21 januari 1942

Na tweeënhalve week komt er dan eindelijk nieuws. Dr. Selwyn-Clarke, de directeur van de Geneeskundige Dienst, heeft de Japanners weten over te halen de burgergevangenen over te brengen naar de leegstaande Stanley-gevangenis op de zuidpunt van het eiland, omdat hij denkt dat door de frisse lucht en de nabijheid van de oceaan de kans op het uitbreken van infectieziekten kleiner wordt. Opgewonden pakken de vrouwen hun bezittingen in en maken de bedden op, hoe vies het beddengoed ook is; mensen blijven gewoontedieren, ook in oorlogstijd. De mannen proberen meer informatie los te krijgen van de bewakers, maar dat lukt niet. Will haalt Ned uit bed en zorgt ervoor dat hij wordt meegeteld.

Nadat ze zich voor het hotel in rijen hebben opgesteld, worden ze in grote vrachtwagens gepropt. Als die grommend tot leven zijn gekomen, gluren de kinderen door de kieren van de laadruimte en schreeuwen als ze verschillende bekende punten passeren. De kinderen zijn een zegen gebleken, ook al is het voor henzelf zwaar. Ze maken overal een spelletje van, bikkelen met kiezelsteentjes en rennen vrolijk gillend rond. In de vrachtwagens gaan de vrouwen op hun bagage zitten. Ze worden dooreengeschud, zo hobbelig is de weg, en de dames uit de beau monde zien er net zo afgetobd uit als de gouvernantes en verpleegsters naast hen.

Al snel maken de gebouwen plaats voor bomen, want ze rijden door Aberdeen naar de South Side, waar de zee en de bergen samenkomen, en daarna over een verlaten, kronkelige weg naar het Stanley-schiereiland. Het is hier stil en het geweld van de afgelopen weken heeft geen zichtbare sporen achtergelaten.

De wagens rijden door een breed toegangshek een terrein op met grote betonnen gebouwen van drie verdiepingen, waar met verf haastig enorme letters op zijn gespoten, A, B, C. Soldaten gebaren met hun geweren dat iedereen moet uitstappen. Ze worden gegroepeerd naar nationaliteit en op een rij gezet om geteld en geregistreerd te worden – naam, leeftijd, nationaliteit, burgerlijke staat, enzovoorts –, een procedure die in de weken en maanden daarna even vertrouwd als afstompend zal worden.

Zestig Nederlanders. Tweehonderdnegentig Amerikanen. Drieëntwintighonderdvijfentwintig Britten. En dan nog wat restjes: Belgen, Wit-Russen, buitenlandse echtgenotes, en zelfs Akiko Maartens, een Japanse die met een Nederlander getrouwd is en weigert haar man achter te laten in ruil voor vrijheid. Omdat de bewakers weten dat zij een van hen is, spugen ze naar haar, grijnzen haar verlekkerd toe en maken opmerkingen tegen haar waarvan Will aanneemt dat ze zeer grof zijn, maar zij negeert hen terwijl ze met haar man in de rij staat om een kamer toegewezen te krijgen. Ze praat nooit een woord Japans, maar haar manier van buigen en andere eigenaardigheden verraden haar meteen. Alle burgers uit vijandelijke naties worden in de Stanley-gevangenis geïnterneerd. Will ziet gezichten die hij herkent van die dag op de Murray-paradeplaats. Mensen zeggen tegen elkaar: ‘Ik had gehoord dat je dood was,’ en glimlachen opgelucht omdat het niet zo blijkt te zijn. Will ontwaart Mary Winkle, de slankere partner van Edwina Storch; ze kijkt verward om zich heen. Zo te zien is haar trouwe metgezellin niet bij haar. De Amerikanen en Nederlanders hebben in hotels gezeten, net als de Britten, en de Belgen waren ondergebracht in hun consulaat, omdat ze maar met zo weinigen waren. Voor zover Will kan opmaken uit haastige, terloopse opmerkingen hebben ze allemaal min of meer hetzelfde meegemaakt: ze zijn allemaal vuil en hongerig. Hij informeert naar Dick Gubbins, de Amerikaanse zakenman die hij in het Gloucester heeft gesproken, maar niemand heeft iets over hem gehoord. Hopelijk is het hem gelukt de grens naar het vrije China over te steken.

Op de een of andere manier is het de Amerikanen gelukt het beste gebouw toegewezen te krijgen, en terwijl ze naar hun nieuwe verblijfplaats worden gestuurd, zijn ze al druk aan het overleggen om alles tot in de puntjes te organiseren. Ze hebben het over meubilair dat geleverd zal worden, bespreken de verdeling van de kamers en de distributie van de voorraden, en zetten een winkel op. Ze zijn vrolijk en pragmatisch, alsof ze op een picknick zijn. Kennelijk hebben ze al een soort bestuur ingesteld in de tijd dat ze in de hotels zaten. Op de eerste avond zitten ze ontspannen buiten in de schemering op geïmproviseerde stoelen te lachen, te praten en slappe thee te drinken, die is gezet van binnengesmokkelde theezakjes.

‘Het is mogelijk dat de Amerikanen het beste gebouw hebben, maar daar zullen we ons bij neer moeten leggen,’ zegt een man die Will vaag herkent en die mensen binnenleidt in het gebouw waarnaar zij zijn verwezen, blok D. ‘Ze hebben allemaal een eigen badkamer. Blijkbaar staan ze in de gunst bij de Japanners. Misschien hebben hun regeringen een overeenkomst met elkaar gesloten. En onze politieagenten hebben het op een na beste gebouw, maar die willen dat niet afstaan aan de vrouwen en kinderen. Ze zijn hier een paar dagen geleden aangekomen om alles in gereedheid te brengen en ze hebben alle goede plekken ingepikt. Naar mijn mening horen ze thuis in het krijgsgevangenkamp in Sham Shui Po, maar ze zijn hier terechtgekomen, bij de burgers.’ Will knikt alleen. Hij is te moe om zich er druk over te maken. Ned en hij gaan de trap op en een deur door. ‘Hier kunnen jullie niet slapen, dit is onze kamer,’ snauwt iemand in een hoek. ‘Oké,’ zegt Will, en ze lopen verder totdat ze een lege kamer vinden, waar ze hun tassen neerzetten.

Iedereen verspreidt zich over de kamers, en hoe meer mensen er binnenstromen, des te drukker het overal wordt. Uiteindelijk zijn er vijfendertig mensen per voormalig cipiersappartement en vijftig per vrijstaand huisje, wat neerkomt op zes à zeven bewoners per kamer. In veel kamers staat helemaal geen meubilair. Sommige mensen haasten zich naar de cipiersappartementen, omdat die groter zijn en iets beter gemeubileerd, maar uiteindelijk blijken ze voller te zitten. Er zijn twee of soms drie getrouwde stellen per kamer, en veel gezinnen hebben een plek gevonden in de administratiegebouwen. De alleenstaanden in de cellen hebben het eigenlijk beter getroffen, afgezien van de sanitaire voorzieningen, want ze hebben één toilet op honderd mensen, een smerige situatie. Will is in een oude cel van twee vierkante meter beland, samen met Ned en een derde man. Dat is Johnnie Sandler, een playboy die altijd bij Gripps te vinden was, gekleed in smoking en met aan de ene arm een blonde en aan de andere een Chinese schone. Het is verbazingwekkend, maar ondanks zijn vuile broek en nu al rafelige overhemd slaagt hij er nog steeds in een zekere klasse uit te stralen. Hij is onzelfzuchtig en staat als eerste klaar om te helpen met het versjouwen van bedden en tassen. Het is verrassend om te zien hoe na een paar weken van ontberingen ieders ware persoonlijkheid naar boven komt. De zendelingen zijn het ergst. Die stelen eten, onttrekken zich aan hun corvee en klagen onophoudelijk.

Als iedereen op die eerste dag een plaats heeft gevonden, komen ze bijeen op de grote centrale binnenplaats, waar ze op de grond gaan zitten. Ze zijn allemaal als de dood om iets te missen, het verstrekken van een maaltijd, goederen of informatie. Hugh Trotter verzamelt de Britten om zich heen en spreekt over de noodzaak van een formelere vorm van bestuur en enige regelgeving. Daar heeft Will met hem over gepraat, en hij merkte dat Hugh er net zo over dacht als hij.

‘Zullen we Hugh benoemen tot algemeen hoofd?’ stelt Will voor. Na een korte stilte gaat er een instemmend gemompel op. ‘Wil iedereen die voor is, ja zeggen?’ Will kijkt om zich heen. Het ‘ja’ klinkt luid en eenstemmig. ‘Zijn er nog tegenstemmers?’ Stilte. Hun eerste wankele schreden op het pad van de gezamenlijke besluitvorming zijn in elk geval eensgezind genomen. Dat is alvast iets.

Hugh wijst anderen aan om de leiding te nemen van subcomités. Ze besluiten welke dat moeten worden: huisvesting en sanitaire voorzieningen, werkverdeling, voedsel, gezondheid en klachten, en er kunnen er naar behoefte meer worden opgericht. Will wordt gekozen als hoofd van het comité huisvesting, dus hij moet als bemiddelaar optreden bij meningsverschillen over hun woonsituatie.

De eerste nacht, als ze nog moeten wennen aan hun nieuwe omgeving, is het voor velen moeilijk de slaap te vatten. De fortuinlijken die over een bed beschikken liggen onwennig te woelen, uit hun slaap gehouden door het ongewone gekraak. Will ligt op de vuile grond, met zijn tas als kussen en een paar kledingstukken over zich heen als dekens. De stenen vloer is koud, zelfs nadat hij andere kledingstukken bij wijze van mat onder zich heeft gelegd. Hij slaagt er niet in om langer dan tien minuten achtereen te slapen. Het is een opluchting als de zon door het raam begint te schijnen en hij niet langer hoeft te doen alsof.

Beneden hangen mededelingen dat alle kamers die middag zullen worden geïnspecteerd op smokkelwaar. De meesten hollen terug naar boven om hun bezittingen te verstoppen, in de hoop dat die aan de aandacht van de controleurs zullen ontsnappen.

‘Ik heb niets wat de moeite waard is om in te pikken,’ zegt Will tegen Ned, ‘en jij volgens mij ook niet,’ en ze lopen verder naar de eetzaal. Op het aangekondigde tijdstip kijken Will, Ned en Johnnie toe hoe een gezette soldaat hun spullen doorzoekt. Hij houdt een bijzonder mooi katoenen overhemd omhoog – van Johnnie, uiteraard – en slaat het zonder scrupules uit terwijl hij in het Japans iets tegen zijn kameraad ratelt.

‘Daarin gaat hij naar het bal,’ zegt Johnnie. De soldaat draait zich snel om en blaft hem iets toe, ongetwijfeld dat ze hun mond moeten houden tijdens de inspectie. Dan gooit hij het overhemd op de vuile vloer.

Uiteindelijk komen zij er beter vanaf dan de meesten. Ze hebben een paar gouden manchetknopen moeten afgeven (‘Ik dacht dat ze van pas konden komen als ruilmiddel,’ zegt Johnnie schouderophalend), een doosje met gereedschap – een combinatietang, een hamer en een schaar – dat Johnnie naar binnen had gesmokkeld, en een wollen muts.

‘Jullie hebben zo slordig ingepakt dat ze van jullie niets wilden hebben,’ grapt Johnnie tegen zijn kamergenoten als de mannen weg zijn. ‘Gefeliciteerd!’

‘We hebben geluk dat de meesten van ons een andere maat hebben dan zij,’ zegt Will. ‘Anders zouden we hier poedelnaakt rondlopen.’

‘De kleren van de vrouwen zouden hun wel passen. Een aardige popeline bloemetjesjurkje zou ze leuk staan, denk ik.’

Ze treffen elkaar in de gangen en vergelijken wat ze zijn kwijtgeraakt. Sommigen zijn verontwaardigd over het verlies van erfstukken, anderen blij dat ze erin zijn geslaagd hun kostbaarheden te verstoppen.

‘Hebben jullie ze in je reet gestopt?’ vraagt Harry Overbye, een onaangename man die heel zelfvoldaan is omdat hij een Chinese vriendin buiten de muren heeft en zeker weet dat zij voor hem zal zorgen. Een paar maanden eerder heeft hij zijn vrouw teruggestuurd naar Engeland en een meisje versierd. Iedereen negeert zijn vraag.

‘Nu we hier toch zijn…’ zegt Will. ‘Ik ga een schoonmaakploeg opzetten om onze leefomstandigheden te verbeteren. Als het me is gelukt om aan het benodigde materiaal te komen hang ik een schema op, en ik verwacht dat iedereen zijn steentje zal bijdragen om ons tijdelijke onderkomen zo schoon mogelijk te houden.’

Overbye snuift verachtelijk, maar de anderen maken instemmende geluiden.

‘Mooi,’ zegt Will. ‘Het is niet het Ritz, maar we zullen het er voorlopig mee moeten doen.’

‘Dat is het understatement van de eeuw,’ zegt Johnnie.

Will begint zich ernstig zorgen te maken over Ned. De jongen zegt alleen wat als hem iets wordt gevraagd en antwoordt dan met één of twee woorden. Hij zegt dat hij zich goed voelt, maar hij teert weg, zijn haar is dun en dof en zijn ogen staan mat. Hij ligt de hele dag te slapen en heeft weinig belangstelling voor eten.

‘Hij is in shock,’ zegt dokter McAllister als Will hem ernaar vraagt. ‘Hij heeft zulke vreselijke dingen gezien dat hij niets meer kan verwerken. Ik weet niet of hij er nog overheen komt. Dit is niet bepaald het ideale herstellingsoord.’ Als Will hem vraagt om een tonicum of wat er ook maar voorhanden is, maakt de dokter een machteloos gebaar. ‘Ik heb helemaal niets! Niet eens een aspirientje! Ik heb bij Selwyn-Clarke en de autoriteiten hier een verzoek ingediend voor wat basisgeneesmiddelen en verbandmateriaal, maar ik heb nog geen antwoord gekregen. Houd hem maar goed in de gaten. Dat is helaas het enige wat we op dit moment kunnen doen.’

Als het tijd wordt voor het avondeten verzamelen ze zich in de eetzaal, waar het onderscheid tussen de nationaliteiten opnieuw duidelijk wordt. Bill Schott, een lange, magere Amerikaanse zakenman, is door de Japanners aangewezen als afgevaardigde van het kamp bij diezelfde Japanners, en hij gaat staan om alle geïnterneerden toe te spreken.

‘De Japanners hebben besloten dat we zelf de keukens dienen te bemannen en ons eigen eten moeten klaarmaken. Dat zullen geliefde baantjes worden, dus die gaan we bij toerbeurt vervullen zodat iedereen de kans krijgt dat werk te doen.’ Hij zegt er niet bij waarom dat werk zo in trek zal zijn, maar iedereen snapt dat het alleen maar positief kan werken om in de buurt van voedsel te zijn. ‘We zullen ook corveediensten toegewezen krijgen, wat inhoudt dat we niet alleen onze eigen kamers moeten schoonhouden – die regelmatig zullen worden geïnspecteerd –, maar ook de binnenplaats moeten vegen en andere karweitjes moeten opknappen die ze ons opdragen. Men heeft me verzekerd dat deze taken en onze leefomstandigheden in overeenstemming zullen zijn met de Geneefse Conventie, hoewel Japan daar formeel niet aan gehouden is omdat het de overeenkomst wel heeft getekend maar nooit heeft geratificeerd. Ze zeggen dat ze zich eraan zullen houden om hun goede wil te tonen. We zullen voldoende voedsel krijgen, zoals vastgesteld bij de Conventie, en dat komt geloof ik neer op ongeveer vierentwintighonderd calorieën per dag. Ik heb nagevraagd hoe het zit met post en contact met de buitenwereld, en we zullen op vaste dagen van de week brieven en pakjes kunnen ontvangen. We kunnen uiteraard niet controleren of we alles daadwerkelijk krijgen, maar ze hebben in elk geval toegezegd eraan mee te werken. Onze regeringen zullen op de hoogte worden gesteld van onze aanwezigheid hier en onze situatie, en we zullen regelmatig worden bezocht door medewerkers van het Rode Kruis, die de leefomstandigheden zullen inspecteren. Het mooiste zou natuurlijk zijn als er afspraken worden gemaakt over onze repatriëring en er een uitruil van burgergevangenen plaatsvindt.’ Hij zwijgt even. ‘Maar het is uiteraard geheel onduidelijk wanneer dat zal gebeuren. We mogen vooral niet vergeten dat de oorlog nog steeds in volle gang is. Die kan nog weken of zelfs maanden duren. Zolang de situatie zo blijft als ze is, hoop ik dat het ons lukt in goede verstandhouding met elkaar te leven en elkaar zo veel mogelijk te helpen. Mensen die klachten of opmerkingen hebben, verzoek ik daarmee naar mij te komen. Dan zal ik proberen onze ideeën onder de aandacht te brengen van de kampleiding, hoewel ik vrees dat we niet in een positie zijn om veel eisen te stellen. Hoe dan ook, ik wens iedereen het beste. Laten we zorgen dat onze landen trots op ons zijn.’

