtelingen te helpen,’ vertelde Marjorie. ‘Die arme Chinezen die als opgejaagde beesten over de grens stromen, op de vlucht voor die afschuwelijke regering. Ze leven onder de meest verschrikkelijke omstandigheden. Je moet je aanmelden als vrijwilligster! Ik heb al kantoorruimte gehuurd.’
‘Weet je nog, in 1950?’ zei Amelia. ‘Sommige mensen hier hielden er bijna een hotel op na, zoveel gevluchte familie en vrienden hadden ze in huis. En dan had je het alleen nog over de welgestelden, die de reis konden betalen. Het was heel erg.’
‘Waarom gaan ze weg?’ vroeg Claire. ‘Waar willen ze naartoe?’
‘Dat is nou juist het punt, kind,’ zei Marjorie. ‘Ze hebben geen plek om naartoe te gaan. Stel je eens voor hoe erg dat is. Daarom is mijn comité zo belangrijk.’
Amelia ging zitten. ‘De Chinezen komen in de oorlog naar het zuiden, gaan terug naar het noorden en komen weer naar het zuiden. Het is niet meer bij te houden. Het zijn gewoon gigantische volksverhuizingen. En dan al die dialecten. Ik geloof dat Mandarijn het lelijkst is, met al dat “wer” en “er” en die vreemde geluiden.’ Ze wuifde zich koelte toe. ‘Het is veel te warm om over een comité te praten. Ik sta altijd versteld van jouw energie, Marjorie.’
‘Jij hebt het altijd warm, Amelia,’ zei Marjorie zonder medeleven.
Amelia had het altijd warm, of koud, of voelde zich niet helemaal lekker. Ze was fysiek niet geschikt voor het leven buiten Engeland, wat ironisch was, aangezien ze daar al zo’n dertig jaar niet meer had gewoond. Ze had haar comfort nodig en als ze dat moest missen leed ze zeer, en niet in stilte. Haar man Angus en zij waren al voor de oorlog naar Hongkong gekomen. Hij had haar vanuit India – dat ze verafschuwde – meegenomen naar Hongkong toen hij secretaris-generaal van het ministerie van Financiën was geworden, in 1938. Ze had zeer uitgesproken meningen en ging altijd tekeer over wat zij zag als de onuitstaanbare Engelse dames die Chinees wilden worden, die hun haar in een wrong met ivoren eetstokjes droegen, op elk feestje verschenen in een te strakke cheongsam en plaatselijke huisonderwijzers in dienst hadden zodat ze de bedienden konden toespreken in dat akelige Kantonees. Ze begreep niets van zulke vrouwen en waarschuwde Claire voortdurend dat ze ervoor moest waken zo te worden.
Amelia had Claire min of meer onder haar hoede genomen, haar aan mensen voorgesteld en uitgenodigd voor lunches, maar Claire voelde zich vaak slecht op haar gemak bij haar vanwege haar scherpe opmerkingen en vaak bijtende insinuaties. Toch klampte Claire zich aan haar vast, omdat Amelia haar kon helpen haar weg te vinden door de vreemde nieuwe wereld waarin ze terecht was gekomen. Ze wist dat haar moeder iemand als Amelia zou goedkeuren, ja, zelfs onder de indruk zou zijn van het feit dat Claire zulke mensen kende.
Boven het zachte geroezemoes van stemmen en het getinkel van glazen uit klonk het geluid van een tennisbal die buiten heen en weer werd geslagen. Claire’s groepje verplaatste zich naar een grote tent die achter het huis was opgezet.
‘Komen mensen hier speciaal naartoe om te tennissen?’ vroeg Claire.
‘Ja, en dat met dit weer, kun je het je voorstellen?’
‘Wat bijzonder dat ze een tennisbaan hebben,’ zei Claire verwonderd.
‘Wat bijzonder dat jij dat bijzonder vindt,’ reageerde Amelia plagerig.
Claire bloosde. ‘Ik heb gewoon nog nooit…’
‘Ik weet het, kind,’ zei Amelia. ‘Een simpel dorpsmeisje.’ Ze knipoogde om het venijn uit haar opmerking te halen.
‘Weet je wat Penelope Davies laatst heeft gedaan?’ vroeg Marjorie opeens. ‘Ze is met een tolk naar de tempel van Wong Tai Sin gegaan en heeft zich de toekomst laten voorspellen. Ze zei dat het frappant was hoeveel die oude vrouw wist!’
‘Wat enig,’ zei Amelia. ‘Dat ga ik ook eens proberen, en dan neem ik Wing mee. Claire, laten we samen gaan!’
‘Lijkt me leuk,’ zei Claire.
