2 juni 1953

Een geslaagd feest had een zekere glans. Glazen werden snel bijgevuld, er waren hapjes in overvloed, de bediening was geruisloos en efficiënt en de gasten genoten van het besef dat zij uitverkoren waren en dat vele anderen er ook graag bij hadden willen zijn, maar niet waren uitgenodigd.

Het kroningsfeestje van de Chens had een dergelijke glans, dat was al duidelijk toen Claire en Martin naar de voordeur liepen.

De oprijlaan naar het huis werd verlicht door kaarsen die in potjes met zand stonden. Mannen in uniform voerden de auto’s van de gasten snel af. Op de achtergrond klonk muziek; de Chens hadden een strijkkwartet ingehuurd dat in de hal speelde, drie transpirerende Chinese mannen in smoking en een klein vrouwtje dat een viool onder haar muizige kinnetje klemde. Ze maakten grote zaagbewegingen, zodat het eerder leek alsof ze zware arbeid aan het verrichten waren dan muziek aan het produceren.

De gastvrouw stond met een glas champagne in haar hand bij de deur, een droombeeld in een jurk die van zilver leek te zijn.

‘Hallo allemaal, hallo,’ zei Melody op zangerige toon. ‘Wat heerlijk om jullie te zien. Er is voor iedereen een scepter.’ Ze wees naar een kom waar stafjes in stonden. ‘Vandaag zijn we allemaal koningin.’

‘Wat ben je toch slecht!’ kraste een graatmagere blondine. ‘Elke dag een ander feest. Ik heb je deze week geloof ik al drie keer gezien. In het Garden Park Hotel, bij Maisies lunch en bij dat Italiaanse restaurantje in Causeway Bay. Met wie was je daar, akelige flirt? Het was een zeer aantrekkelijk heerschap.’

‘Een neef, uiteraard.’ Melody knipoogde. ‘Mijn familie is heel belangrijk voor me.’

‘Wat zijn we weer lekker onzin aan het kletsen!’ zei de blondine, en ze liep zwierig naar binnen.

Martin en Claire stonden naast elkaar te wachten.

‘Claire!’ zei Melody. ‘Wat fijn dat je kon komen.’

‘We zijn je heel dankbaar voor de uitnodiging,’ zei Martin. Claire merkte dat hij zich niet op zijn gemak voelde en dat vond ze plotseling ergerlijk.

‘Leuk je te zien, Melody,’ zei ze. ‘Wat een schitterend feest.’

Martin ging iets te drinken voor hen beiden halen en Claire stond in de woonkamer waar ze al zo vaak was geweest. Het was een heel andere kamer, zo vol pratende en lachende mensen.

‘Ik ken hier geen hond,’ zei Martin toen hij terugkwam. ‘Je gaat je wel afvragen waarom ze de pianolerares en haar man hebben uitgenodigd.’

‘Martin!’ zei Claire. ‘We hoeven ons echt niet minderwaardig te voelen.’

Maar Martin had gelijk. De andere gasten kenden elkaar allemaal en stonden niet open voor nieuwe gezichten. Claire en Martin stonden in een hoekje glimlachend van hun glazen te nippen en werden volkomen genegeerd.

Martin gaf het op en wandelde de tuin in om naar de bloemen te kijken, en naar het uitzicht over de haven. Claire bleef nog even in haar eentje staan en liep toen naar de schoorsteenmantel met de foto’s die ze al eens eerder had gezien.

Trudy was er nog, in haar zwempak, lachend naar de camera.

Vlak bij Claire stond een groepje van vier gasten te praten over hun laatste reisje naar Londen. Ze waren van het type dat hoeden met veren en zijden pakken draagt. Terwijl Claire af en toe een slokje uit haar glas nam, luisterde ze naar hun gesprek.

‘Maar het was vreselijk. Als je het Verre Oosten gewend bent, is de bediening ronduit waardeloos. Wat ze je durven voor te zetten is gewoon ongelooflijk – koud en niet te eten – en daar schamen ze zich totaal niet voor. Service is een begrip dat niet meer bestaat in Engeland. Er is geen lol aan. Ik ben veel liever hier, waar er nog eer wordt gesteld in een fatsoenlijke bediening.’

‘En Poppy zit nu toch in Londen? Het zou me niets verbazen als ze op dit moment in Westminster Abbey was.’