Hij gaat zitten. Er klinkt zacht geroezemoes en geschuifel, terwijl iedereen in zich opneemt wat er zojuist is gezegd. Dan worden er handen opgestoken. Schott staat weer op om vragen te beantwoorden.

‘Hebben we enig idee hoe lang we hier moeten blijven?’

‘Geen enkel, helaas.’

‘Mogen we geld in ons bezit hebben? En kunnen we geld van buiten laten komen?’ vraagt een Nederlander.

Schott lacht. Hij is zelf zeer vermogend en heeft de Amerikaanse groep daardoor al heel wat extra’s kunnen bezorgen, wat door de andere nationaliteiten nauwlettend en met afgunst wordt gevolgd.

‘Volgens mij mag je hebben wat je maar wilt, als je het geheim kunt houden of bereid bent het met hen te delen. Ik weet het niet. Het is zo’n schemergebied waarover je maar beter niet naar formele regels kunt vragen. Het is het beste je gezonde verstand te gebruiken.’

‘Mogen we brieven schrijven naar mensen buiten de muren?’ vraagt Hugh Trotter.

‘Ik geloof het niet. En als we het wel zouden doen, denk ik dat de geadresseerden ze nooit zouden ontvangen, of dusdanig gecensureerd dat het geen enkele zin heeft. Volkomen verspilde moeite, lijkt me. Als Ohta, de kampcommandant, in een goede bui is zal ik er zeker naar vragen, maar ik verwacht er eerlijk gezegd niets van.’

De vragen blijven komen, maar ze gaan grotendeels over details, dagelijkse voorzieningen waar de gevangenen zich zorgen over maken. Will begint te eten.

‘En ik dan?’ vraagt Ned plotseling aan het tafelgezelschap. Het is de eerste keer die dag dat hij zijn mond opendoet.

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik sta als Brits geregistreerd, maar er is helemaal geen Britse Ned Young. Waar zijn alle Canadezen?’

‘Ik geloof dat je landgenoten in het krijgsgevangenkamp in Sham Shui Po zitten. Het is vreemd dat er helemaal geen Canadese burgers zijn, maar misschien zijn die allemaal naar huis gegaan voordat de oorlog hier losbarstte. Ik denk dat je in Stanley beter af bent dan bij de troepen. En Ned Young of Edward Young is een heel gewone naam, dus daar lopen er in Engeland vast ook wel een paar van rond. Je zult gewoon met ons allemaal naar Engeland worden gehaald, en dan kun je de boel daar verder uitzoeken. Als we nu gaan proberen je bij je kameraden geplaatst te krijgen, vragen we om moeilijkheden.’

‘Nee, nee,’ zegt hij. ‘Het is te laat, ik heb het helemaal verknald. En alleen uit zelfzuchtigheid. Niemand weet dat ik hier ben. Niemand. Mijn moeder weet niet eens of ik nog leef.’

‘Dat is toch niet het belangrijkste? Je bent hier en je leeft nog. Daar draait het om. Je moet je niet zo’n zorgen maken over je registratie en dat soort zaken.’

‘Jij hebt makkelijk praten,’ snauwt de jonge Canadees. ‘Bij jou klopt alles precies. Ik ben hier helemaal in m’n eentje.’ Hij staat op en loopt de zaal uit.

‘Hij moet even alleen zijn,’ zegt Johnnie. ‘Laat hem maar. Het komt wel goed.’

Will kijkt Ned na. ‘Hij heeft het zwaar. Volgens mij is hij nog geen achttien. En hier zit hij dan, ver van huis, moederziel alleen en zonder enige hoop.’

‘Hij is niet de enige,’ zegt Johnnie. ‘Het is alom kommer en kwel hier in kamp Stanley. En dit is pas de tweede dag.’

Na het avondeten gaan Johnnie en Will terug naar hun kamer. Op Wills geïmproviseerde bed ligt een keurig pakket met een briefje erop: ‘Ik wens je het allerbeste. Maak je geen zorgen, en bedankt voor alles.’ Er staat geen naam onder, maar het is duidelijk dat het van Ned is. Hij heeft het grootste deel van zijn geleende kleren achtergelaten.

‘Hoe denkt hij hier in godsnaam weg te komen?’ Johnnie laat zich op het bed zakken.

‘Geen idee. Ik neem aan dat zijn briefje opzettelijk zo vaag is, omdat hij ons niet in de problemen wilde brengen en zichzelf niet wilde verraden. Ik vrees het ergste. Hij kent het terrein hier totaal niet, en ook in de stad weet hij niets te vinden. Hij heeft geen vrienden, spreekt geen Chinees, heeft helemaal niets om op terug te vallen. Zelfs als het hem lukt het kamp uit te komen kan hij niets beginnen. En hij heeft al zijn kleren achtergelaten…’ Will zwijgt.

‘Hij maakt niet de indruk helder te hebben nagedacht,’ vult Johnnie aan.

‘Nee.’ Will verfrommelt het briefje en stopt het in zijn zak.

De volgende ochtend vertellen een paar geïnterneerden onder het ontbijt dat ze midden in de nacht geweerschoten hebben gehoord en dat het geluid uit de richting van de zuidelijke gevangenismuur kwam.

De week daarna breekt februari aan en het is koud. Hongkong heeft een subtropisch klimaat, dus de gebouwen hebben geen verwarming, en de winter sluipt verraderlijk binnen en verrast je midden in de nacht of wanneer je te lang buiten bent geweest. Taal noch teken van Trudy. Het is nu ruim drie weken geleden dat hij haar voor het laatst heeft gezien. Het is niet meer alleen deprimerend maar begint ook gênant te worden als mensen vragen hoe het met haar gaat. Amahs, huisknechten, Chinese vriendinnetjes, echtgenotes die om de een of andere reden nog vrij zijn, allemaal proberen ze de geïnterneerden te bezoeken, maar daar is nog geen regeling voor opgesteld en daarom worden ze weggestuurd en moeten ze hun pakketjes weer meenemen. Ze kunnen echter wel een berichtje achterlaten om te laten weten dat ze zijn geweest.

In arren moede concentreert Will zich op het zo goed mogelijk aanpassen van hun woonomgeving aan de winterse omstandigheden. Er zijn inmiddels bedden geleverd en iedereen heeft iets wat voor beddengoed kan doorgaan, maar ’s nachts zakt de temperatuur razendsnel. In het verleden heeft hij het nooit koud gehad in Hongkong, alleen lekker fris, maar hij beseft nu dat hij toen een goede winterjas en een huis met geïsoleerde muren had. Alle gevangenen zitten ineengedoken om zo min mogelijk lichaamswarmte kwijt te raken, slapen met al hun kleren aan en wassen zich nauwelijks meer omdat het in de badkamers steenkoud is. Als Will zijn tanden poetst, voelt het water in zijn mond aan als ijs. Hij dient een officieel verzoek in om meer dekens en winterjassen, vooral voor de kinderen, want die rennen rond in kleren van hun ouders waarvan de zomen en mouwen over de vloer slepen. Hij brengt een ploeg mensen op de been die overal gaten in de muur dichtstoppen met een primitief mengsel van modder en bladeren. Het is echter niet genoeg om de voortdurende ontberingen die hun dagen overschaduwen draaglijk te maken.

Als Trudy uiteindelijk komt, is het toch onverwachts. Een bewaker komt Will uit de rij voor de lunch halen en brengt hem naar het kantoortje van Ohta, de kampcommandant.

Will verwacht een antwoord op zijn verzoek om dekens en jassen en is van zijn stuk gebracht als hij hoort dat er bezoek voor hem is. Bezoek is nog niet toegestaan, maar ja, Trudy is nu eenmaal niet gehouden aan regels.

Ohta, een gezette man met een vettige huid en een metalen brilletje met vuile glazen, wijst Will dat hij moet gaan zitten. Hij is gekleed in de Japanse versie van een safaripak, met lange mouwen en lange pijpen.

‘Er is bezoek voor je.’

‘O ja?’

‘Bezoek nog niet toegestaan.’

‘Daar ben ik van op de hoogte. Maar ik weet hier niets van.’

Ohta kijkt Will over zijn bureau heen aan. ‘Iets drinken?’

‘Graag.’ Will weet dat hij het best ja kan zeggen.

Ohta gebaart naar de soldaat bij de deur en blaft hem in het Japans iets toe. Er wordt whisky in kleine, stoffige glaasjes geschonken.

Kampai!’ Met zijn roze, varkensachtige hand tilt hij zijn glas op en grommend slaat hij de inhoud in één teug achterover. Will volgt zijn voorbeeld, zij het iets minder gretig. Ohta schudt zijn hoofd alsof hij zijn dufheid wil verdrijven. ‘Lekker!’ Hij schenkt er nog een in.

‘Je bezoek, je vrouw?’

‘Ik heb geen idee wie het is.’

‘Vrouw, Chinees.’

‘Trudy Liang?’

‘Ja. Juffrouw Liang wil je spreken.’

‘O, mooi.’ Wills hart hamert in zijn borst. ‘Dank u.’

‘Ik heb haar gezegd: enige keer dat ze kan komen buiten bezoekdag. Speciaal voor haar.’

‘Nou ja, ze is ook speciaal, hè?’

Ohta kijkt hem strak aan. ‘Niemand speciaal nu. Iedereen zelfde, gevangene of niet-Japans. Zelfde!’

‘Ja, natuurlijk.’ Een veranderlijk mens, denkt Will. ‘Nou ja, ik vind haar speciaal omdat ze dat voor mij is.’ Een zwaktebod.

Ohta staat op. ‘Wacht hier in kamer.’

Will neemt af en toe een slokje van zijn whisky en geniet van het brandende gevoel in zijn keel terwijl hij probeert te kalmeren. Na een paar minuten wenkt de bewaker hem. Ze gaan een kamertje in waar een tafel en vijf stoelen staan, en daar zit Trudy te wachten, duidelijk slecht op haar gemak. Ze is mager en draagt praktische kleding. Haar haar heeft ze opgestoken in een wrong en haar gezicht is bleek, zo zonder enige make-up. Toch straalt ze nog steeds uit dat ze tot de bevoorrechten behoort.

‘Lieverd,’ zegt ze, ‘ik heb je zó gemist.’

Hij zegt niets over haar lange afwezigheid, ziet ervan af haar verwijten te maken en vraagt in plaats daarvan wat ze zoal heeft gedaan.

‘Frederick is dood, dus ik ben bij Angeline gebleven, maar die doet al wekenlang geen mond meer open. Ik zeg haar steeds dat ze zich moet vermannen, al is het maar voor Giles, maar het lijkt wel alsof ze me niet echt hoort. Ze wil hem hierheen laten komen, maar dit is toch geen plek om een kind op te voeden? Ze wil niet naar Engeland – wat trouwens niet eens zou kunnen op het moment –, want daar heeft ze alleen Fredericks familie en die was van het begin af aan tegen hun huwelijk, dus ze zit in een lastig parket. Dat is zo’n beetje waar ik me mee bezig heb gehouden. Afgezien van de energie die het kost om greep te krijgen op de nieuwe situatie.’

‘Heb je genoeg te eten? Zorgt Dominick voor je?’

Ze negeert zijn vragen en zegt: ‘Die Japanners zijn rare snuiters. Ze hebben de idiote gewoonte om in elke kamer van elk huis dat ze plunderen hun behoefte te doen. Afschuwelijk, hè? Overal in het huis van Marjorie Winter lagen uitwerpselen, ontdekte ze toen ze er wat spullen ging halen. En de stank! De hele stad stinkt naar ontlasting. Dat is een van de Japanse gebruiken waar ik niet zo weg van ben. Onvoorstelbaar. Ze hebben die prachtige theeceremonie en al die schitterende tuinen, en dan doen ze zoiets. En alle vrouwen zijn natuurlijk doodsbang om verkracht te worden. Je wordt niet geacht alleen over straat te gaan. Ik ben door een chauffeur gebracht.’

‘Ned is er niet meer. Ik geloof dat hij heeft geprobeerd te ontsnappen, maar ik ben er vrij zeker van dat hij daarbij is doodgeschoten. Hij was behoorlijk doorgedraaid.’

Trudy’s gezicht betrekt. ‘Vertel me niet van die akelige dingen, lieverd. Ik kan de situatie toch al nauwelijks verdragen. Kunnen we over iets anders praten? Iets totaal anders, iets triviaals in vergelijking daarmee. Hoe ik mijn kostje bijeen moet scharrelen, bijvoorbeeld. Het is gewoon stuitend. Dat hoef jij hier in elk geval niet te doen. Jij gaat gewoon in de rij staan en kunt je eten in ontvangst nemen.’

‘Je weet blijkbaar precies hoe het hier in z’n werk gaat, hè?’ Het is de eerste keer dat hij haar scherp toespreekt, en het ontgaat haar niet.

‘Is er iets wat je nodig hebt en waar ik misschien aan zou kunnen komen?’

‘In de stad is toch ook niet veel te krijgen?’

‘Nee, maar ik kan Dommie om iets vragen. We hebben wel te eten, maar het is prijzig. Ik kan wel huilen als ik eraan denk dat de Japanners de pakhuizen hebben gebombardeerd. Daar lag zoveel proviand, maar dat is allemaal in vlammen opgegaan. Ze zeiden dat het op kilometers afstand naar verbrand eten rook. Als ik er alleen al aan denk, rammel ik. Nou ja, ik zal in elk geval niet mollig worden als dit zo doorgaat. Je houdt toch niet van mollige vrouwen, Will? Dan kun je gerust zijn, want dat word ik niet.’ Zo ratelt ze verder. ‘De omstandigheden in de kampen in Sham Shui Po en aan Argyle Street schijnen vreselijk te zijn,’ zegt ze. ‘De militairen worden keihard aangepakt. Je hebt geluk dat je hier zit. Die Jane in het ziekenhuis is je redding geweest. Heel slim van haar.’

‘Vind je dat ik daar zou moeten zitten?’ vraagt hij bruusk. ‘Vind je me een lafaard omdat ik hier zit?’

‘Hoe kom je daar nou bij?’ vraagt ze oprecht verbaasd. ‘Natuurlijk niet.’

Hij is zijn vermogen haar gedachten te peilen snel kwijtgeraakt, beseft hij. Ze zit op een heel ander spoor.

‘Weet je nog hoe het drie maanden geleden was?’ vraagt ze. ‘Conder’s Bar, het Gloucester, Gripps, de feesten. Kun je je voorstellen dat dat nog maar een paar maanden geleden is?’

‘Nee,’ zegt hij. ‘Heb je nog nieuws over wat er in de buitenwereld gebeurt? We kunnen hier niet aan betrouwbare informatie komen en daar worden we gek van.’

‘Carole Lombard is omgekomen bij een vliegtuigongeluk, dat is het grootste nieuws.’ Ze schrikt van zijn reactie. ‘Sorry, zijn oneerbiedige grappen op het moment niet gepast? Goed, de realiteit dan. Het ziet er op alle fronten slecht uit, lieverd. Ik weet niet veel, maar ik zal proberen meer voor je te weten te komen. Volgens de krant, die vol Japanse propaganda staat, gaat alles van een leien dakje. Er zijn veertien depots waar we rijst kunnen halen, en dat is meestal onze belangrijkste bezigheid: eten bemachtigen. We sturen de bedienden naar het ene depot en gaan zelf naar het andere, in de hoop dat een van ons geluk heeft. Maar dat is niet echt groot nieuws, hè? Even zien, wat is er nog meer. In de dagen kort nadat jullie zijn geïnterneerd waren de Japanners in een democratische stemming en moedigden ze iedereen aan om de oude bolwerken van kolonialisme te gaan bekijken. Dan kwam je dus het Peninsula Hotel binnenlopen en zag je arbeiders op hun hurken op de stoelen zitten en theedrinken! Ze kwamen kijken hoe de andere helft van Hongkong leefde en betaalden met de buit van hun plundertochten. Het was echt ongelooflijk! Het is moeilijk om aan betrouwbare informatie te komen. In de krant staat alleen dat de Japanners alles veroveren wat er maar te veroveren valt, en het is lastig tussen de regels door te lezen.’ Ze zwijgt even. ‘Dommie slaagt er uitstekend in zich met de Japanners te verbroederen. Ik geloof dat hij zichzelf als een van hen beschouwt. Hij zit nu samen met Victor in zaken, een beetje louche, maar dat geldt tegenwoordig voor bijna alles. Als ik bij hem op kantoor langsga – hij heeft een kantoor in Central –, trekt hij altijd een fles champagne open. Ik krijg een vieze smaak in mijn mond van het hele gedoe, maar toch drink ik het. En soms zie ik Victor. Hij is degene die heeft gezorgd dat ik hier vandaag terecht kon. Hij heeft iemand ingeschakeld met wie hij zakendoet.’