‘Heb je gehoord van dat kind in Malakka dat drie maanden lang de hik heeft gehad?’ vroeg Marjorie aan Martin, die met twee glazen in zijn handen bij hen was komen staan. ‘Het zoontje van de familie Briggs. Zijn vader is daar directeur van het elektriciteitsbedrijf. Zijn moeder werd bijna gek. Ze zijn naar een medicijnman gegaan, maar dat leverde niets op. Ze wisten niet of ze terug naar Engeland moesten gaan of maar simpelweg moesten vertrouwen op het lot.’
‘Kun je je voorstellen dat je langer dan een uur de hik hebt?’ vroeg Claire. ‘Ik zou gek worden! Dat arme kind.’
Martin ging op zijn hurken zitten om te praten met een klein jongetje dat was komen aanlopen.
‘Hallo,’ zei hij. ‘Hoe heet jij?’
‘Martin wil graag kinderen,’ zei Claire zachtjes tegen Amelia. Ondanks zichzelf merkte ze dat ze Amelia vaak in vertrouwen nam. Ze had niemand anders om mee te praten.
‘Dat willen alle mannen, kind,’ zei Amelia. ‘Je moet over het aantal onderhandelen voordat je aan het baren slaat, anders weten die mannen van geen ophouden. Ik heb gezorgd dat Angus akkoord ging met twee voordat we begonnen.’
‘O,’ zei Claire geschokt. ‘Dat lijkt me zo… onromantisch.’
‘Wat denk je dat het huwelijksleven is?’ vroeg Amelia. Ze trok een wenkbrauw op naar Claire. Die bloosde en excuseerde zich om naar het toilet te gaan.
Toen ze terugkwam, was Amelia even verderop in gesprek geraakt met een lange man die Claire nog nooit had gezien. Amelia wenkte haar. De man was een jaar of veertig en had een eenvoudige wandelstok die eruitzag alsof hij door een kind uit een stuk hout was gesneden. Hij had een scherp gesneden, knap gezicht en een wilde haardos, zwart met hier en daar wat grijs.
‘Ken je Will Truesdale?’ vroeg Amelia.
‘Nee, ik heb nog niet het genoegen gehad,’ zei ze terwijl ze haar hand uitstak.
‘Aangenaam,’ zei hij. Zijn hand was droog en koel, en leek daardoor bijna van papier te zijn.
‘Hij woont al tijden in Hongkong,’ zei Amelia. ‘Een oudgediende, net als wij.’
‘We zijn echte ouwe rotten,’ zei hij.
Plotseling keek hij Claire alert aan. ‘Wat een lekker parfum,’ zei hij. ‘Jasmijn, hè?’
‘Ja. Dank je.’
‘Ben je hier pas?’
‘Ja, nog maar een maand.’
‘Ik had nooit kunnen denken dat ik in de Oriënt zou gaan wonen, maar het is toch gebeurd.’
‘O, Claire, je hebt ook zo weinig fantasie,’ zei Amelia, terwijl ze naar een kelner gebaarde dat ze nog een drankje wilde.
Claire bloosde weer. Amelia was in vorm vandaag.
‘Ik ben dolblij iemand te ontmoeten die niet zo blasé is,’ zei Will. ‘Al die vrouwen zijn zo wereldwijs dat ik er doodmoe van word.’
Amelia had zich omgedraaid om haar glas aan te pakken en had hem niet gehoord. Er viel een stilte, maar dat vond Claire niet erg.
‘Claire is vandaag jarig,’ vertelde Amelia aan Will, toen ze zich weer had omgekeerd. Ze glimlachte, en er kleefde een beetje rode lipstick aan een van haar voortanden. ‘Ze is nog een jonkie.’
‘Wat leuk,’ zei hij. ‘We hebben hier meer jonkies nodig.’
Plotseling stak hij een hand uit en streek langzaam een losse haarstreng achter Claire’s oor. Een vertrouwelijk gebaar, alsof hij haar al heel lang kende.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij.
Amelia had het niet gezien, want ze keek net de kamer rond. ‘Wat mogen we je niet kwalijk nemen?’ vroeg ze afwezig.
‘Niets,’ zeiden de andere twee in koor. Claire keek naar de grond. Ze waren verenigd in hun gezamenlijke leugentje, en dat leek plotseling overweldigend intiem.
‘Wat zeggen jullie?’ vroeg Amelia ongeduldig. ‘Ik versta helemaal niets in deze herrie.’
‘Ik word achtentwintig,’ zei Claire zonder te weten waarom.
‘Ik ben drieënveertig,’ zei hij met een knikje. ‘Stokoud.’
Claire wist niet zeker of hij een grapje maakte.
‘Ik herinner me dat we jouw verjaardag hebben gevierd in Stanley,’ zei Amelia. ‘Wat een feest was dat!’