‘O, ze is verschrikkelijk. Ze heeft vast hemel en aarde bewogen om erbij te kunnen zijn. Ik vrees dat we al die verhalen moeten aanhoren als ze terug is.’

Claire schraapte haar keel. Een van de vrouwen, met rood haar en een weelderig figuur, wierp een blik over haar schouder en praatte toen verder.

Vanaf de plek waar Claire stond, keek ze de twee mannen in het gezicht en de twee vrouwen op de rug. Ze waren alle vier Engels. Claire had verwacht dat de Chens wat meer leden van de plaatselijke bevolking zouden hebben uitgenodigd.

‘Komt Su May vandaag?’ vroeg de roodharige vrouw aan de ander, die jonger was en kort blond haar had. De mannen liepen weg om iets te drinken te halen.

‘Ik denk het niet. Ik geloof dat Melody en zij ruzie hebben gehad.’

‘Heus waar? Vertel!’

‘Ach, het is steeds hetzelfde.’ De blondine dempte haar stem. ‘Melody is de laatste tijd gewoon onuitstaanbaar. Zo vergeetachtig en ongemanierd! Afgelopen donderdag gaf ik een lunch voor de Garden Club en ze heeft niet laten weten of ze kon komen, is niet komen opdagen en heeft er nooit meer een woord over gezegd! Ik weet niet wat er met haar aan de hand is.’

‘Victors onderscheiding is haar naar het hoofd gestegen!’

Nog gedempter: ‘Vind je het niet raar dat juist de oorspronkelijke bewoners hier zo anglofiel zijn?’

‘Ja, moet je eens om je heen kijken! We hadden net zo goed in hartje Londen kunnen zijn!’

‘Het is trouwens toch ongebruikelijk dat de mensen van hier gasten ontvangen in hun eigen huis. Ik geloof dat ik vandaag voor het eerst een Chinees huis vanbinnen zie.’

‘Victor wedt niet graag op één paard. Morgen geeft hij weer een feest, maar dan voor een heel ander gezelschap. Dat is niet hier maar op de club, en dan wordt er naderhand mahjong gespeeld.’

‘Met zijn eigen soort.’

‘Ik snap niet hoe Melody het met die man uithoudt. Charles zegt dat het de meest openlijk corrupte man is met wie hij ooit zaken heeft gedaan.’

‘Maar ik heb me toch zitten afvragen… Opium, zeggen ze…’

De twee vrouwen onderbraken hun gesprek toen er een derde vrouw langsliep en gedag zei. Ze doken met ritselende jurken in elkaars richting en zoenden elkaar met pikkende bewegingen vluchtig op de wangen.

‘Lavinia!’

‘Maude!’

‘Harriet!’

Claire liep onopvallend weg.

Later stond ze te praten met Annabel, een Amerikaanse uit Atlanta in Georgia met champagnekleurig geblondeerde plukjes in haar haar. Ze was in Hongkong met haar man, Peter, die bij het ministerie van Buitenlandse Zaken werkte.

‘En wat brengt jou in Hongkong?’ vroeg Annabel. Haar ogen straalden van de alcohol en haar haar was hoog opgestoken.

‘Mijn man werkt bij het ministerie van Watervoorziening,’ zei Claire.

‘Al die ministeries!’ schaterde Annabel. ‘Buitenlandse Zaken! Watervoorziening! Zorgen jullie wel dat er water door de leidingen blijft stromen?’

‘Eh, ja hoor,’ zei Claire. Amerikanen waren zo weinig vormelijk dat ze nooit wist wat ze tegen hen moest zeggen of hoe ze moest reageren op hun vreemde uitroepen.

‘En jij, hoe breng jij je tijd door? Heb je kinderen?’

‘Nee,’ zei Claire. ‘Jij wel?’

‘Ik heb er vier, allemaal onder de vijf jaar. Ze blijven maar komen en Peter kan me zo langzamerhand wel wurgen. Maar ik zeg tegen hem: “Hoor eens, ik heb ze niet in mijn eentje gemaakt, hoor.” Hier hebben we in elk geval al die amahs. Thuis is dat heel anders.’

‘Ben je al lang in Hongkong?’ vroeg Claire beleefd.