‘Dommie, die nooit eerder een baan heeft gehad, is nu opeens een zakenman?’

‘De oorlog heeft een merkwaardige invloed op mensen. Dit is misschien wel het beste wat hem kon overkomen. Je mag wel zeggen dat hij zijn draai heeft gevonden.’ Ze lacht op een vreemde manier.

‘Hij kan maar beter voorzichtig zijn. Als dit allemaal voorbij is, zal hij rekenschap moeten afleggen van zijn daden. En dat geldt ook voor Victor.’

‘Zo denkt Dommie niet. Je kent hem toch? Hij heeft altijd in het hier en nu geleefd. Victor is een ander verhaal. Die zal heus wel zorgen dat hij zijn sporen uitwist.’

‘Je moet Dommie waarschuwen dat hij deze keer wel vooruit moet denken. En dat hij moet uitkijken voor Victor.’

Ze wuift zijn woorden ongeduldig weg. ‘Hoor eens, ik ben ontboden door een Japanner,’ zegt ze. ‘Een man die Otsubo heet, in de Regent Suite van het Hong Kong Hotel woont en bij de marechaussee zit. Dat is de militaire politie, en het schijnt goed te zijn om die aan je kant te hebben. Hij heeft een speciale dasspeld met een chrysant erop waaraan je kunt zien dat hij een marechaussee is. Ik geloof dat hij wil dat ik hem Engels leer. Lijkt je dat een goed idee?’

‘Jij ook al?’ vraagt Will. ‘Ga jij ook heulen met de vijand?’

‘Dat vind ik een rotopmerking,’ zegt ze. ‘Je kent me toch?’

‘Jazeker, schat, en toch hou ik van je.’

‘Grappig, hoor, malloot van me.’

Hoe is het mogelijk dat ze alweer zo snel vervallen in dit geplaag, in hun subtiele steekspel met woorden? Het is een overblijfsel uit de tijd dat zulke dingen belangrijk waren.

‘Zou het niet gevaarlijk zijn?’ vraagt hij na een korte stilte.

‘Ik neem Angeline mee als chaperonne, dus je hoeft je geen zorgen te maken.’ Ze zwijgt even. ‘Zo raar… Ik heb al de hele week een paar woorden in mijn hoofd – plutocraten en oligarchen – en ik heb geen flauw idee wat ze betekenen. Het moet iets zijn wat ik ergens heb gelezen. Jij bent zo knap, vertel jij me eens wat ze precies betekenen.’

‘Plutocraten zijn machtige rijken,’ zegt hij, ‘en een oligarchie is een regering van enkelen. Het komt zo’n beetje op hetzelfde neer, eigenlijk. Waarom zou je dat steeds in je hoofd hebben?’

‘Geen idee.’ Ze zet het onderwerp net zo plotseling van zich af als ze erover is begonnen. ‘Ik word dus lerares. Hij is blijkbaar iets heel hoogs: commandant van de marechaussee. En hij woont dus in het Matsubara… Het Hong Kong Hotel, bedoel ik. Ze hebben alles een andere naam gegeven, vandaar. Het Peninsula heet nu het Toa. Misschien krijg ik wel bepaalde privileges en hebben we straks een luizenleventje.’

‘Ja, misschien wel,’ zegt hij. Hij hoort wel dat ze ‘we’ zegt, maar kan de gepaste dankbaarheid daarvoor niet opbrengen. Hij wou dat ze wegging, want hij is moe. Maar als ze opstaat om te vertrekken, voelt hij zich in de steek gelaten.

‘Zie ik je weer?’

‘Natuurlijk. En dan zal ik meenemen wat ik maar bij elkaar kan schrapen. Volgende week misschien, als ze dan wat minder moeilijk doen over de bezoektijden.’ En weg is ze. Ze is nog steeds elegant, ondanks de slechte omstandigheden. Hij ruikt haar jasmijnparfum in de luchtstroom die ze achterlaat.

In hun gebouw doen vijf bewakers dienst. Ze patrouilleren op het terrein eromheen, houden op willekeurige momenten inspectie en doen zich gelden. De meesten laten de geïnterneerden met rust, maar een van hen, Fujimoto, een magere man die naar ranzige vis stinkt, is een echte sadist. Hij vindt het heerlijk om de mannen opdracht te geven de binnenplaats te vegen of honderd spreid-sluitsprongen te doen terwijl ze al zo moe en verzwakt zijn dat ze nauwelijks nog op hun benen kunnen staan. Fujimoto heeft het speciaal op Johnnie gemunt en elke keer dat hij hem ziet geeft hij hem het bevel de latrines schoon te maken of kuilen te graven in de tuin, zinloze opdrachten waaruit blijkt hoe hardvochtig de man is. Maar hij is mild in vergelijking met de mannen die zijn aangesteld om onderzoek te doen naar clandestiene activiteiten. Het gerucht gaat dat er een radio in huis is, en de drie mannen die de onderdelen in hun bezit zouden hebben, worden weggesleurd naar een afgelegen kamer. Slechts één komt er terug, maar hij is nauwelijks nog in leven. Zijn botten zijn gebroken en een van zijn ogen hangt uit de kas. Hij sterft op de geïmproviseerde ziekenzaal. ‘Ze hebben hem levend terug laten komen bij wijze van waarschuwing, dat is wel duidelijk,’ zegt Trotter.

Het gebrek aan voedsel put hen uit. In plaats van de beloofde vierentwintighonderd calorieën per dag krijgen ze er ongeveer vijfhonderd. Een kamer vol volwassenen krijgt een grote kom rijst voor de hele dag. Soms is er proteïne in de vorm van zeepaling of mul, maar de vis is vaak bedorven en smelt bij verhitting weg tot olie. Toch eten ze er gretig van, want hun lichaam hunkert naar vet en smaak. Iedereen is voortdurend ziek – vooral door pellagra en dysenterie –, wonden genezen niet, tanden en kiezen rotten weg en vingernagels groeien niet meer. Wills ogen zijn half geloken en zijn armen en benen voelen als lood. Het liefst zou hij alleen maar in bed liggen, vooral aan het eind van de middag, als de dag maar niet om lijkt te komen. Hij dwingt zichzelf op te staan en klusjes te zoeken. Veel anderen liggen de hele dag te slapen, maar iets in hem verzet zich daartegen. ‘Vind jij ook niet dat we iets moeten overhouden aan deze periode?’ vraagt hij Johnnie. ‘Als de mensen later vragen wat we al die tijd hebben gedaan, wil ik niet antwoorden dat ik heb liggen slapen.’

‘Wat ben je toch een deugdzaam mens,’ zegt Johnnie. ‘Een nijvere bij.’ Maar hij is ook de eerste om Will te helpen en klaagt nooit.

Een week later mag Trudy weer op bezoek komen, en deze keer mogen ook andere bezoekers naar binnen. Ze is uitgelaten. De commandant van de marechaussee wil dat ze hem tweemaal per week Engelse les komt geven in het hotel waar hij woont.

‘Het eten daar! Je gelooft je ogen niet!’ Ze dempt haar stem en fluistert: ‘Ik eet zoveel dat ik genoeg heb tot de volgende keer. En hij heeft me naar het huis op de Peak laten komen dat hij heeft gevorderd, het vroegere huis van de Baylors. Daar brengt hij de weekends door. Al het oude personeel is er nog en ze waren zo blij me te zien! Wel een raar wereldje, trouwens. Toen ik er aankwam, was hij aan het boogschieten op het gazon en liet me een glas champagne brengen. Alsof hij het leven van een Engelse lord naspeelt. Als je dat ziet, denk je bijna dat alles weer normaal is. En hij wil alleen maar met me keuvelen, om vlot Engels te leren spreken. Natuurlijk probeert hij me ook uit te horen en hij denkt dat ik dat niet in de gaten heb, maar wat geeft dat, als je bananen en verse vis kunt eten, en alle rijst die je maar op kunt! Onvoorstelbaar dat ik zo platvloers over eten ben gaan denken, hè? Hoe dan ook, Otsuba wil maar één ding en dat is zijn zakken vullen. Hij denkt dat ik hem daarbij zal helpen, bewust of onbewust. Nou ja, het is een aloude oorlogstraditie dat de officieren rijk worden ten koste van de overwonnenen.’

‘En Angeline en jij geven die man les?’

‘Hij heeft me gezegd dat ik haar maar thuis moet laten, want hij heeft geen behoefte aan twee leraressen, maar ik neem wel ladingen eten voor haar mee. Ik heb hem verteld dat ik me moreel verplicht voel bij haar te blijven. Hij wil dat ik hem westerse tafelmanieren leer. Wat een giller, hè? Hij wil alles weten over vismessen en dessertlepels. Het woord “etiquette”, dat nieuw voor hem is, kan hij niet uitspreken maar hij is wel van plan er een meester in te worden. Laatst aten we kreeft en hij wilde weten hoe je die uit elkaar hoort te halen. Ik gaf er vrolijk een paar harde klappen op en hij dacht dat ik hem voor de gek hield.’

‘Dus je hebt exclusieve dinertjes met die man?’

‘O, maar het is niet wat je denkt. Dommie was er ook. Ze zijn dikke vrienden. Tamelijk weerzinwekkend, eigenlijk. Ik ga alleen maar mee voor het eten. Ik heb voor jou ook iets meegebracht, lieverd, kijk maar.’ Ze werpt een blik over haar schouder om te zien of de bewaker niet kijkt en kiept een plunjezak met fruit, wat blikjes vlees en een zakje rijst leeg. ‘Ik heb de bewaker die bij de ingang de tassen controleert een paar sigaretten toegestopt, zodat hij niet moeilijk deed, maar ik wil niet dat deze ook op ideeën komt. Je moet niet nobel gaan doen en dit met iedereen delen, hoor. Het is voor jou bedoeld, niet voor kleine Oliver of Priscilla, hoe uitgemergeld hun schattige gezichtjes ook mogen zijn. Het is voor jou, en ik zou het je niet geven als ik wist dat het bij iemand anders terecht zou komen. Je moet een dikke huid ontwikkelen, Will, het is oorlog.’

‘Hoe kom je erbij dat ik die niet heb?’

‘Je bent te goed, dat is jouw probleem. Voor mensen zoals jij is het moeilijk om te overleven in dit soort situaties.’

‘Maar jij dineert dus met die man,’ hervat hij.

‘Ja,’ antwoordt ze geduldig, alsof hij een beetje achterlijk is. ‘Dit is niet bepaald een situatie waarin ik hem kan zeggen dat hij moet opsodemieteren. Ik moet hem te vriend houden.’

‘Maar dat kun je toch wel doen zonder van die ongepaste…’

Ze onderbreekt hem. ‘Jij hebt geen idee hoe het er in de buitenwereld aan toe gaat. Dit is heel normaal. We moeten zorgen dat we een beetje met die afschuwelijke lui kunnen opschieten totdat wij het weer voor het zeggen hebben. Neem een pruim en houd je mond.’

Als hij de pruim niet meteen aanneemt, trekt ze hem met een kregel gebaar terug en neemt er zelf een hap van. Er druipt sap langs haar kin, en Will vindt plotseling dat ze iets dierlijks heeft.

Als het regent, is het moeilijk om uit bed te komen. Op een koude, natte dinsdag ligt Will op zijn harde, dunne matras te luisteren hoe de regen ritmisch op het dak klettert. Hij is niet droevig, alleen volkomen lethargisch. Langs de grijze muur tegenover hem loopt een straaltje regenwater dat naar binnen lekt, en op de betonnen vloer vormt zich een plas. Het leven hier is sneller een sleur geworden dan hij had verwacht: de geïnterneerden scharrelen wat rond en ruziën over de voedseldistributie, diefstalletjes en het corveerooster.

Je ziet hier in het kamp verdorie helemaal geen kleuren. Hun kleren zijn lang geleden grauw geworden, het eten heeft altijd dezelfde tint – een onbestemde vaalbruine smurrie op je bord – en de gebouwen zijn van grijs beton. Hij snakt naar rood, magenta, het geel van zonnebloemen, heldergroen. Het enige wat niet grijs of bruin is, is de hemel – soms schitterend vergeet-mij-nietblauw – en de zee, een geribbeld turkoois. Soms gaat hij bij de omheining zitten om naar buiten te kijken. Het uitzicht is nog steeds absurd mooi, de horizon en het water en de wolken. Dr. Selwyn-Clarke heeft deze plek uitgekozen omdat hij dacht dat de nabijheid van de zee de kans op cholera en andere infectieziekten zou verkleinen. Helaas zijn niet de infectieziekten het probleem, maar het gebrek aan goede voeding en vitaminen.

Johnnie komt binnen, doorweekt van de regen.

‘Een prachtige dag.’ Hij laat zich zwaar op de rand van zijn bed zakken.

‘Het is toch ongelooflijk dat we hier zitten?’ Meer dan die nietszeggende reactie kan Will niet opbrengen.

‘Ik zou liever thuis zijn, dat is een ding dat zeker is.’ Zijn gezicht klaart op. ‘Het schijnt dat er pakketjes van het Rode Kruis zijn aangekomen. Misschien delen ze die na het avondeten wel uit.’

‘Wat zit er in zo’n pakketje?’

‘Eten, man! Soms chocola. Of een aardigheidje. De kinderen hebben het al de hele dag over niets anders. Misschien moet ik straks met een klein meisje op de vuist om een pakketje te bemachtigen.’

’s Middags hoort Will de kleine Willie Endicott schreeuwen terwijl hij zo snel als zijn spillebeentjes hem kunnen dragen door het kamp rent.

‘De pakketjes zijn er! De pakketjes zijn er!’

Will kijkt uit het raam en ziet dat Willies armpjes onder de muggenbeten zitten. Hij heeft eraan gekrabd tot ze vuurrood zien en etteren. Zijn moeder is doodsbang dat hij malaria zal krijgen en heeft zijn bulten ingesmeerd met kostbare tandpasta. Daar rent hij, het jongetje met de witte tandpastaspikkels, door het dolle heen bij de gedachte aan eten.

De sfeer is gespannen als iedereen in de rij staat te wachten. Als Will en Johnnie aan de beurt zijn, geeft de bewaker hun een zacht pakketje van bruin papier met een touwtje eromheen. Vol verwachting gaan ze terug naar hun kamer om het open te maken.

‘Het lijkt wel Kerstmis!’

Het kost Will moeite het pakketje open te krijgen. Zijn vingernagels zijn net zo zacht als het papier. Eindelijk lukt het hem de knopen los te peuteren. Ze bergen het touwtje zorgvuldig op – er wordt niets weggegooid – en kijken in dankbare verwondering wat er allemaal in het pakje zit.

‘Volgens mij is dit ingepakt door een meetkundig genie!’ roept Johnnie uit.

Er komen zes chocoladerepen tevoorschijn – een beetje wit uitgeslagen, maar dat geeft niets –, een grote trommel koekjes, koffie, thee, een flinke hoeveelheid suiker en poedermelk, twee paar gebreide sokken en een wollen sjaal. De alledaagse spullen zijn in hun ogen zo kostbaar als gouden munten. Er is ook nog een extraatje: een piepklein schaaksetje met daarin verborgen een papiertje, dat in een rond, meisjesachtig handschrift is beschreven.

Johnnie heeft de sjaal voor de grap als een tulband om zijn hoofd gewonden en leest het briefje voor:

“‘Jullie zijn in onze gedachten en gebeden. Houd moed en het goede ZAL overwinnen. Ik heet Sharon en ik zou dolgraag met jullie willen corresponderen, als dat kan. Ik heb blond haar, blauwe ogen, en men zegt dat ik een lachebekje ben.”

Ze heeft een vaardige pen,’ zegt Johnnie, terwijl hij aan het papier ruikt. ‘Een goed gevoel voor verhoudingen: ze is niet té expliciet, vanwege de censuur, maar toch duidelijk genoeg. En kijk, hier heeft ze haar adres opgeschreven.’

‘Fantastisch,’ zegt Will droogjes. ‘Sharon uit Sussex, onze redster in de nood.’

‘Als ik thuis ben ga ik haar opzoeken,’ zegt Johnnie, en hij stopt haar briefje in het borstzakje van zijn overhemd. ‘Ze lijkt me heel geschikt om een gezin mee te beginnen.’

‘En ik dan?’

‘Jij hebt al een liefje. Doe niet zo hebberig. Sharon is van mij.’ Johnnie propt een hele chocoladereep in zijn mond.

‘Kun je schaken?’ Will begint de stukken op te zetten.

‘Valt er iets mee te verdienen?’

‘Nee, maar het is goed voor je geestelijk welzijn. Onze hersenen beginnen hier weg te rotten.’ Johnnie is zijn eerste vriend, beseft Will plotseling. Sinds zijn aankomst in Hongkong heeft hij geen vrienden gemaakt; dat hoefde niet, want hij had Trudy. Het is een fijn gevoel.