‘Ja, hè?’
‘Werk je nog steeds bij Melody en Victor?’ vroeg Amelia aan Will.
‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Het komt me momenteel wel goed uit.’
‘En het komt Victor ongetwijfeld goed uit dat hij door een Engelsman wordt rondgereden,’ antwoordde ze op insinuerende toon.
‘Ik geloof dat het iedereen goed bevalt,’ zei Will, die niet hapte.
Amelia boog zich vertrouwelijk naar hem toe. ‘Ik hoor dat er wordt gepraat over de Krooncollectie en hoe die tijdens de oorlog is verdwenen. Angus zegt dat er iets staat te gebeuren. Er is commotie over. Heb jij iets gehoord?’
‘Jawel.’
‘Ze willen uitzoeken wie de collaborateurs waren.’
‘Een beetje laat, vind je niet?’
Na een korte stilte, toen duidelijk was dat Will er niets meer over zou zeggen, vroeg Amelia: ‘De Chens behandelen je toch zeker wel goed?’
‘Ik mag niet klagen,’ zei hij.
‘Wel een beetje raar dat jij nu voor ze werkt, vind je niet?’
‘Amelia, je verveelt Claire.’
‘O, nee hoor,’ protesteerde Claire. ‘Ik ben alleen…’
‘Nou, dan verveel je mij,’ zei hij. ‘En daar is het leven te kort voor. Claire, heb je alle uithoeken van onze fraaie kolonie al gezien? En waar bevalt het je het best?’
‘Ik heb inderdaad al heel wat bekeken. Sheung Wan is gezellig – ik hou van de markten – en ik ben naar Tsim Sha Tsui in Kowloon geweest, met de Star Ferry natuurlijk, en daar heb ik alle winkels bekeken. Het is een levendige stad, hè?’
‘Hoor je dat, Amelia?’ zei Will. ‘Een Engelse die zich buiten Central en de Peak waagt. Je zou nog iets kunnen leren van deze nieuwkomer.’
Amelia sloeg haar ogen ten hemel. ‘Dat wordt ze snel genoeg zat. Ik heb zoveel van die enthousiaste nieuwelingen gezien, en uiteindelijk zitten ze allemaal thee met me te drinken in de damessociëteit en te klagen over hun amahs.’
‘Laat je niet te veel beïnvloeden door Amelia’s positieve houding, Claire,’ zei Will. ‘Hoe dan ook, het was aangenaam kennis met je te maken. Het beste in Hongkong.’ Hij knikte beleefd naar hen en liep weg. Ze voelde de warmte van zijn lichaam toen hij vlak langs haar kwam.
Claire voelde zich verloren. Hij had aangenomen dat ze elkaar niet meer zouden ontmoeten.
‘Vreemde man?’ zei ze. Het was eigenlijk meer een constatering dan een vraag.
‘Kind, je hebt geen idee,’ zei Amelia.
Claire keek hem onopvallend na. Ondanks zijn licht kreupele gang was hij naar de rand van de tennisbaan gelopen en daar stond hij te kijken hoe Peter Wickham en zijn zoon de bal oversloegen.
‘Hij is tegenwoordig heel serieus,’ zei Amelia. ‘Je kunt geen behoorlijk gesprek meer met hem voeren. Weet je dat hij voor de oorlog heel gezellig was? Je zag hem op alle feesten, hij had het mooiste meisje van de stad en een goede baan bij Asiatic Petrol, maar na de oorlog is hij nooit meer helemaal de oude geworden. Nu is hij chauffeur.’ Ze dempte haar stem. ‘Voor de Chens, om precies te zijn. Ken je die?’
‘Amelia!’ riep Claire uit. ‘Ik geef hun dochter pianoles! Dat heb jij nog voor me geregeld!’
‘O, jeetje. Het geheugen sneuvelt het eerst, zeggen ze. Ben je hem daar dan nooit tegengekomen?’
‘Nooit,’ zei Claire. ‘Hoewel de Chens wel een keer hebben geopperd dat hij me een lift zou kunnen geven.’
‘Arme Melody,’ zei Amelia. ‘Ze is heel kwetsbaar.’ Dat laatste zei ze op tactvolle toon.
‘Zeker.’ Claire herinnerde zich hoe Melody van haar cocktail had gedronken: snel en gretig.
‘Het punt met Will is…’ Amelia aarzelde. ‘Ik ben er vrij zeker van dat hij helemaal niet hoeft te werken.’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Claire.
‘Ik weet bepaalde dingen gewoon,’ antwoordde Amelia op geheimzinnige toon.
Claire vroeg niet verder. Dat plezier gunde ze Amelia niet.