‘Drie jaar. Ik heb Jack hier gekregen. Goddank was dat een keizersnede…’ De vrouw ratelde verder, op gang gehouden door haar eigen drukke natuur, en Claire luisterde en was blij dat ze een excuus had om hier rustig te staan zonder zich opgelaten te voelen.

Later trof Martin haar toen ze stond te wachten voor het toilet.

‘Hallo,’ zei hij. ‘Zullen we zo gaan?’

Ze knikte. ‘Ik kom eraan.’

Ze schoot het toilet in en maakte bij de kraan haar gezicht nat. Ze had het gevoel dat er iets te gebeuren stond.

Nadat ze weer naar de kamer was gelopen, hoorde ze de roodharige en de blonde vrouw, Maude en Lavinia, over haar praten.

‘Wie was die vrouw die hier net rondsloop?’

‘Ik geloof dat ik Melody hoorde zeggen dat het Lockets pianolerares was.’

‘O ja?’

‘Best knap, vond je niet?’

‘Ja hoor, als je van flets en blond houdt.’

Een geluid alsof iemand een tik kreeg. ‘Wat ben je toch een kreng!’ Gelach.

‘Die huid doet ’t hem. Daar zijn mannen dol op.’

‘Ja, maar die verdwijnt jammer genoeg met de jaren. En aan die jonge meiden is hij niet besteed.’

Opeens was er opschudding bij de deur. Er was een dienstmeisje flauwgevallen van de hitte. De huisknecht werd geroepen en droeg haar weg.

‘Het is ook zo verrekte warm,’ zei een man met een platte strooien hoed op.

‘Zoals altijd,’ antwoordde een ander. ‘Wist je niet dat…’

Midden in dit zinledige gesprek kwam Will plotseling met grote stappen binnenlopen. Hij bleef voor de mannen staan, de eerste mensen die hij tegenkwam.

‘Hebben jullie het gehoord?’ vroeg hij, en hij keek geschokt. Hij praatte niet hard, maar iedereen hoorde hem. ‘Reggie Arbogast heeft zichzelf doodgeschoten.’

De twee mannen staarden hem aan.

‘De man die die feesten op de Peak gaf?’ riep Claire verbaasd uit voordat ze haar woorden kon inslikken. Ze had nog het simplistische idee dat je met geld geluk kon kopen. Een paar mensen draaiden zich om en staarden haar aan, maar de meeste keken nog geschrokken voor zich uit.

Daarna ging er een geroezemoes op.

‘Zijn arme vrouw.’

Met gedempte stem: ‘Regina? Het mag een wonder heten dat hij háár niet heeft doodgeschoten.’

‘En de kinderen?’

‘Die zijn allemaal in Engeland. Ze zullen wel een telegram krijgen. Wat een tragedie.’

‘Toen ik hem op de golfclub in Fanling zag, maakte hij een sombere indruk. Hij heeft maar negen holes gespeeld en ging toen meteen naar het clubhuis om iets te drinken. Later, toen ik klaar was en hem daar weer zag, was hij nogal aangeschoten.’

Will had echter een reden voor zijn bezoek. Hij keek zoekend om zich heen en liep toen naar Victor toe.

‘Smeerlap dat je d’r bent,’ zei hij, en hij haalde naar hem uit. ‘Jij hebt hem al die tijd in de waan gelaten dat zijn bekentenis cruciaal is geweest.’

Iedereen werd onmiddellijk stil.

Victor Chen wankelde achteruit, maar viel niet. Met zijn hand om zijn kaak richtte hij zich weer op en probeerde te glimlachen.

‘Nou nou, Will, je komt hier binnenstappen na je dagenlang niet te hebben vertoond en geeft me dan meteen een oplawaai? Mooie chauffeur ben jij!’

‘Kop dicht. Je bent een verachtelijk individu.’

De mensen om hen heen keken als aan de grond genageld toe, hoewel de etiquette voorschreef dat ze vertrokken. Enkelen, beschaafder dan de rest, liepen langzaam in de richting van de deur.

‘Jij zit overal achter. Jij hebt onder het mom van vaderlandsliefde gezorgd dat die verdomde Krooncollectie naar de Chinese regering is gegaan, hè? Het kon je niets schelen wie daaronder leed, zolang jij je maar kon verrijken en in een goed blaadje kwam te staan bij de nieuwe machthebbers. En weet je wat die Chinese regering van jou ermee heeft gedaan? Waarschijnlijk hebben ze de hele boel aan gruzelementen geslagen, vanwege de burgerlijke waarden die de collectie vertegenwoordigde!’ Zijn stem werd schril.