De volgende ochtend ziet Will het jongetje uit het hotel, Tobias, in zijn eentje met zijn speelgoedvliegtuigje voor de deur van het toilet zitten.

‘Was je chocola lekker?’ vraagt Will.

Hij krijgt geen antwoord.

‘Waar is je moeder?’

De jongen staart hem alleen maar aan met zijn bleke gezichtje, omlijst door zijn blonde haar, dat sluik en dof is. Hij frunnikt met één hand aan het gehavende vliegtuigje, waarmee hij vergroeid lijkt te zijn.

‘Voelt je moeder zich niet lekker?’

Het jongetje begint te huilen.

‘Stil maar. Als ze daarbinnen is, komt ze zo weer terug.’

Op dat ogenblik wordt de deur met een klap opengegooid. Fujimoto stapt naar buiten, intussen zijn broek dichtknopend. Will doet automatisch een stap naar achteren, maar de man negeert hem en loopt weg.

‘Blijkbaar is ze daar niet. Zullen we samen je moeder gaan zoeken?’ Will steekt zijn hand uit. De jongen kijkt naar de vloer en schudt krachtig zijn hoofd.

‘Hoor eens,’ zegt Will, en dan gaat de deur opnieuw open en komt Mary Cox naar buiten. Hij knippert verrast met zijn ogen. Als ze Will ziet, slaat ze haar hand voor haar mond en keert zich van hem af.

‘Kom mee, lieverd,’ zegt ze tegen Tobias. ‘Laten we gaan eten.’ Ze loopt haastig langs Will de gang door en trekt het kind met zich mee. Dan draait ze zich om en kijkt hem strak aan, en haar gezicht verhardt tot een masker: uitdagend en zonder schuldgevoel.

Zo werkt dat dus, denkt hij. Dit is het begin van de omslag. We weten koste wat het kost te overleven, of niet.

Hij vertelt Johnnie over Mary Cox.

‘Och, het was toch alleen een kwestie van tijd voordat zoiets gebeurde? De markteconomie komt uiteindelijk overal op gang. De mensen bedenken wat ze te bieden hebben en wat ze daarvoor terug willen krijgen.’

‘Wat een harteloze manier van denken.’

‘Er is in deze oorlog al genoeg ellende zonder dat ik ook nog eens weekhartig ga doen. En dat geldt ook voor jou, ouwe dwaas. Je moet niet al te sentimenteel worden. Daar wordt niemand wijzer van.’

Maar Will kan het beeld van Tobias die voor de WC-deur zit te wachten niet uit zijn hoofd zetten.

Als ze tegen etenstijd buiten lopen, ontdekken ze dat zich daar een incident van een andere orde voordoet. Regina Arbogast beschuldigt een van de vrouwen met kinderen ervan dat ze chocola en koekjes uit haar pakketje van het Rode Kruis heeft gestolen en eist een onderzoek. Hugh Trotter probeert haar uit te leggen dat het rechtsstelsel dat ze hebben opgezet is bedoeld voor ernstiger zaken, zoals mishandeling door de bewakers of stelen uit de gemeenschappelijke keuken, maar ze luistert niet.

‘Jij en die smerige kinderen van je eten meer dan wat jullie toekomt! Ze hadden maanden geleden al naar Engeland gestuurd moeten worden. Ze horen hier helemaal niet te zijn. En dan ook nog het eten van anderen inpikken! Ze horen hier niet.’

De vrouw lijkt overrompeld. ‘Regina,’ zegt ze geschokt, ‘ik heb je eten niet ingepikt, maar jij hebt zelf ook een gezin. Hoe kun je zo over kinderen praten?’

‘Mijn kinderen zijn goed opgevoed, niet zoals de jouwe. Dat zijn net beesten! En de mijne zijn in Engeland, waar ze horen!’

‘Maar die van jou zijn volwassen. Ik kon Sandy en Margaret niet wegsturen. Ze zijn te jong om van hun moeder te worden gescheiden.’

‘Je had ook met ze mee moeten gaan!’

‘Dan hoor jij hier ook niet te zijn,’ zegt de andere vrouw uiteindelijk. ‘Dan zouden hier alleen mannen moeten zijn. Alle vrouwen en kinderen worden geacht te zijn vertrokken. Dus jij eigent je ook onterecht een deel van ons voedsel toe.’

‘Wat een flauwekul!’ Regina kijkt alsof ze de vrouw een klap wil gaan geven. ‘Jullie hebben altijd al misbruik gemaakt van elke situatie die zich daarvoor leende. Reggie heeft zaken met die man van jou gedaan en hij vond hem vulgair en louche en zei dat hij altijd overal een weg omheen wist.’

‘Ho, ho, wacht eventjes.’ Hugh Trotter komt tussenbeide. Hij heeft wijselijk geprobeerd zich erbuiten te houden, maar nu de verwijten persoonlijk worden moet hij zich er wel mee bemoeien. ‘Laten we ons tot de kern van de zaak beperken.’

‘De kérn van de zaak, Hugh,’ zegt Regina langzaam, alsof hij niet helemaal goed bij zijn hoofd is, ‘is dat deze vrouw bezittingen van mij heeft ontvreemd en dat jij weigert daar serieus op in te gaan.’

‘Regina, in godsnaam!’ Hugh heft zijn handen ten hemel. ‘We zijn verdorie allemaal geïnterneerd. We hébben helemaal geen bezittingen! Het waren pakketjes voor oorlogsgetroffenen. Kun je niet een beetje grootmoediger zijn? We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.’

‘Waag het niet om zo tegen me te praten!’ Haar stem schiet omhoog. ‘We zitten niet in hetzelfde schuitje! Ik zal nooit in hetzelfde schuitje zitten als die vrouw. Zij en ik hebben niets gemeen.’

De Amerikanen kijken uit de verte verbijsterd toe. Soms voelt Will zich een verrader omdat hij de Amerikanen bewondert. Nou ja, bewonderen is niet het goede woord, maar hij heeft het gevoel dat hij meer op hen lijkt. Ondanks haar beweerde voorliefde voor Amerikanen heeft Trudy ze nooit echt gemogen. Will denkt dat ze te democratisch zijn naar haar smaak. Ze houdt wel van een beetje onderscheid tussen de klassen. Hier blijkt echter duidelijk dat het Amerikaanse systeem het best functioneert. Zelfs in deze omgeving hangt er een sfeer van overvloed en rijkdom om hen heen. Weliswaar is Bill Schott een alleenheerser, maar hij krijgt van alles voor elkaar en is erin geslaagd allerlei spullen te regelen voor zijn mensen. Grotendeels op zijn eigen kosten, vermoedt men, maar toch. Degenen in het Britse kamp die de middelen hebben om anderen te helpen, doen dat maar zelden, want ze potten het liever op uit angst dat er nog slechtere tijden zullen komen. De Amerikanen delen alles wat ze hebben, hoewel dat voor hen waarschijnlijk eenvoudiger is omdat hun groep kleiner is en ze minder berooid zijn.

Regina Arbogast stampvoet als een klein kind en schreeuwt: ‘Ik kan dit niet uitstaan! Er zijn totaal geen normen meer! Hier komen we niet verder mee. Ik zal de zaak zelf ter hand moeten nemen.’ Ze loopt nijdig weg.

‘Zo’n verzetje is altijd welkom,’ merkt Johnnie op. ‘Dat is een felle tante. Die moeten we in de gaten houden.’

Rijst, rijst, rijst. Na een maand of twee is dat het enige waar iedereen over praat. Ze zijn er krankzinnig creatief mee geworden: ze malen het om meel te maken, koken het met water tot een dunne pap en proberen er op allerlei manieren zo zuinig mogelijk mee om te gaan. Voedsel is het belangrijkste onderwerp van gesprek. Eén heerlijke week lang ligt er elke dag varkensvlees op de wagen die proviand komt brengen, en dan wordt bekend dat er een varkensboerderij is gesloten vanwege een veeziekte en dat het vlees daarvan afkomstig is. De meesten blijven het echter gewoon eten, nadat ze het goed hebben gegaard. Ze hebben immers niets te kiezen.

De geïnterneerden trekken thee van gedroogde boomschors en leggen lakens neer om gras op te drogen, dat ze daarna kleinsnijden om er sigaretten van te draaien. Ze zijn zo vermagerd dat de mannen een ingevallen gezicht hebben en de vrouwen er tientallen jaren ouder uitzien dan ze zijn. Als gevolg van ondervoeding hebben sommigen ondraaglijke pijn in hun voeten, waardoor ze niet kunnen lopen.

Sommige mensen kunnen de druk niet aan en storten in. Reggie Arbogast vraagt Will of hij eens met zijn vrouw wil praten. Ze doet geen mond meer open, maar blijkbaar heeft ze altijd een zwak voor Will gehad, een gevoel waar die niet van op de hoogte was en dat zeker niet wederkerig is. Toch belooft hij bij haar langs te gaan.

Hij klopt aan, en als hij daarna de kamer binnenstapt, ziet hij daar een surrealistisch tafereel: Regina Arbogast zit op haar bed met een wijnrode avondjurk aan. Ze heeft haar haar opgestoken in een slordige wrong waar een paar slierten uit zijn ontsnapt en rond haar ogen zitten zwarte vlekken. Als hij beter kijkt, beseft hij dat het houtskool is. Haar lippen zijn dik besmeerd met rode lipstick, die is uitgevloeid over de huid rond haar mond.

‘Mevrouw Arbogast,’ begint hij.

Ze blijft onbewogen zitten, als een groteske marionet.

‘Regina,’ zegt hij. ‘Je moet eens een luchtje gaan scheppen. Het is stralend weer.’

Ze kijkt hem aan. ‘Will,’ zegt ze uiteindelijk. Er zit lipstick op haar tanden.

‘Ja, Regina? De frisse lucht zal je goeddoen.’

‘Will. Jij bent altijd een goed mens geweest. Ik heb je bewonderd. Hongkong heeft jou niet bedorven, zoals zoveel anderen.’

‘Dank je, Regina. Ik weet niet…’

‘Anderen zijn erdoor vergiftigd. Het leven is hier te makkelijk. Zoveel bedienden als je maar wilt, een luxeleventje dat wordt bekostigd door de overheid of door het bedrijf waarvoor je werkt. Voor alles wordt gezorgd. Daar kweek je slappelingen mee.’

‘Regina, dat is geen goed onderwerp om nu over te piekeren. Je moet iets zoeken om je geest bezig te houden. Ik geloof dat een groepje vrouwen van plan is een toneelstuk te gaan opvoeren. Je zou eens met ze moeten gaan praten…’

‘Pfuh!’ Ze spuugt op de grond. ‘Stomme wijven!’

Hij gaat zwijgend zitten, want hij wil haar niet verder provoceren.

‘Dat zijn stompzinnige vrouwen die het idiote idee hebben dat we door een paar gevatte regeltjes tekst zullen vergeten dat we hier zitten, in deze afschuwelijke situatie. Ik veracht ze.’

En zij jou, denkt Will, maar hij zegt het niet.

‘Wat zou jij dan graag willen doen?’

Ze kijkt hem ongelovig aan.

‘Wat dénk je nou godverdomme dat ik zou willen doen? Maken dat ik hier wegkom en als de gesmeerde bliksem naar huis gaan, naar Engeland!’ Regina Arbogast lijkt in een dokwerker te zijn veranderd.

‘Je taal, Regina,’ zegt Reggie, die net is binnengekomen. Zijn ogen staan dof en liggen diep. De dokter heeft gezegd dat hij vitamine C nodig heeft, maar er zijn geen citrusvruchten te krijgen.

‘O, Reggie, hou je mond.’

Will staat op en wil vertrekken.

‘Nee, niet weggaan,’ commandeert Regina. ‘Reggie kan doen wat hij wil, dat kan me echt geen ene moer meer schelen. Er zijn een paar dingen die ik je wil vertellen, Will, omdat ik denk dat je het recht hebt die te weten.’

‘Regina, ik denk niet dat Will…’

‘Reggie!’

Reggie Arbogast kijkt Will hulpeloos aan, alsof hij wil zeggen: zie je nou wat ik met haar te stellen heb? Dan loopt hij de kamer uit. Will kijkt verlangend naar de deur.

‘Regina?’

‘Will, jij was een van de mensen van wie ik hoge verwachtingen had toen je aankwam,’ zegt ze, helemaal in de rol van de hogepriesteres van de beau monde voor wie ze zich altijd graag heeft uitgegeven. ‘Reggie kende je door zijn werk en hij gaf altijd hoog van je op. Ik was van plan je heel vaak uit te nodigen voor mijn dinertjes.’ Voor de mensen in Hongkong die om dat soort dingen gaven was het ooit heel belangrijk te worden uitgenodigd voor de etentjes van Regina Arbogast, vanwege hun overdadige luxe, met zorg uitgewerkte thema’s en exclusieve gastenlijst.

Trudy lachte altijd om alles wat Regina deed. ‘Zo opgesmukt! Zo pretentieus!’ zei ze. ‘Weet je dat ze een winkelmeisje in Manchester was, voordat ze met Reggie trouwde? Al die kouwe drukte van haar is van zeer recente datum. Ik heb gehoord dat hij heel aardig was voordat hij haar ontmoette.’

‘Dat is heel vriendelijk van je, Regina.’

‘Maar toen begon je om te gaan met die Trudy. Ben je op de hoogte van haar verleden? Ze heeft meteen haar klauwen in je geslagen. Die dame weet precies wat ze doet, dat is zeker. Ze heeft je weggekaapt voordat iemand anders ook maar een kans heeft gekregen. Je weet toch wel hoe ze wordt genoemd? De koningin van Hongkong!’ Ze lacht. ‘Ronduit belachelijk! Ze voelt zich overal boven verheven, met die rare halfbloedgewoontes en -denktrant van haar. Neem me niet kwalijk, maar ze is onuitstaanbaar. Maar ja, liefde maakt blind, kennelijk.’

Will heeft geen idee waarom Regina tegen hem praat alsof hij een van haar vriendinnen uit de hogere kringen is en ze samen zitten te roddelen en thee te drinken in het Peninsula Hotel.

‘Ik geloof niet dat dit de juiste plek of het juiste moment hiervoor is,’ begint hij.

‘Luister. Ik zal ter zake komen. Je denkt dat ik je niets te vertellen heb, maar dat heb ik wel degelijk.’ Regina Arbogast buigt zich naar hem toe. ‘Reggie heeft de gouverneur gesproken toen die net was aangekomen. In zijn eerste week hier heeft gouverneur Young een geheime bijeenkomst gehouden. Op de dag van het Tin Hat Ball. Hij wilde een paar sleutelfiguren binnen de kolonie leren kennen en hun om advies vragen. Hij was nieuw in Hongkong en had geen idee hoe de zaken hier in hun werk gingen. Hij wist dat de oorlog naderde, maar hij wilde niet dat dat algemeen bekend werd om de mensen niet ongerust te maken, het uilskuiken. Nou, en op die bijeenkomst…’ Regina gaat weer rechtop zitten. ‘Vind je dit wél interessant?’

Will kijkt haar aan, tegelijkertijd geërgerd en geboeid. ‘Ga verder, Regina.’

Tevreden buigt ze zich weer naar hem toe. ‘Op die bijeenkomst werd onder meer besproken wat er zou gebeuren met de Krooncollectie in het huis van de gouverneur, waaronder zich zoals je misschien weet zeer kostbare stukken bevinden, met name Chinese antiquiteiten, zoals teksten en vazen en andere voorwerpen uit de oudheid die zijn opgegraven. Dat ligt zeer gevoelig, omdat de Chinezen vinden dat ze zijn gestolen. Volgens Reggie zijn er voorwerpen bij die duizenden jaren oud zijn. Er is besloten dat de collectie verborgen zou worden en dat slechts drie mensen mochten weten waar. Aangezien die drie mensen zich in zeer verschillende situaties bevonden, zou er altijd minstens een zijn die… in leven bleef.’

Onwillekeurig zit Will nu toch gefascineerd te luisteren.

‘En uiteraard was Reggie een van die drie.’ Regina permitteert zich een trotse glimlach. ‘En hij heeft mij erover verteld. Maar niet waar de collectie verborgen is en ook niet wie de anderen zijn.’ Haar glimlach verdwijnt. ‘Hij is altijd irritant integer geweest wat dit soort dingen betreft. Zijn land gaat hem boven alles, dat is hem met de paplepel ingegoten. Ik geloof werkelijk dat hij mij ervoor zou opgeven, als het nodig was. Misschien zelfs de kinderen. Nou ja, dat betekent in elk geval dat hij de juiste man was om in vertrouwen te nemen.’

Ze staat op van het bed en sloft naar de deur.

‘Ik heb hier geen goede schoenen en ik heb nog niemand gevonden die eraan kan komen. Ken jij iemand? Ik heb alleen deze afschuwelijke muiltjes, die eruitzien alsof ze op een vismarkt thuishoren.’

‘Regina, waarom heb je me dit verteld?’

Ze glimlacht koket. Het effect is grotesk.

‘Ik heb een voorgevoel, Will. Ik weet dat er buiten de muren van alles speelt en dat er veel te doen is rond geheimen en intriges. Ik wilde gewoon dat jij het wist.’ Ze klemt zijn hand tussen de hare, die droog en reptielachtig aanvoelen. ‘Beschouw het maar als een geschenk van mij.’

De week daarna verschijnt Trudy in een mantelpakje van goede snit met bijpassende hoed, en ze heeft het grootste pakket bij zich dat Will ooit heeft gezien.

‘Het leven in de stad is zo raar,’ zegt ze, terwijl ze haar handschoenen uittrekt en gaat zitten. ‘Er lopen de vreemdste mensen rond, het ergste zootje ongeregeld dat ik ooit heb gezien. De Russen, aan wie we al zo’n hekel hadden, zijn werkelijk overal en ze zijn onuitstaanbaarder dan ooit. Nu alle anderen weg zijn voelen ze zich heel wat. Ze zijn nog erger dan die zelfingenomen Zwitsers. Ik was op een dinertje met de dokter – dr. Selwyn-Clarke, die nu de medisch adviseur is van Isogai, de nieuwe Japanse gouverneur – en Sir Vandeleur Grayburn, die nog net zo kostelijk is als altijd, hoewel hij erg somber is over wat er allemaal gebeurt, en daar was ook een Russisch meisje. Ik weet niet of je je haar herinnert maar ze heet Tatiana. We kwamen haar vroeger overal in de stad tegen. Ze had zo’n akelige manier van doen, je weet wel, ze dronk een beetje te veel en was iets te brutaal. Hoe dan ook, ze zei de lompste dingen tegen de dokter. Ze is tegenwoordig getrouwd met een Chinees die dikke maatjes is met de Kempeitai, dus ze denkt dat ze onkwetsbaar is… Ze had haar man natuurlijk niet meegenomen naar het etentje. Volgens mij ziet ze hem als levensverzekering. Ik schiet haar eigenhandig dood als dit allemaal voorbij is.’

‘Waar was dat etentje?’

‘Bij de familie Selwyn-Clarke, maar dat wordt allemaal met veel geheimzinnigheid omgeven. Hij moest doen alsof het een vergadering was over geneesmiddelenvoorraden en zo, wat het deels ook wel was, maar er stonden bewakers buiten te luisteren, dus het was echt niet zomaar een etentje. En weet je wie er dood is? Crumley, die Amerikaan die altijd in de Grill zat. Ik herinner me nog dat hij ons vertelde dat hij had gepicknickt in Shek O en dat er daar per ongeluk een vlinder in zijn mond was gevlogen. Die had hij ingeslikt, en nu is hij dood. Met of zonder ingeslikte vlinder. Soms denk ik aan die dingen, weet je.’ Ze gaat sneller spreken en praat over koetjes en kalfjes, onbelangrijke verhalen over allerlei mensen.

‘Otsubo adoreert me inmiddels, en hij geeft me alles waar ik om vraag. Kijk maar wat ik allemaal voor je mee heb kunnen brengen! Ham en koffie, suiker en poedermelk. Ik heb nog wat van die aardbeienjam opgesnord die overal in omloop is. En zelfs honing. Nu heb je echt reden om jaloers te zijn, lieverd.’ Maar ze ziet er slechter uit dan ooit: ze is vel over been, haar lippen zijn droog en gebarsten en haar haren zijn naar achteren getrokken in een slordige knot. Haar blouse lijkt te groot voor haar en de kraag is zo wijd dat ze erin weg lijkt te zinken.

‘Ik heb me afgevraagd wat voor soort man hij is en ik geloof dat ik eruit ben. Als je iets tegen hem zegt en hij snapt het niet, vraagt hij je om het te herhalen, en dat steeds opnieuw totdat hij het wel snapt, terwijl de meeste mensen na de tweede of derde keer beleefd zouden doen alsof ze het begrepen hadden. Hij is vastberaden en geeft niets om omgangsvormen. Het zal zijn carrière wel ten goede zijn gekomen dat hij zo nauwgezet en vasthoudend is, vermoed ik.’

‘Eet je wel? Je ziet eruit alsof je niets binnenkrijgt.’

‘Ik heb Otsubo meegenomen naar Macau en hem die “bonen” laten eten, je weet wel, de babymuisjes die door niet-ingewijden voor bonen worden aangezien. Hij vond ze heerlijk. En dan zeggen ze nog dat Chinezen alles eten.’

‘Dat interesseert me allemaal niet… Je ziet eruit als een opgewarmd lijk.’ Hij pakt haar hand. ‘Het kan me niets schelen dat hij gek op je is en jij dingen moet doen die je niet wilt… Ik wil alleen maar dat het goed met je gaat.’

Ze lacht abrupt. ‘En hoe weet je dat ik die dingen niet wil? Misschien doe ik er wel enthousiast aan mee.’

Ze schuift hem het pakket toe. ‘Alsjeblieft, eten.’

‘Kom in het kamp,’ zegt hij. ‘Ik zal voor je zorgen.’

‘Will, lieverd.’ Ze legt haar hand om zijn gezicht. ‘Daar is het te laat voor. Het bevalt me wel buiten de muren. Ik heb eindelijk greep op de situatie, hoe onzeker ook.’

De deur gaat open en Edwina Storch komt binnen met een groot pakket in haar handen.

‘Hallo,’ zegt Trudy. ‘Kom je Mary bezoeken?’

‘Ja,’ antwoordt Edwina. ‘Hallo, Will. Hoe gaat het met je?’

‘Goed, dank je. Mary houdt zich kranig. Haar moed en opgeruimdheid doen ons allemaal goed.’

‘Ja, ze houdt zich fantastisch,’ zegt Edwina. ‘En dat in deze vreselijke situatie.’ Ze kijkt opmerkzaam naar Trudy’s pakket. ‘Wat heb jij veel jam, Trudy. En koffie! Je moet wel een heel belangrijk persoon kennen.’

Mary Winkle komt binnen en de twee vrouwen, de een groot en de ander klein, omhelzen elkaar. Ze lopen een andere kamer in.

Trudy kijkt hen na tot de deur dicht is.

‘Ik kom haar tegenwoordig overal tegen,’ zegt ze. ‘Ze is sinds de bezetting zeer aanwezig in de samenleving.’ Ze aarzelt even. ‘Maar ik geloof dat ik haar wel mag.’

Will pakt haar hand. Ze ziet er verloren uit.

‘Weet je wat mijn beste eigenschap is?’ vraagt ze.

‘Je hebt zoveel goede eigenschappen dat ik het niet zou kunnen zeggen.’

‘Ik zie het beste in anderen. Ik word verliefd op mensen doordat ik als door een raam in hun binnenste kan kijken en ze op hun mooist zie. Ik ben ontelbare malen verliefd geweest, maar het probleem is dat daar ook weer snel een einde aan komt. Ik zie net zo makkelijk het slechtste in hen.

Weet je dat ik ogenblikkelijk verliefd op jou werd? Die dag bij de Trotters was je me natuurlijk al opgevallen omdat je nieuw was, en toen ging je aan de piano zitten. Je speelde niet meer dan een paar noten, maar die speelde je zo goed en zonder je ervan bewust te zijn dat er iemand naar je luisterde. Het was in de kamer die aan de tuin grenst en behalve jij was er niemand. Ik kwam langs op weg naar het toilet en zag je daar zitten. Op dat moment was ik meteen verliefd op je, en daarna stootte ik je drankje over me heen om kennis met je te kunnen maken.’

‘Trudy, liefste,’ zegt hij.

Ze staat op. ‘Ik kan hier niet tegen,’ zegt ze haastig. ‘Echt niet.’ En dan draait ze zich om en vertrekt. ‘Eet op wat ik voor je heb meegebracht,’ roept ze achterom terwijl de deur met een klap achter haar dichtvalt. ‘Je moet sterk blijven.’ Haar stem sterft weg terwijl ze door de gang loopt.

‘Johnnie, ik moet hier weg.’

Dat zegt Will die avond. Ze liggen net in bed en hij hoort aan de dieper wordende ademhaling van zijn kamergenoot dat die bijna slaapt. Even valt de ademhaling stil, en dan komt het antwoord.

‘O ja?’

‘Ja. Ik raak haar kwijt.’

‘Aha.’

‘Help je me?’

‘Natuurlijk.’

Maar dat had hij niet hoeven vragen. Trudy wist uiteraard een andere manier.

‘Ik heb een week verlof voor je geregeld. Otsubo heeft me een pasje gegeven waarop staat dat je een klusje voor hem moet doen. Fantastisch, hè?’

‘Wat voor klusje moet ik doen?’

Ze kijkt hem aan alsof hij de essentie volledig heeft gemist.

‘Geen idee. Iets administratiefs waarvoor jij en alleen jij, de onnavolgbare Will Truesdale, gekwalificeerd bent. De boekhouding bijwerken. De planten water geven. Hielen van Japanners likken. Wat maakt het uit? Je mag hier weg! Ben je niet dolblij? Stank voor dank krijg ik van jou!’

‘Wat moet ik ervoor doen?’

‘Wat een uilskuiken ben jij! Niets!’ roept ze uit. ‘Helemaal niets! Ik dacht dat het fijn voor je zou zijn om hier weg te kunnen en te zien wat er in de buitenwereld gebeurt. Jij bent de enige die deze kans krijgt, hoor.’

‘Nou, bedankt,’ zegt hij. ‘Ik waardeer het zeer, heus waar.’

‘Dan kun je zien hoe het leven buiten de muren is, hoe mijn leven is geworden.’

‘Misschien kunnen we er een uitwisselingsprogramma van maken,’ zegt hij. ‘Dat jij een paar weken hier komt.’

Peut-être,’ antwoordt ze. Als ze van onderwerp wil veranderen, neemt ze altijd haar toevlucht tot het Frans.

De maandag daarop staat Will dus te wachten voor het bewakershuisje. Hij is de afgelopen week tamelijk goed behandeld. Ohta is naar hem toe gekomen met een kopie van de verlofpas en heeft geprobeerd hem uit te horen.

‘Otsubo heeft je ontboden,’ zei hij.

‘Ja.’ Will knikte.

‘Hij is commandant van de marechaussee.’

‘Ja.’

‘Jij hebt speciale vaardigheid?’

‘Ja.’

Ohta bleef afwachtend staan in de hoop dat Will nog iets zou zeggen. Toen dat niet gebeurde, gooide hij de pas op de grond en zei dat Will op maandag bij het hek moest wachten. Daarna viel het Will op dat alle bewakers beleefder tegen hem waren en dat hij geen last meer had van pesterijen en het onverwachts doorzoeken van zijn spullen.

Trudy komt aan in een cabriolet en wil met alle geweld rijden, hoewel ze een gevaar op de weg is. Als ze schakelt knarst de versnelling, en ze neemt de bochten veel te ruim. ‘Dat krijg je als je je hele leven een chauffeur hebt gehad,’ zegt ze schouderophalend als Will ten slotte eist dat ze de auto aan de kant zet zodat hij achter het stuur kan gaan zitten.

‘Je ziet er goed uit,’ zegt hij met een zijdelingse blik. Nu het warmer is geworden, draagt ze een voorjaarsjurk en een gele strohoed met een brede rand.

‘Ik ben weer naar mijn vroegere kleermaker gegaan en die heeft snel een paar dingen voor me in elkaar gezet. Hij heeft het werk hard nodig en ik moet naar gelegenheden waar ik geacht word er goed uit te zien.’

Hij stelt geen vragen.

Ze rijden naar het Peninsula Hotel.

‘Het heet nu het Toa, denk erom,’ zegt ze.

Trudy wordt met glimlachjes en buigingen begroet als ze zich door de lobby spoedt, die vroeger deftig was maar waar het nu wemelt van de soldaten en vol staat met stalen tafels en ander streng legermeubilair.

‘Otsubo heeft hier een suite waar Dommie en ik wonen. Voor zichzelf heeft hij een huis aan Barker Road gevorderd. Het is hier beter dan in het hok waar we eerst zaten. We hebben geluk gehad. Je zou je ogen niet geloven als je zag hoe de mensen tegenwoordig wonen, met twee of drie gezinnen in een appartement. Afgrijselijk, maar ja, het is nu eenmaal oorlog. Mijn oude appartement is gevorderd voor een militair uit het middenkader. Nogal beledigend, vind je niet? Persoonlijk vond ik het een heel aardige woning.’

‘Hoe gaat het met je vader?’

‘Goed,’ zegt ze kortaf. ‘Het gaat goed met hem.’

‘Hoe kom je aan geld?’ Nu hij buiten is, denkt hij aan zaken waar hij zich maandenlang niet om heeft bekommerd.

‘We mogen elke week wat geld opnemen, maar het is een hachelijke zaak. We nemen natuurlijk geen grote bedragen op, maar het blijft een raar idee dat ze weten dat je rekeningen hebt waar geld op staat. Je wilt niet dat ze daar al te diep over gaan nadenken. Alles is onzeker en dat is akelig. Er zijn geen regels en als ze er wel zijn, kunnen ze elk ogenblik veranderd worden.’

‘Moet jij ook op je hoede zijn? Is Otsubo niet de magische troefkaart?’

Daar moet Trudy over nadenken. Ze vertrekt peinzend haar mond. Will onderdrukt de neiging haar in zichzelf gekeerde gezichtje te kussen.

‘Hmmm… Ik zou hem geen troefkaart willen noemen, want hij is nogal veranderlijk. Hij deelt gunsten uit en heeft daar later weer spijt van. Hij geeft en wil terugnemen. En dan kost het moeite om hem over te halen dat niet te doen. Hij is niet gul van aard. Dat zijn machtige mannen meestal niet. Hier is het.’ Ze doet de deur open van een kamer die ronduit een paleis is in vergelijking met Wills kamertje in Stanley. Een suite met grote ramen die uitzicht bieden op de blauwe, met bootjes bespikkelde zee, een pluchen tapijt, dikke zijden gordijnen en ventilatoren die traag ronddraaien.

‘Welkom in het Pen!’ Trudy maakt een reverence.

‘Kijk nou toch,’ zegt hij, en hij gaat op het bed zitten. ‘Een bed met echt beddengoed erop! Gordijnen tegen de zon! En ik durf te wedden dat er zelfs WC-papier is in het toilet.’

‘Daar zou je best eens gelijk in kunnen hebben. En wil je me nu eindelijk eens een keer bedanken, ondankbare hond dat je er bent? Sinds ik dit plannetje heb verzonnen, heb je niets anders gedaan dan klagen en argwaan koesteren. Bedank me.’

De hereniging is heerlijk: het zonlicht van de namiddag dat schuin door het raam naar binnen valt, de vlakke horizon van de zee en de boten die in de haven dobberen, en Trudy, vlak naast hem. Hij heeft zo vaak aan haar gedacht, heeft haar geur en het gevoel van haar huid tegen de zijne zo lang moeten missen dat hij zich beweegt als in een droom. Ze is stil – stiller dan anders – en maakt een nerveuze indruk. Ze zijn allebei te uitgedroogd, hun dorst is te groot om gelest te kunnen worden door iets aards als lichamelijke bevrediging.

‘Zeg eens eerlijk,’ zegt ze naderhand, als ze met het laken tegen zich aan gedrukt in bed zit, ‘heb je een bijslaapje in Stanley? Een of ander Amerikaans kreng dat je hart heeft gestolen? Je kunt toch niet al die tijd celibatair geweest zijn, iemand met jouw vurigheid? Hoe moet je je anders vermaken in dat saaie kamp?’

‘Ik ben alleen vurig als jij in de buurt bent.’ Hij stelt haar niet dezelfde vraag, omdat hij weet dat elk mogelijk antwoord ondraaglijk zou zijn. Als hij een klein stukje van haar voor zichzelf kan houden, komt alles misschien nog goed. ‘Maak je niet druk over dat soort dingen, dan zal ik het ook niet doen.’ Hij biedt haar een olijftak aan, zodat ze kunnen genieten van de tijd die ze samen doorbrengen.

Ze ontspant zich en kruipt behaaglijk dicht tegen hem aan.

‘Het is een akelige tijd geweest,’ zegt ze. ‘De Japanners verzamelen de Chinezen die, laten we zeggen, welwillend tegenover hen staan of om zakelijke redenen doen alsof, en geven absurde diners waarop met champagne wordt getoost op hun goede gedrag en ze worden gefêteerd alsof ze een enorme bijdrage aan de samenleving hebben geleverd. Heel onwezenlijk. Victor Chen is natuurlijk dikke maatjes met de Japanners en probeert op alle mogelijke manieren zaken met ze te doen. Ik maak me zorgen over Dommie. Victor gebruikt hem.