‘De Chinezen hebben het recht op hun eigen geschiedenis,’ zei Victor stijfjes. ‘Die spullen hadden hun om te beginnen al nooit afgenomen mogen worden.’

‘Wat ben jij hypocriet,’ vervolgde Will zonder acht te slaan op wat Victor zei. ‘Toen je geschiedenis studeerde in Cambridge had je de mond vol van dat goeie ouwe Engeland, met zijn cricket en aardbeien met slagroom, maar toen het je hier beter uitkwam werd je de model-Chinees die probeerde aan te pappen met de nationalisten, met de communisten, met iedereen die jou maar wilde hebben. Je bent behoorlijk de weg kwijt, vriend.’ Hij deed dreigend een stap in Victors richting.

‘Ik verwacht niet dat je het begrijpt, Will,’ zei Victor terwijl hij zijn overhemd rechttrok. ‘Jij al helemaal niet. Jij hebt in Hongkong meteen je eigen kliekje en je eigen halfbloedje gevonden, en toen was het verder allemaal wel goed wat jou betrof. Die verrotte Britten weten altijd precies wat goed en fout is, maar ondertussen vergiftigden ze wel half China met opium om er zelf beter van te worden!’

‘Het doet er niet meer toe, Victor. Je bent verloren.’

‘Je hebt altijd al iets theatraals gehad, Will,’ zei Victor. ‘Net als Trudy. En iets sentimenteels. Ik kan je wel vertellen dat dat allebei luxe-eigenschappen zijn.’

Will bleef even roerloos staan.

‘Je bent het niet waard,’ zei hij uiteindelijk. ‘Jij bent helemaal niets waard en zult nooit iets waard zijn.’

Plotseling dook Melody naast Will op.

‘Will,’ zei ze op smekende toon, ‘we zijn toch geen vijanden? We hebben van dezelfde mensen gehouden. In de oorlog hebben we allemaal tragische dingen meegemaakt. Kun je niet een beetje vergeving opbrengen?’

Ze keek hem aan, maar hij verroerde zich niet. Toen kwam ze om de een of andere reden op Claire af om een beroep op haar te doen.

‘Jij begrijpt het toch zeker wel, Claire? Het leven is zo gecompliceerd en we moeten soms moeilijke beslissingen nemen.’

Claire werd volkomen overrompeld en had het gevoel dat ze ontmaskerd werd. Martin was erbij. De hele wereld was erbij. De vrouwen die over haar hadden gepraat, staarden haar aan. In hun ogen werd ze een heel ander mens, veel interessanter dan daarnet.

Nu werd onthuld dat er een bepaald verband was tussen haar en haar gastheer, haar gastvrouw en Will, dat zij een stukje van deze puzzel was. Ze was niet gewend aan al die aandacht. Die deed haar denken aan dat moment tijdens het dinertje van de Chens toen iedereen haar had aangekeken en een gevatte repliek van haar had verwacht, ten teken dat ze een van hen was; een repliek die nooit was gekomen. Ze dacht aan het gevoel dat ze vaak had in aanwezigheid van Will: dat ze een heel andere persoon was, een andere Claire, die nooit een kans had gekregen zich te openbaren, een Claire die meningen had en dingen zei die de moeite waard waren om naar te luisteren, een zichtbare Claire. Al die gedachten gingen door haar hoofd terwijl ze tegenover de tientallen mensen stond die haar afwachtend aankeken.

Eerst knikte ze zo onopvallend mogelijk. Ze bloosde en sloeg haar ogen neer. Het bleke, bezwete gezicht van Edwina Storch kwam haar voor de geest. Je moet zorgen dat je tegen de situatie opgewassen bent. Ja, maar niet op de manier die Edwina voor ogen had.

Claire keek op. ‘Melody, we maken allemaal keuzes, maar die moeten we trouw blijven, en als blijkt dat we verkeerd hebben gekozen, moeten we onze verantwoordelijkheid daarvoor nemen.’ Haar stem beefde, maar alle aanwezigen luisterden naar haar.