We zijn eens naar zo’n diner geweest, en daar bracht David Ho, een oude vriend van onze familie, een toost uit op de pan-Aziatische superioriteit. Dan moet je weten dat hij getrouwd is geweest met een Australische en gek op haar was, maar ze is een paar jaar geleden gestorven en toen is hij hertrouwd met een Chinese, wat nu extra goed uitkomt. Het is een ongelooflijke lafaard. Als ik het niet met mijn eigen ogen had gezien, had ik het niet geloofd. Zijn kinderen zitten nota bene in Australië op school. Ik vraag me af of hij die ooit nog recht in de ogen zal kunnen kijken. Het zijn heel rare diners. Ze worden gehouden in de balzaal van het Gloucester en zouden zeer exclusief moeten zijn, maar het zijn de meest waardeloze partijtjes die je ooit hebt meegemaakt. Een slechte combinatie van propagandafilms, inferieure drank en huichelaars. Iets ergers kun je je niet voorstellen.’

‘Waarom ga je er dan naartoe?’

Ze stapt uit bed en uit haar hele lichaamshouding spreekt verwijt.

‘Ik was vergeten hoe het voelde om mijn geweten altijd bij me te hebben. Soms moet je nou eenmaal dingen doen die je niet wilt, Will. We kunnen niet allemaal in volmaakte harmonie met onze integriteit leven.’

Hij hoort dat ze de kraan opendraait. Ze ging altijd al graag in bad en zat er vaak zo lang in dat haar gladde huid er rimpelig van werd en haar gezicht gloeide van de warmte.

‘Hoe is het water hier?’ roept hij om het goed te maken. Ze hebben te weinig tijd samen om die te laten bederven door grieven van vroeger.

‘Niet slecht, de omstandigheden in aanmerking genomen. Niets is erger dan een lauw bad, vind je niet? Kom je er ook in?’

Ze giet Badedas in het stomend hete water, waardoor het gaat schuimen. De groene, citroenachtige geur stijgt op door de warmte. Ze wassen elkaar, glijden langs en om elkaar heen en gaan nergens te diep op in. Ze blijven aan de oppervlakte, want hun verstandhouding is net zo broos als de belletjes in het bad.

Het leven in Hongkong is vreemd: een eigenaardige parodie van een vrije samenleving. Benepen gezichten, argwanend opgetrokken schouders, iedereen doet zijn best niet in het oog te lopen en er onopvallend uit te zien. Alles is het tegendeel van normaal: Amerikanen die zacht praten, Britten die zich bescheiden opstellen, Chinezen die bedeesd lijken. Iedereen is timide, behalve Trudy en Dominick, die samen met hen luncht. Ze ontmoeten elkaar in de lobby van het hotel en Dommie zoent Trudy op beide wangen en knikt Will kort toe.

‘Hallo, schat,’ zegt hij tegen Trudy, en hij geeft haar een grote envelop met papieren erin. ‘Dit is van Victor. Met zijn hartelijke groeten.’

Trudy verbleekt. ‘Hartelijk nog wel?’

Ze gaan op pad, en Trudy en Dominick lopen door de straten alsof die van hen zijn. Ze lachen luid en zijn opzichtig en zichtbaar duur gekleed.

‘Als je doet alsof je onkwetsbaar bent, zullen de meeste mensen aannemen dat dat zo is, schat,’ zegt Trudy geruststellend tegen Will. ‘Geloof me, het is een theorie die ik uitgebreid heb beproefd.’ Ze haalt een versleten blauw boekje vol stempels tevoorschijn. ‘En dit helpt natuurlijk enorm. Otsubo heeft het me gegeven, en elke Jan soldaat die me tegenhoudt ziet hieraan dat hij me maar beter met fluwelen handschoentjes kan aanpakken, want anders zwaait er wat voor hem. Als ze zijn stempel zien, bevriezen ze meestal min of meer, schuiven het boekje naar me terug alsof het in brand staat en slaan op een gênante manier aan het buigen en pluimstrijken. Ik ben er behoorlijk verslaafd aan geraakt.’

‘En Dominick?’

‘Hij heeft er een met het stempel van zíjn beschermheer. Iedereen die bij de crème de la crème hoort heeft zo’n boekje, hoor.’ Haar lach klinkt kil.

‘En wat vindt Otsubo ervan dat je mij uit het kamp hebt gehaald? Weet hij dat?’

‘Hij heeft het voor me geregeld. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat hij het jaloerse type is. Ik denk niet dat jullie elkaar veel zullen zien. Wil je Kantonees eten? Ik heb eigenlijk wel zin in noedels.’

‘Chinees?’

‘Ja. Al het andere eten is tegenwoordig waardeloos, want er is niemand meer die dat kan klaarmaken.’

‘Heb je wel eens een maaltijd overgeslagen?’

‘Lieverd, je hele dag wordt grijs als je een maaltijd overslaat. Dat kunnen alle Chinezen je vertellen. Ik zou dat pas in een uiterst noodgeval overwegen. Dommie kent een zaakje waar ze de meest fantastische rijstnoedels hebben in een bouillon die de hele dag wordt getrokken. Die is om twee uur ’s nachts natuurlijk het lekkerst, want dan heeft hij de hele dag opgestaan, maar tegenwoordig word je argwanend bekeken als je ’s avonds laat op straat bent zonder een van onze grote leiders.’

‘Hoe is het met de Grill? Nog steeds in bedrijf?’

‘Ja, daar gaan we nog steeds naartoe. Het is er eigenlijk best een vrolijke boel. En er komen niet alleen Japanners. Er zijn groepjes Amerikanen en Britten die nog vrij zijn – het is niet gepast om te vragen hoe dat kan, maar zo te zien worden ze niet lastiggevallen door de Japanners – en allerlei anderen, mensen van het Zwitserse Rode Kruis bijvoorbeeld, en af en toe een verdwaalde Duitser. Er loopt vandaag de dag in Hongkong een hoogst interessant allegaartje van mensen rond. De oorlog heeft de mensen gezift en wat er in de zeef is overgebleven bestaat, laten we zeggen, uit een gevarieerd gezelschap. Zo is er bijvoorbeeld een Amerikaanse vrouw, Jinx Beckett. Ik kan er maar niet achterkomen wat haar achtergrond is en waarom ze niet in Stanley zit, net als jij, want ik weet zeker dat ze geen belangrijke bankier of regeringsfunctionaris is. Je zult haar vast wel ontmoeten. Je ziet haar waar je maar komt, en ze is nog nieuwsgierig ook: ze steekt overal haar neus in. En er zijn nog steeds feestjes. We gaan nog altijd dansen bij Gripps, maar af en toe zetten ze de muziek uit en projecteren ze hilarische propagandafilms op de muren van de balzaal. Ze gaan allemaal over pan-Aziatische superioriteit. Kennelijk hebben ze niet door dat ze die vertonen voor een zootje niet-Aziaten. Om te gillen.’

Will ziet iets opzienbarends: een krantenkiosk.

‘Ik zou dolgraag weer eens een krant willen lezen. Hoe staat het met de Engelse kranten?’

‘Die worden gedreven door een Zweed onder nauwlettend toezicht van de Japanners,’ zegt Dominick. ‘Het resultaat is zoals je zou verwachten. Gebeuzel. Ik neem aan dat je er graag een wilt hebben.’

‘Zeker,’ zegt Will, en hij pakt The Standard en The News. Trudy betaalt.

‘Het is propaganda,’ fluistert Trudy. ‘Ze drukken af wat hun wordt gezegd.’

‘Niet zo opvallend, schat,’ zegt Dominick om haar het zwijgen op te leggen. Opeens ontspant hij en wendt zich tot Will. ‘Vertel eens, hoe bevalt het je buiten het gevang?’ Tot op dat moment hebben ze elkaar ternauwernood fatsoenlijk begroet. ‘En is het daarbinnen echt zo afschuwelijk als ze zeggen? Hoewel er in de krant uiteraard wordt beweerd dat jullie worden behandeld als de meest gerespecteerde gasten in het Ritz.’

‘Het is zeker niet ideaal. Maar hierbuiten is de atmosfeer ook nogal beladen. Iedereen lijkt op eieren te lopen.’

‘Is het waar dat Asbury daar ook zit en dat hij als een ordinaire riksjatrekker zijn eigen was doet?’ Asbury is een bankier die bekendstond om zijn arrogantie en die Will kortgeleden heeft zien graven in de aarde in een poging een tuin aan te leggen. Omdat zijn vrouw de meeste dagen op bed ligt hangt hij inderdaad zelf zijn hemden te drogen.

‘Dat klopt, maar hij houdt zich staande. Het is verbazingwekkend hoe mensen onder alle omstandigheden een zekere waardigheid behouden.’

‘Ja, maar we zijn niet meer onze eigen baas, hè?’ Dominick kijkt om zich heen. ‘Hoewel dat voor de een meer geldt dan voor de ander.’

Will zegt niets.

‘Je kunt in elk geval beter op vrije voeten zijn, vind je niet?’ vraagt Trudy. ‘Wij moeten wel een beetje opletten hoe we ons gedragen, maar niemand zegt ons wat we moeten doen of wanneer we moeten eten. We hebben weer gas en water. De prijzen van levensmiddelen schommelden sterk maar lijken nu weer stabiel. We kunnen kleine bedragen opnemen. Het openbaar vervoer functioneert, net als de post – tot op zekere hoogte – en iedereen begint te wennen aan de omstandigheden, hoe onaangenaam die ook zijn. Je ziet nog steeds af en toe een lijk op straat liggen, wat heel akelig is. En de Japanners laten de koelies heel hard werken, harder dan de Chinese bazen deden, dus ze hebben het zwaar. Ze worden trouwens ook massaal teruggestuurd naar China. Ik geloof dat de Japanners de bevolking willen halveren.’

‘Het valt allemaal niet mee tegenwoordig, hè?’ zegt Dominick. ‘Ah, daar is het noedelzaakje.’

Na de lunch gaat Dominick naar zijn werk – ‘voor zover je het werk kunt noemen’, zegt hij op zijn gebruikelijke lome manier – en Trudy en Will gaan winkelen. Trudy struint regelmatig de markt af op zoek naar schatten.

‘Ik heb spullen gezien die ik herken uit de huizen van vrienden!’ zegt ze, terwijl ze een tafel vol gestolen goed afspeurt. ‘De vergulde klok van de Ho’s en die bijzondere dolk die bij de Chens boven de schoorsteenmantel hing. Ik had ze wel willen kopen, maar ik had niet genoeg geld.’ Ze dempt haar stem. ‘Die smerige ratten hebben alles meegenomen wat ze konden dragen, en daarna heeft de plaatselijke bevolking het nog eens dunnetjes overgedaan en alle huizen leeggeplunderd. Het was om te huilen om te zien hoe die schepen wegvoeren naar Japan, afgeladen met alle prachtige spullen die onze vrienden hadden verzameld. Auto’s, meubilair en sieraden! Er moeten op dit moment heel wat soldatenvrouwen zijn die theekransjes houden met het wedgwood van iemand anders.’

‘Kunnen we ergens eten kopen dat ik mee terug kan nemen naar het kamp?’

‘Dat is afhankelijk van de dag en van wat ze hebben kunnen bemachtigen. Soms is er poedermelk, soms kratten vol mosterd. We zien het wel.’ Ze zwijgt even. ‘Het heeft wel iets bevrijdends om je te moeten beperken tot het strikt noodzakelijke. Het lijkt nu zo frivool dat ik me bezig heb gehouden met jurken en picknicks.’

‘Zo te zien hebben Dominick en jij jullie maaltijden en onderdak goed geregeld.’ Hij probeert het te zeggen op een toon waar geen oordeel in doorklinkt.

‘Ja, dat klopt,’ antwoordt ze luchtig. ‘Maar dat kan morgen weer afgelopen zijn, dus we moeten er maar van genieten zolang het kan, vind je niet?’

Ze loopt Pottinger Street in en slaat af naar een klein steegje.

‘Hier zit een winkeltje waar je heel bijzondere dingen kunt kopen.’

‘Waar is de meeste vraag naar?’

‘Voornamelijk naar levensmiddelen. En sommige mensen zijn gaan speculeren in goud en dergelijke. Als we hier klaar zijn, gaan we naar de markt.’

Er rinkelt een belletje als Trudy de deur openduwt. Binnen is het donker en hangt de penetrante geur van teakhout en de wasachtige olie waarmee dat wordt ingewreven. Een winkeltje in curiosa met gekraste, smoezelige glazen vitrines vol oosterse rariteiten. Trudy zegt iets in het Kantonees tegen de vrouw achter de toonbank, waarop die haastig naar achteren loopt; haar stoffen muiltjes maken een schuifelend geluid over de grond.

‘Waar zijn we naar op zoek?’

‘O, ik doe gewoon een boodschap voor mijn baas. Je weet wel.’

‘Wat geheimzinnig,’ zegt hij.

De vrouw komt terug in het gezelschap van een kleine, gebogen man die gekleed is in zwarte zijde. Hij maakt een geïrriteerde indruk. Opnieuw zegt Trudy iets in snel Kantonees, en ze tekent met haar smalle handen een grote rechthoek in de lucht. De man haalt zijn schouders op en schudt zijn hoofd. Trudy’s stem wordt schril. Ze beëindigt het gesprek op scherpe toon, draait zich om en loopt de winkel uit.

Buiten schijnt de zon, een abrupte overgang als je uit zo’n donkere winkel komt.

‘Goed, nu het eten?’ vraagt hij. Ze vertelt het hem wel als ze eraan toe is.

‘Ja, het eten,’ zegt ze, en ze geeft hem dankbaar een arm. ‘Soms lijk jij ook wel een Chinees.’

De versmarkt ziet er net zo uit als altijd: gerimpelde oude vrouwtjes met brede strooien punthoeden en zwarte kieltjes, die hun waren luidkeels aanprijzen voor hun potentiële klanten. Hier een mand met groenten, daar een bak met taugé of blokken tofoe, drijvend in melkachtig water. Hij herinnert zich de geur, die plantaardige, enigszins onsmakelijke lucht van vuil en water die aan de groenten hangt. In het weekend kwam hij hier altijd met Trudy, want haar moeder heeft haar gezegd dat ze zich nooit te goed moet gaan voelen om naar de markt te gaan voor haar eigen eten. ‘Zo nu en dan, in elk geval,’ zei Trudy. ‘Niet altijd, natuurlijk. En je komt hier nooit iemand tegen die we kennen. Maar ik vind het niet erg. Het heeft iets basaals, vind je niet, om zelf te besluiten welke ui je precies wilt hebben of welke vis je gaat eten en die voor je te laten schoonmaken.’

‘Hoe kan het dat er geen schaarste is?’ vraagt hij nu, terwijl zij zich over een bosje radijs buigt en dat nauwgezet bekijkt.

‘Die is er wel, daarom zijn de prijzen hier ook exorbitant. Alle boeren uit de omtrek komen nu naar de stad, omdat ze weten dat ze hier vijf of zes keer zoveel voor hun waren krijgen als thuis. Alles concentreert zich dus hier. Ze komen met tien watermeloenen of een zak waterkers. Het is goed voor de ziel om te zien hoe eenvoudig het leven kan zijn. Je kweekt iets, oogst het en verkoopt het, en met het geld koop je iets wat je nodig hebt.’

Nadat ze wat conserven in blik, groenten en sigaretten hebben gekocht die Will mee terug kan nemen naar Stanley, maakt Trudy met hem een ritje over de Peak zodat hij alle gebombardeerde huizen en verwoeste wegen kan zien. Er staan afgebrokkelde muren en op de weg liggen bakstenen.

‘Ongelooflijk wat die bommen hebben aangericht, hè? Maar de Japanners zijn alweer aan het herbouwen. Ze hebben slaven aan het werk gezet – hun vrijwilligerskorps uit China, zoals ze het noemen – en die repareren de wegen en proberen de huizen op te knappen. Sommige zien er al heel aardig uit, en daarin hebben Japanse militairen hun intrek genomen.’

Ze komen langs een huis dat door een stuk of tien koelies wit wordt geschilderd.

‘De koning van Thailand heeft een olifant die is afgericht om te schilderen.’

‘Dat is weer een van die bizarre verhalen van jou.’

‘Nee, ik meen het serieus. Vader zei dat hij het zelf had gezien.’

‘Lieten ze die olifant dan het paleis schilderen?’

‘Absoluut niet! Volgens mij mocht hij alleen de bijgebouwen en de schuren en zo doen.’

‘Zo zal het ongetwijfeld zijn geweest, schat.’ Ze zijn gestopt bij een uitkijkplaats waar altijd toeristen kwamen om te genieten van het uitzicht over de haven van Hongkong.

‘Zullen we uitstappen?’

De ijzeren reling is wankel, onder hun voeten knerpen kiezelstenen en zand, en er waait een stevige wind met de metalige geur van de winter, die nog steeds niet verdreven is. Ze leunt tegen hem aan terwijl de wind aan haar haren rukt, en samen kijken ze uit over de groene zee en de witte, lage gebouwen die dicht op elkaar langs de kust en de haven staan.

‘Wat ligt het er nu vredig bij, hè?’ zegt Trudy peinzend. ‘De zee heeft in Hongkong een andere kleur dan waar ook ter wereld: een soort flessengroen. Ik denk dat het komt door de weerspiegeling van de bergen.’ Ze zwijgt even. ‘Nog maar een paar maanden geleden was het water rood van het bloed. De zeebodem ligt daar vol met schepen en lijken, dat kan niet anders. Het was raar om te zien hoe snel alles er weer normaal uitzag, hoe de natuur alles wat afwijkt verzwelgt.’

‘Wat is er met het huis van Angeline gebeurd?’

‘Ze heeft het weten te behouden, maar ik snap eigenlijk niet waarom ze niet in de stad komt wonen. Het wemelt hier van de hoge Japanse militairen, dus volgens mij is het niet erg veilig voor haar. We lunchen af en toe met elkaar, Dominick, Angeline en ik. Dan doen we net of alles normaal is.’

‘Maar gaat het wel goed met haar?’

‘Niet echt. Met geen van ons, eigenlijk.’

Ze gaan terug naar het hotel, waar Trudy zijn aankopen in zijn koffer pakt.

‘Hier zul je je geliefd mee maken.’

‘We moeten een manier verzinnen om proviand het kamp in te krijgen. De kinderen hebben vitamines en eiwitten nodig.’

De telefoon gaat.

‘Victor,’ zegt Trudy terwijl ze opneemt. Haar stem is vast.

‘Ja, ik heb het gekregen. Dommie heeft het me gegeven.’ Ze is even stil. ‘Dat weet ik. Ik doe mijn best.’ Opnieuw een stilte. ‘Ik laat het zo snel mogelijk weten, maar bel er alsjeblieft niet meer over.’ Met een klap legt ze de hoorn op de haak.

‘Is alles goed?’ vraagt Will.

Trudy negeert zijn vraag en zegt: ‘Kijk eens hoe zuinig ik kan zijn, Will.’ Ze gaat koffiezetten op een kookplaatje. ‘Dit is de derde keer dat ik deze drab gebruik. Heb je ooit wel eens zoiets efficiënts gezien? Ben je niet trots op me?’

Ze drinken de warme, bittere drank zonder melk of suiker.

‘O, dat vergeet ik bijna. Ik wilde je nog iets laten zien.’ Ze loopt naar het nachtkastje en trekt er een opgevouwen krant uit.

‘Dit redactionele commentaar stond op Valentijnsdag in die idiote krant. Dommie vindt dat ik het moet inlijsten.’ Ze leest voor: “‘De Euraziër wordt in alle Britse koloniën als probleem gezien. De term wordt gebruikt voor kinderen uit alle gemengde huwelijken en hun nakomelingen, generatie na generatie. Dat Groot-Brittannië en sommige andere westerse mogendheden de Euraziër als probleem zien in plaats van hem te accepteren en gebruik te maken van zijn kwaliteiten, is onbegrijpelijk voor mensen die zich in deze kwestie hebben verdiept. Deze mogendheden zouden juist veel profijt kunnen hebben van de Euraziër, die van onschatbare waarde kan zijn als bemiddelaar tussen de heersende natie en de plaatselijke bevolking.”’ Ze kijkt op. ‘Wil je nog meer horen?’

‘Mag ik het zelf even bekijken?’ Ze geeft hem de krant. Hij leest het artikel snel door. Een voorbeeld van laag-bij-de-grondse propaganda.

‘Het grappige is dat ik ongeveer een week voordat dit uitkwam met Otsubo had gepraat over hoe het is om half Europees, half Aziatisch te zijn.’

‘Echt waar?’

‘Ja, heus. Vind je dat niet frappant? Ik heb hem verteld over mijn jeugd, hoe de andere kinderen me uitlachten en nawezen, en hoe Europeanen me soms op straat fotografeerden alsof ik een beest in de dierentuin was.’

‘Dat moet niet leuk voor je zijn geweest. Maar die mensen waren gewoon dom.’

‘Sla de bladzijde eens om,’ zegt ze met een gebaar naar de krant.

‘Hoezo, nog iets waarop je invloed hebt uitgeoefend?’

‘Nee, gewoon het zoveelste voorbeeld van de absurditeiten waar we dagelijks aan worden blootgesteld. Zie je dat artikel daar over huisvliegen? Als je twee taëls huisvliegen vangt en ze naar een districtskantoor brengt, heb je recht op een kati rijst. En ik zie daadwerkelijk mensen met zakjes vliegen lopen. Het is niet te geloven. De Japanners zijn nog excentrieker dan de Engelsen. Zoiets verzin je toch niet?’

Opeens wendt ze zich tot hem. ‘Wist je dat ik acht was toen mijn moeder verdween? En acht is nog wel een geluksgetal voor de Chinezen. Ik heb me altijd afgevraagd of het kwam doordat ik maar half Chinees was. De helft van acht is vier, wat een heel ongunstig getal is. Het staat voor de dood, wist je dat?’

‘Wat kun je je nog van haar herinneren?’

‘Flarden. Ze ging niet veel uit, omdat ze nergens bij hoorde. Ze was niet Engels, dus de Engelsen wilden niets met haar te maken hebben, en de Chinese taitais mochten haar al helemaal niet. En ze was niet sterk of zelfverzekerd genoeg om daar iets aan te doen. Ze had dan ook heel weinig vrienden en was veel thuis, waar ze niets anders te doen had dan in haar mooie kleren te zitten keuvelen met de bedienden. Ik vermoed dat zelfs die op haar neerkeken. Mijn vader hield van haar en trouwde met haar, hoewel zijn familie dat afkeurde, maar hij had het zo druk dat hij niet veel tijd voor haar had. Ze nam me af en toe mee naar de botanische tuin en naar het Gloucester om thee te drinken. Ze droeg handschoenen, kleine ronde hoedjes en rechte rokken. Ze wilde dat ik me ook goed kleedde. Ze was erg mooi, maar ik denk dat ze ongelukkig was.’

‘Je hebt nooit eerder over haar gepraat.’

‘Ik herinner me ook niet zoveel.’ Ze zwijgt even. ‘Ik weet nog wel dat ze me over haar kindertijd heeft verteld. Ze was erg arm. Daar had ze trouwens rare tics aan overgehouden. Ze weigerde soep te eten, omdat ze die met armoede associeerde. Ze was namelijk opgegroeid in een huishouden waar alles wat er voorhanden was in een pan water werd gegooid waarna er overvloedig zout bij werd gestrooid, en het resultaat noemden ze een maaltijd. Ze wilde dat ik besefte dat we geluk hadden gehad, maar tegelijkertijd hield ze volgens mij van de manier waarop de rijken zich onkwetsbaar voelden. Een gevoel dat zijzelf duidelijk niet had maar dat ze mij wel toewenste, denk ik, terwijl ze zich toch ook zorgen maakte dat die onkwetsbaarheid niet blijvend zou zijn. En ze heeft gelijk gehad, hè? Ik ben niet onkwetsbaar. Ik heb het ver geschopt, maar de wereld is veranderd en nu weet ik niet meer wie ik ben en wat ik wel of niet kan doen.’

Nadat ze de liefde hebben bedreven, liggen ze op bed. Plotseling gereserveerd schuift ze bij hem vandaan en staart naar het plafond. De woorden lijken vanzelf uit haar mond te stromen, als een spuitende fontein die ze niet kan stoppen.

‘Ik heb altijd geweten dat ik een kameleon was, liefste. Ik was een slechte dochter omdat mijn vader me daar de kans voor gaf. Hij wist niet wat hij met me moest beginnen, want hij voelde zich schuldig dat ik geen moeder had. En toen mijn moeder er nog was, was ik een goede dochter, omdat zij zich niets anders kon voorstellen. Toen ik volwassen werd, was ik elk jaar iemand anders, afhankelijk van de man met wie ik het bed deelde. Was dat een schurk, dan was ik het soort vrouw dat zich met schurken ophoudt. Was het een kunstenaar, dan werd ik een muze. En met jou was ik voor het eerst – dat heb je vast wel van deze en gene gehoord – een fatsoenlijk mens. Heel Hongkong vroeg zich af waarom iemand als jij wilde omgaan met iemand als ik. Dat weet je toch wel?’

Ze steunt op één elleboog en haar bronskleurige haar valt over haar schouder.

‘Maar nu zijn de omstandigheden veranderd en ik ben weer mijn oude zelf geworden: een vrouw die enkel en alleen een relatie met iemand heeft omdat dat haar goed uitkomt en om geen andere dan die simpele, laag-bij-de-grondse reden. Ik verschil in niets van dat Russische meisje, Tatiana, op wie ik neerkijk. Eigenlijk zijn we gewoon zusters. We herkennen elkaar. Niemand zal er vreemd van opkijken dat ik weer zo ben als vroeger. Begrijp je me?’

‘Je maakt er een melodrama van,’ zegt hij. ‘Het slaat nergens op.’

Zwijgend trekt ze met één hand haar haren naar achteren, uit haar gezicht, en strijkt met de andere langs haar mond.

‘Als je maar nooit beweert dat ik het je niet heb gezegd. Ik heb het je gezegd. Dat mag je niet vergeten.’

De telefoon gaat.

Trudy neemt op en haar mond wordt een strakke lijn.

‘Ja, natuurlijk. Natuurlijk. Ik zal ervoor zorgen.’

Ze hangt op en kijkt hem aan met een gezicht waar niets vanaf valt te lezen.

‘Blijkbaar wil Otsubo toch graag kennis met je maken. Intéressant, non?

‘O ja?’

‘Ik weet niet wat zijn bedoeling is. Maar we moeten nu eenmaal doen wat ons wordt gezegd, hè? Je vindt het toch niet erg? We hebben trouwens niet veel keus. Dommie zal er ook zijn.’

Na opnieuw een warm bad te hebben genomen en zich in stilte te hebben aangekleed – Trudy heeft nog wat oude kleren van Will en ze hebben lachend geconstateerd dat die hem nu veel te wijd zijn, een ogenblik van geforceerde vrolijkheid in een gespannen middag –, zitten ze die avond in een apart zaaltje van een restaurant in Tsim Sha Tsui voor zich uit te staren naar de noten in een porseleinen schaaltje versierd met rode draken. Trudy drinkt in hoog tempo champagne en Will steekt een sigaret op.

‘Is dit een goed restaurant?’

‘Qua aankleding niets bijzonders, maar momenteel het beste adres voor vis en schaaldieren.’ Toen ze binnenkwamen, hebben ze blikken emmers zien staan met grote trage vissen erin, die zich niet bewust zijn van hun lot.

‘Houdt hij van Chinees eten?’

‘Ik geloof dat hij het leert waarderen.’ Ze tikt ongeduldig met haar nagels op tafel. ‘Dommie is te laat, de idioot. Waarom doet hij dat toch steeds?’

‘Eet je vaak samen met Dommie?’

‘Elke avond.’

‘Waarom zijn er zoveel plaatsen gedekt? Wie komen er nog meer?’

‘Ze reizen in groepen, schat. Hij zou er niet over piekeren zich te vertonen zonder zijn hele kliek van jaknikkers en stroopsmeerders.’

‘En hij komt uiteraard te laat.’

Op dat moment gaat de deur open en wordt er een groepje mannen binnengeleid. Het is onmiddellijk duidelijk wie Otsubo is, want de anderen blijven naast de deur wachten totdat hij binnen is en een stoel heeft gekozen.

‘Otsubo-san,’ zegt Trudy opgewekt, en ze staat op. ‘Laat, zoals gewoonlijk.’ Ze ziet er vanavond schitterend uit. Ze draagt een sluike tomaatrode zijden tuniekjurk en heeft haar haren in een wrong.

Tijd om te doen wat er van hem wordt verwacht. Will staat op.

‘Aangenaam kennis te maken. Ik ben Will Truesdale.’

‘Otsubo,’ zegt de man kortaf, en hij gebaart dat ze allemaal moeten gaan zitten. ‘Is meneer Chan er niet?’

‘Hij komt zo. Het is een lastig tijdstip om door de stad te reizen.’ Trudy gaat tussen Otsubo en Will in zitten.

De man is klein en gedrongen, gekleed in een lichtgewicht wollen kostuum van goede snit. Hij heeft stekeltjeshaar, ongeveer een centimeter lang, zodat zijn vettige schedel erdoorheen schijnt. Zijn bolle varkensoogjes liggen diep in een opgeblazen, glad gezicht. Kortom, een onaantrekkelijke man. Naast hem ziet Trudy eruit als een schitterende, betoverende flamingo.

Zijn mannen, anoniem in hun veelheid, gaan rond de tafel zitten. Ze praten onderling, maar met gedempte stem, zodat Otsubo de zijne niet hoeft te verheffen. Hij bestelt cognac.

‘Otsubo begint een Chinese smaak te ontwikkelen,’ zegt Trudy. ‘Hij is nu dol op zeer oude.’

‘Sommige Chinese dingen zijn goed,’ zegt Otsubo. ‘Ze zijn in elk geval Aziatisch.’

Er valt een stilte.

‘Wat zullen we eten?’ vraagt Trudy om de spanning uit de lucht te halen. ‘Zeeoor? Haaienvinnen? Zal ik bestellen?’

Otsubo knikt en ze plaatst in rap Kantonees een bestelling. Ze spreekt al haar talen goed: Kantonees, Shanghainees, Mandarijn, Frans en Engels. Een paar van de mannen kijken uitdrukkingsloos naar haar terwijl ze het eten bestelt. Ze moet wel een groot raadsel zijn voor deze mannen, die waarschijnlijk recht van het Japanse platteland hierheen zijn gekomen om hun land te dienen; nu bevinden ze zich op een plek waar de taal en de gebruiken hun onbekend zijn en waar een kleurrijke, vlinderachtige vrouw als Trudy rondfladdert. Ze drinken hun bier uit het flesje en roken onophoudelijk. Ze krijgen geen cognac aangeboden.

Dominick komt haastig binnenlopen. ‘Otsubo-san.’ Hij buigt. ‘Mijn verontschuldigingen voor deze onwellevendheid. Ik werd opgehouden door dringende zaken.’ Will heeft Dominick nog nooit zo geagiteerd gezien.

‘Je bent alweer te laat,’ zegt Otsubo. ‘Dat is niet alleen onbeleefd in zaken, maar ook in het sociale verkeer.’

‘Ik weet het, ik weet het. Mijn docenten op Harrow School hebben me vaak berispt omdat ik te laat kwam.’

Later vertelt Trudy Will dat de Japanners het prachtig vinden dat Dominick in Engeland op de beste scholen heeft gezeten. Ze willen er alles over weten en als Dominick maar even de kans krijgt, begint hij erover. ‘Ze kunnen het niet uitstaan en tegelijk vinden ze het fantastisch. Maar zo gaat het toch altijd?’

Dominick wil Otsubo een doosje geven. ‘Een blijk van mijn waardering voor alles wat u voor mij en voor Hongkong hebt gedaan.’

Otsubo bedankt hem brommend maar pakt het niet aan. Dominick, die er overduidelijk niet aan gewend is op zo’n botte manier te worden bejegend, doet een stap naar achteren, herstelt zich en laat zich in één vloeiende beweging in een stoel zakken.

‘Later dan misschien,’ zegt hij tegen Will, een onderonsje dat suggereert dat zij beiden verfijnder zijn dan deze Japanner.

Will draait zijn gezicht af, want hij wil zich niet door Dominick tot bondgenoot laten maken en wil niet de indruk wekken net zo dom te zijn als hij. Trudy schenkt nog eens thee in.

‘Meneer Truesdale,’ zegt Otsubo in het Engels. Daarna schakelt hij over op Japans en spreekt via zijn tolk.

‘Wat vindt u van het kamp?’ De tolk is een jonge, tengere man met een bril. Zijn accent is nauwelijks hoorbaar.

Will aarzelt. Hoe eerlijk kan hij zijn? ‘Het is draaglijk, maar ondanks de inspanningen van de kampleiding zijn er helaas vaak tekorten aan levensmiddelen en medicijnen. Aangezien er ook vrouwen en kinderen in het kamp zijn, is dat een nijpend probleem.’

Otsubo luistert en knikt. Hij antwoordt: ‘Dat is spijtig. We zullen de zaak onderzoeken.’ De tolk kijkt nerveus.

De eerste gang wordt gebracht. Het is een typisch Chinees koud voorgerecht van kwal. Will heeft van Trudy geleerd dat een echte Chinese maaltijd een bepaalde volgorde kent: eerst komt er een koud voorgerecht, varkenspootjes op kwalvermicelli bijvoorbeeld, daarna een warm voorgerecht, zoals garnalen in een korstje van sesamzaad, een haaienvin of soep van wintermeloen, gevolgd door een kenmerkend gerecht als pekingeend, een vleesgerecht – zoetzuur varkensvlees of gesmoord rundvlees met choi sam –, een visgerecht, een groente, en daarna onveranderlijk noedels of gebakken rijst, afhankelijk van de regio. Chinezen houden niet van zware desserts maar eten graag een toetje met koude kokosmelk of, als ze nog veel trek hebben, gefrituurde appelbollen die onmiddellijk uit de hete olie in ijswater worden gedompeld om ze krokant te maken.