Ze voelde Martins verbijsterde blik op haar rusten en durfde hem niet aan te kijken. In plaats daarvan concentreerde ze zich op wat ze zei.

‘Ik weet niet wat hier aan de hand is, maar ik weet wel dat Will jullie iets belangrijks vertelt.’

Ze wilde edelmoedig en begripvol zijn. Dat zou de koningin, die vandaag in Engeland werd gekroond, ongetwijfeld van haar verwachten. Ze wilde dolgraag mild en barmhartig zijn en haar hand zacht op Melody’s schouder leggen en haar vertellen dat alles goed zou komen, dat ze daar in hoogsteigen persoon voor zou zorgen.

Al die dingen gingen door Claire’s hoofd en ze voelde een warme gloed van welwillendheid in haar binnenste.

Maar toen vertrok Melody’s gezicht heel even. Het duurde maar een fractie van een seconde, maar Claire had het gezien. Deze vrouw is de pianolerares van mijn dochter, was door Melody’s hoofd geschoten. Ik heb haar ingehuurd om Locket te leren hoe ze een stelletje zwarte en witte toetsen op een muziekinstrument moet indrukken. Ze is een onbeduidende Engelse en niet iemand die ik om een gunst hoef te vragen.

En toen was die blik verdwenen en had het aangeboren pragmatisme van de vrouw weer de overhand gekregen. Maar het was te laat. Claire had het gezien. De warmte steeg van haar borst naar haar hoofd. Zíj was degene die van niemand een gunst nodig had. Ze vatte moed en wendde zich tot haar minnaar.

‘Will,’ zei ze, ‘ik weet dat je niet…’

Zonder haar aan te kijken viel hij haar in de rede. ‘Dit gaat jou niets aan, Claire.’

Maar ze kende hem intussen goed. ‘Dat weet ik,’ zei ze, ‘maar er zit een kern van waarheid in wat Melody zegt.’ Ze wist dat dit hem nog bozer zou maken.

‘Kraam niet van die onzin uit. Je hebt geen idee wat er aan de hand is.’

‘Maar…’

‘Naar buiten,’ zei hij, en hij wees naar de deur.

Iets in haar bewonderde Will om zijn controle over de situatie. Eindelijk was ze van hem. Ze hoorde een halfhartig ‘nou zeg’, dat klonk alsof het van haar man afkomstig was. Ze deed haar ogen dicht. Zo kon ze de verbijsterde, gekrenkte blik op Martins gezicht niet zien en hoefde ze niet te bedenken wat ze daarvan vond. Met haar ogen dicht voelde ze het doffe bonzen van het bloed dat door haar hoofd stroomde en het gewicht van al die blikken die op haar rustten. Ze opende haar ogen, keek om zich heen naar de wazige massa gezichten en overdacht wat ze moest doen. Alles leek in slow motion te gaan, alsof ze zich onder water bewoog. Ze knipperde met haar ogen, maar het bleef allemaal vaag. Vanuit de keuken klonk de stem van een dienstmeisje, dat zich niet bewust was van het drama dat zich hier afspeelde. Ze hoorde het getinkel van glazen die door een andere nietsvermoedende bediende op een blad werden gezet. Vlak bij haar oor zoemde keihard een vlieg, en ze zag een roodharige vrouw heel langzaam haar hand door haar haar halen terwijl ze Claire strak aan bleef kijken. Het was alsof dit alles zich afspeelde in een kamer ver bij haar vandaan, achter glas. Ten slotte rechtte ze haar rug, ademde diep in en deed het enige wat ze op dat moment kon bedenken: ze liep gewoon weg. Het was laf en ze zou later van alles moeten uitleggen, maar in haar hart voelde ze voldoening en warmte, en ze zag geen andere keuze. Ze liep weg van de starende vrouwen en de onthutste mannen, rechtstreeks naar de deur, en legde haar hand op de klink. Zonder te weten waarom aarzelde ze, en toen bewoog ze de deurkruk – het gevoel van het koude metaal in haar handpalm zou haar altijd bijblijven – en liep ze naar buiten. Ze keek niet naar Martin. Dat kon ze niet opbrengen. Ze keek zelfs niet naar Will. Ze liep naar buiten, een nieuw en onbekend leven tegemoet.