Otsubo schept als eerste op en duwt het draaiplateau dan naar zijn mannen. Trudy doet alsof dat blijk van minachting haar ontgaat. Ze schept voor Will en Dominick op voordat ze zelf neemt, een miniportie amberkleurige tentakels met mosterdsaus erover.

Nadat hij enige tijd naarstig heeft zitten kauwen, neemt Otsubo weer het woord.

‘Er zitten veel illustere mensen in het kamp, hè? Grote namen uit het bedrijfs- en maatschappelijk leven?’

‘Ik neem aan van wel. Maar er is nu geen verschil meer tussen ons. Niemand heeft meer dan een ander.’

‘Het moet een vreemde gewaarwording voor hen zijn. Het lijkt me niet gemakkelijk om zo aan sociale status in te boeten.’

‘Dat zal het vast niet zijn.’

Trudy is stil, geheel tegen haar karakter in.

‘Zoals die arme Hugh,’ merkt ze eindelijk op. ‘Ik kan me nauwelijks voorstellen dat die goeie man zijn eigen sokken moet wassen. Ik denk niet dat hij ooit ook maar zelf zijn brood heeft hoeven klaarmaken.’

Ze eten van de kwal. Die is koud en rubberachtig.

Dan hervat Otsubo zijn ondervraging.

‘En is er ook ene Reggie Arbogast?’ vraagt de tolk. ‘Een zakenman? Met contacten met de overheid?’

‘Ja, Reggie is een van de geïnterneerden.’

Otsubo kijkt Will peinzend aan.

‘Is dat een vriend van u?’ vraagt hij via de tolk.

“‘Vriend” is te sterk uitgedrukt. We zijn kennissen, maar door deze gedeelde ervaring zijn we wel nader tot elkaar gekomen, dat is zeker.’

‘Neem nog iets te drinken.’ De tolk schenkt whisky in Wills glas.

‘Bedankt.’ Hij heft zijn glas naar Otsubo.

‘Whisky lekker.’ Deze keer doet Otsubo geen beroep op de tolk. ‘Whisky’ spreekt hij uit als ‘waaiskaai’.

‘Ja, heel lekker.’

‘Drink. Vanavond bent u vrij.’

‘Dat ging niet al te slecht.’ Will houdt de deur open voor Trudy. De avondlucht is fris en zuiver nadat ze zo lang in de rokerige, warme kamer hebben gezeten.

‘Ja,’ zegt Trudy. Ze klinkt blij, opgelucht dat de avond voorbij is zonder dat haar pas is ingetrokken. ‘Beter dan ik verwachtte.’

‘Hij is een interessante…’

Er stopt een auto voor hun neus en een raampje wordt omlaaggedraaid. Er komt een mollige hand tevoorschijn, die Trudy wenkt. Ze werpt een blik vol afkeer op de auto, geeft Will dan een snelle kus en stapt in.

‘Tot straks, lieverd,’ zegt ze. ‘Blijf maar niet op.’

Om een uur of drie ’s nachts, als Will onrustig ligt te slapen, gaat de deur zachtjes open en sluipt Trudy naar de badkamer. Hij doet het bedlampje aan, luistert naar het stromende water en wacht tot ze zich heeft gewassen. Als ze tussen de lakens glipt, ziet hij de enorme gele bloeduitstorting die zich rond haar linkeroog begint te vormen. Iets in haar houding waarschuwt hem er geen al te groot punt van te maken.

‘Zo te zien heb je een flinke optater gehad,’ zegt hij.

‘Hij blijft je verrassen, die man,’ antwoordt ze, en ze doet het lampje uit waardoor alles grijs wordt. In het schemerdonker luisteren ze naar elkaars ademhaling.

Na een paar lange minuten, net als hij onwillekeurig toch bijna in slaap is gesust door de luxueuze omstandigheden waaraan hij niet meer gewend is – een zacht bed en de warmte van een ander naast zich –, mompelt ze: ‘Toen ik “verrassen” zei, bedoelde ik dat hij een verrassende minnaar is. Dat begreep je toch wel? Het is geen slecht mens. Echt niet.’ Zoals ze daar ligt, met haar glanzende haar en gladde huid glimmend in het maanlicht, vindt hij haar op een schorpioen lijken.

Dit kan hij niet over zijn kant laten gaan. Hij gaat zitten. Ze kijkt hem vragend aan.

‘Trudy.’ Hij bedenkt hoe hij dit het best kan zeggen. ‘Je moet weten dat er grenzen zijn.’ Hij tilt haar kin op, zodat ze hem aankijkt. ‘Er zijn grenzen aan het begrip dat ik kan opbrengen.’

‘O.’

‘Ik ben niet de man die je wilt dat ik ben. Op dit moment niet.’

‘Ik moet voorzichtig zijn met wat ik zeg. Ik moet opletten.’ Ze klinkt berouwvol. ‘Het spijt me, lieverd. Ik ben dronken. Laten we geen ruziemaken.’

‘Nee.’

Ze richt zich op en knipt het lampje aan.

‘Slapen lukt nu toch niet. Zullen we wat praten? Proberen de mensen te worden die we waren voordat dit allemaal gebeurde, ook al is het maar voor even?’

‘Dat kan niet.’ Hij trekt haar tegen zich aan en ze legt haar hoofd tegen zijn schouder. Ze ruikt naar sigaretten en drank. Dat vertelt hij haar.

‘Ik ruik als een hoer.’ Ze kruipt dichter tegen hem aan. ‘Ik heb je verteld dat Frederick gestorven is, maar ik heb je niet verteld hoe.’

‘Nee,’ beaamt hij. ‘Dat heb je niet verteld.’

‘Nou, hij is wel teruggekomen naar Hongkong. Zijn hele regiment was afgeslacht, maar omdat hij de commandant was – ik weet echt niet wat voor rang hij had – hebben ze hem in leven gelaten en moest hij onder begeleiding teruglopen. Hij mocht dus terugkomen, maar hij moest…’ Haar stem hapert. ‘Hij moest de oren van al zijn soldaten verzamelen, in een tasje stoppen en dat mee terug dragen. Ze zeiden dat het tasje doorweekt was en zijn handen rood van het bloed. En de lucht… Daar blijf ik maar aan denken, steeds weer: aan hoe afschuwelijk het geroken moet hebben en hoe glibberig het moet hebben aangevoeld en hoe vreselijk moe hij geweest moet zijn…

En vlak daarna de honger en de tekorten, voordat er weer een paar markten in bedrijf kwamen. De geruchten, die afschuwelijke geruchten. Huisdieren verdwenen. Zelfs…’ Ze hikt. ‘Zelfs baby’s, zeiden ze.’

‘Trudy, er komt geen eind aan de ellende als je er steeds aan blijft denken.’

‘En dat diner waarover ik je vertelde, waarop de plaatselijke hoge heren probeerden aan te pappen met de nieuwe machthebbers, weet je nog wel? Dat was de keer dat die oude vriend van mijn familie, die met een Australische getrouwd is geweest, het blanke ras afviel. Victor had dat etentje georganiseerd.’

‘Ja, ik weet het nog.’

‘Er was nog iets wat ik je niet heb verteld. We zaten daar allemaal in onze mooie kleren en probeerden ons niet al te hypocriet te voelen, niet het gevoel te hebben dat we onszelf te veel verloochenden, en we hoopten dat we onszelf naderhand in de spiegel nog recht konden aankijken. En toen, ergens in de loop van de avond – er werd behoorlijk veel gedronken – zei Dominick iets stoms. Ik weet niet eens meer wat het was, maar het was dwaas en gevat, je weet hoe hij is.’

‘En óf ik dat weet.’

‘We zaten aan de tafel van de belangrijkste aanwezige, Ito, het hoofd van de afdeling economische zaken van de Gunseicho, en deze Ito stond op en liep heel bedaard naar Dommie toe. Iedereen werd stil omdat hij zo’n doelbewuste indruk maakte, en toen bleef hij recht voor Dommie staan en gaf hem een klap in zijn gezicht. Een harde klap.’

Ze frunnikt aan het laken. ‘En het klonk als een schot, weet je. Iedereen had zitten kijken en er viel een diepe stilte. Misschien hapte iedereen naar adem, dat weet ik niet precies meer, en Dommie zat daar maar terwijl zijn wang steeds roder werd. Toen probeerde hij zich te vermannen; hij keek een andere kant op, pakte zijn champagneglas en nam een slokje. Daarop slaakte het hele gezelschap als één man een zucht van verlichting en probeerden we te doen alsof er niets was gebeurd. En Victor, die harteloze profiteur, deed er helemaal niets aan. Maar het was alsof alle aanwezigen een klap in hun gezicht hadden gekregen.

Dommie probeert zich wel voor te doen als de onverstoorbaarheid zelve, maar zijn handen bleven de hele avond trillen. Ik weet dat jij hem akelig en kil vindt, maar jij kent hem niet. Jij kent hem echt niet. Ik ken hem al mijn hele leven en hij is kwetsbaar, hij kan elk moment instorten, en als het maar enigszins mogelijk is wil ik hem tegen zichzelf in bescherming nemen. Hij is de enige familie die ik hier heb. We passen op elkaar. Hij kan vreselijk zijn, maar daar heeft hij zijn redenen voor. Heel anders dan Victor, die alleen maar aan zichzelf denkt, en aan geld verdienen. Dommie heeft een hekel aan zichzelf en daardoor kan hij zich soms afschuwelijk gedragen.’ Ze aarzelt. ‘Dit heb ik nog nooit aan iemand verteld, maar er is iets niet helemaal in orde met Dominick. Toen hij een jaar of twaalf was, is er iets aanstootgevends voorgevallen, iets tussen hem en de dienstmeisjes. Hij heeft ze… gedwongen bepaalde dingen te doen en heeft zelf dingen met ze gedaan, en dat is uitgekomen. Iemand heeft hem betrapt. Zijn ouders geneerden zich natuurlijk dood en hebben de dienstmeisjes – meisjes uit China – geld gegeven en de deur uitgezet. Dominick hebben ze naar Engeland gestuurd, hoewel hij daar eigenlijk nog te jong voor was. Ze waren niet in de wieg gelegd voor het ouderschap. Ik geloof dat hij een ongelukje was. En hij had weliswaar vreselijke dingen gedaan, maar hij was nog zo jong. Hij ging dus naar Engeland, maar hij sprak de taal toen nog nauwelijks en met zijn aparte kleren en zijn rare accent viel hij op. En toen werd op de een of andere manier op die school bekend wat hij had gedaan, en de oudere jongens… dwongen hem tot diezelfde dingen. Ze dwongen hem om… Nou ja, je weet wel. Je kunt je wel voorstellen hoe het op die scholen toegaat. Dit heeft hij me verteld op een avond dat hij stomdronken was. Ik weet niet eens of hij zich dat nog herinnert. Maar we zijn altijd als broer en zus geweest. Ik geloof niet dat hij later ooit nog de oude is geworden. Hoe zou dat ook kunnen? En daarom heeft hij een vreselijke hekel aan bijna alle Engelsen, hoewel hij zelf in veel opzichten Engelser dan Engels is. Het ligt erg gecompliceerd. En uiteindelijk proberen we allemaal alleen maar te overleven, denk je niet?’

‘Sommige dingen zijn belangrijker dan overleven.’ Het klinkt pedant, maar hij móét het zeggen. Hij wil haar waarschuwen, niet in zijn eigen belang maar in het hare. Om een gruwelijk persoon als Dominick te verdedigen! Ze wordt verblind door misplaatste loyaliteit.

‘Vertel dat maar eens aan iemand die op het punt staat onthoofd te worden,’ bijt ze hem toe. ‘Vertel dat maar eens aan iemand die doodgeschoten gaat worden. Ik weet zeker dat zij alleen maar denken aan manieren om aan die situatie te ontsnappen. Overleven is dan heel belangrijk. Misschien zelfs wel het enige wat ertoe doet. Jij bent misschien in de luxe positie dat je kunt peinzen over de waardigheid van de ziel, maar… Ach, laat ook maar.’ Ze onderbreekt zichzelf. ‘Ik kan het je niet uitleggen, ik kan het niet rechtvaardigen of wat dan ook, dus wat heeft het voor zin?’

‘Het spijt me dat je vindt dat je jezelf tegenover mij moet rechtvaardigen.’

Ze beweegt haar handen langzaam boven zich door de lucht, als kleine satellieten.

‘Er lijkt geen einde aan deze nacht te komen. Ik voel me net Scheherazade die probeert de nacht te rekken.’

‘Denk je dat ik je bij het krieken van de dag zal vermoorden?’

‘Alles is anders als het licht wordt, hè?’

Later zal hij zich afvragen wat ze daar precies mee bedoelde.

Ze gaan slapen of proberen dat in elk geval, en ze zijn allebei stil om de ander niet te storen.

De volgende ochtend, als ze koffie zitten te drinken, steekt ze haar voeten naar hem uit om ze te laten masseren.

‘’s Ochtends ziet alles er altijd beter uit, vind je niet?’ Haar impliciete verzoeningsgebaar. Ze schenkt room in haar kopje en morst er iets van op het schoteltje. Haar handen beven een beetje.

Mon amour,’ begint ze.

‘Ja?’

Une question pour toi.’

‘Wat dan?’

‘De goede commandant is om vele redenen in me geïnteresseerd,’ zegt ze. ‘Eén daarvan is dat ik niet onknap ben. Maar zoals je weet wemelt het in Hongkong van de niet-onknappe vrouwen, en dat zijn belangstelling voor mij al enige tijd standhoudt komt doordat hij ook erg geïnteresseerd is in het veiligstellen van zijn eigen toekomst. Otsubo is een ambitieus man. En hij denkt dat ik hem kan helpen. Aangezien hij een man van grote verlangens is, is hij niet tevreden met af en toe eens een horloge of een sieraad; hij heeft zijn doelen veel hoger gesteld. Als het van zijn regering mocht, zou hij land in beslag nemen, maar dat mag hij niet en hij begint nogal gefrustreerd te raken.’ Er valt een korte stilte. ‘Er zijn in Tokio mensen die zeer geïnteresseerd zijn in de Krooncollectie van Hongkong. Die zou bestaan uit een groot aantal zeer oude Chinese antiquiteiten van onschatbare waarde en vormt daardoor uiteraard een politiek beladen kwestie. Die voorwerpen zijn niet gevonden. Waarschijnlijk zijn ze verborgen voordat de oorlog hier uitbrak. En de Chinezen willen hun erfgoed terug, de Japanners zitten erachteraan vanwege de waarde en de Engelsen vinden dat het allemaal van hen is. Een verwarrende toestand.

Om een lang verhaal kort te maken: Otsubo denkt dat een paar mannen in Stanley over informatie beschikken waarmee hij die voorwerpen zou kunnen vinden. Hij heeft met name het idee dat Reggie Arbogast er meer van weet. Ik vermoed dat Otsubo rijkelijk beloond zal worden als hij de spullen weet op te sporen en naar Japan te verschepen. Het is hier trouwens een gekkenhuis geweest met al die plunderingen. Er zijn museumstukken voor een paar cent op de markt verkocht terwijl er waardeloze rommel naar Japan is gebracht alsof het iets waard was. Niemand weet precies hoe het allemaal zit, maar hij is vastbesloten die antiquiteiten te vinden. Hij heeft me opdracht gegeven in pandjeshuizen te zoeken en met allerlei mensen te praten, maar dat heeft niets opgeleverd. Dat is dus de reden dat hij jou met verlof heeft laten komen en dat hij je wilde spreken.’

‘Maar waarom denkt hij dat ik er iets van weet?’

‘Hij heeft gehoord dat je geliefd bent in het kamp. Je bent toch tot hoofd van het een of ander gekozen, is het niet?’

‘Wat heeft dat ermee te maken?’

‘Weet je iets?’

De rechtstreekse vraag overvalt hem.

‘Zou je graag willen dat ik iets wist?’

‘Is dat een bevestigend antwoord?’

Hij staat op, want hij is dit steekspel met woorden beu.

‘Trudy, wij zijn niet in oorlog met elkaar.’

‘Nee, maar we hebben misschien wel strijdige belangen. Will, ik heb iets van je nodig.’

‘Alles wat ik heb is van jou.’ Zelfs hem klinkt het onecht en hol in de oren. Hij kijkt naar haar wanhopige, huichelachtige gezicht. Wat voelt hij nu voor haar? Is het nog steeds liefde? Of medelijden?

‘Dus je helpt ons?’

Wat kan hij doen? Ze vraagt het niet voor zichzelf. Ze vraagt het voor hen tweeën. Zij is al verloren.