15 december 1941

Als hij wakker wordt, is hij verward en heeft hij het koud. Boven zijn hoofd schijnt fel licht. De lakens lijken wel ijs op zijn gezwollen ledematen. Hij durft niet naar zijn eigen lijf te kijken.

Maar er is één troost. Hij is niet dood. Dan weet hij het weer: Evers. Nee, hij kan het zich niet meer herinneren. Zijn hele lijf doet zoveel pijn dat hij het gevoel heeft dat zijn hoofd uit elkaar gaat springen. Hij tilt het laken op. Zijn linkerknie is opgezwollen tot de omvang van een kleine meloen. Rond het verband stulpt vlees uit dat alle mogelijke kleuren heeft: paars, zwart, blauwig, vuurrood ontstoken.

Jane Lessig, die hij wel eens op feestjes heeft ontmoet, komt aan zijn bed. Ze is in het wit gekleed en in zijn wazigheid vindt hij dat ze op een engel lijkt.

‘Daar ben je,’ zegt ze. ‘We maakten ons al zorgen over je.’

‘Water?’

‘Nog even geen water voor jou. Dat mag nog niet van de dokter.’

Hij gelooft niet dat hij zich ooit eerder zo belabberd heeft gevoeld. ‘Ik geneer me,’ vertelt hij haar.

‘Waarom in vredesnaam?’ Met een vragend gezicht draait ze zijn bed hoger.

‘Het was maar een kort voorval,’ probeert hij uit te leggen. ‘Er was niets oorlogsachtigs aan.’

‘Je slaat wartaal uit.’

Hij ziet dat ze hem niet begrijpt. Hij probeert het opnieuw. ‘Evers?’

‘Maak je maar geen zorgen over hem,’ zegt ze, en ze loopt snel weg.

Hij komt af en toe bij en zakt daarna weer weg.

Hij ziet Trudy in een witte jurk, als verpleegster, als bruid, als in een doodskleed. Ze sponst zijn voorhoofd af. Maar haar haar is nu blond. Het is Trudy niet.

‘Hoor eens,’ fluistert de fantastische Jane Lessig, ‘je hebt níét bij de vrijwilligers gezeten. Je bent een burger die gewoon over straat liep en is geraakt door de scherven van een bom.’ Ze wil niet dat hij naar een krijgsgevangenkamp gaat. Het is onduidelijk wie waar wordt ondergebracht, maar ze denkt dat de burgers beter af zullen zijn dan de soldaten. Hij knikt. Hij begrijpt het en vergeet het dan weer. Ze zegt het elke dag tegen hem, als een mantra die hem zal redden.

Jane Lessig brengt hem een kommetje pudding.

Hij staat op om uit het raam te gaan kijken – de eerste keer dat hij uit bed is – en ontdekt tot zijn verrassing dat hij kreupel is.

‘Ik loop mank!’ zegt hij tegen Jane.

‘Ja, en niet zo’n beetje,’ antwoordt ze.

‘Ik voel me anders veel beter. Ik denk dat ik nu wel snel ontslagen kan worden.’

‘Denk je dat? Zullen we dat maar aan de artsen overlaten?’ zegt ze kordaat.

Maar hij voelt zich echt beter, en als dokter Whitley zijn ronde maakt, is Will aangekleed en klaar om te vertrekken.

‘Ik geloof niet dat het veel nut heeft als ik hier blijf, gelooft u wel?’ vraagt hij.

‘Will,’ zegt dokter Whitley, ‘er is buiten veel veranderd. Kowloon wordt belegerd en we proberen hier zo lang mogelijk stand te houden. Er zijn enorm veel slachtoffers gevallen. Heb je een plek om naartoe te gaan?’

‘Misschien naar Trudy?’ vraagt hij zich af.

‘Ze is hier elke dag geweest,’ zegt de dokter. ‘Maar ik heb haar niet bij je gelaten. Ik was bang dat ze overstuur zou raken. Je ziet er niet op je voordeligst uit. Ik moest je doorgeven dat ze bij Angeline logeert en later vandaag weer langskomt.’

‘O,’ zegt Will. ‘Dan blijf ik tot ze komt.’

De dokter werpt hem een vreemde blik toe en knikt. Hij is klaar met het controleren van Wills knie.

Als Trudy komt, ziet ze er anders uit. Eerst weet hij niet wat het is, maar dan ziet hij het: ze draagt geen lippenstift en geen sieraden, en haar kleren zijn onopvallend, zonder heldere kleuren. Dat zegt hij tegen haar, min of meer om het ijs te breken, om de aandacht af te leiden van het feit dat hij gewond in het ziekenhuis ligt en dat de wereld in oorlog is. Het is vreemd om beschroomd te zijn tegenover Trudy, maar hij wil niet zwak lijken in haar ogen.

‘Ik wil op geen enkele manier de aandacht trekken,’ zegt ze. ‘Je moet buiten op eieren lopen, want je kunt altijd een jap tegenkomen. Vader is naar Macau gegaan. Hij wilde dat ik meeging, maar dat wilde ik niet.’ Ze loopt naar het raam. ‘Hij maakt zich zorgen over me,’ zegt ze met neergeslagen blik terwijl ze aan haar rok frunnikt. ‘Als ze winnen, zullen ze zich gedragen als beesten.’

‘Hoe ben je hier gekomen?’

‘De chauffeur van Angeline heeft me gebracht. We bivakkeren in haar huis op de Peak, hoewel de hele Peak ondertussen geëvacueerd zou moeten zijn. De plek wordt als te kwetsbaar beschouwd, maar wij zijn erin geslaagd onopgemerkt te blijven en het is er rustig. Behalve de amahs en de chauffeur heeft ze ook de honden en haar huisknecht daar, dus we hebben enige bescherming.’

De rijken doen altijd wat ze willen, denkt hij misplaatst.

‘Het is net zo zenuwslopend als pokeren,’ zegt ze. ‘Je weet nooit wanneer je wordt aangehouden, en de mensen beginnen zich tegen elkaar te keren. Die oude Enderby is in elkaar geslagen door een stelletje sikhs omdat ze vonden dat hij raar naar ze keek. Die lieve oude man.’ Opeens onderbreekt ze zichzelf. ‘Maar hoe gaat het met jou? Ik ben maar aan het doordraven over hoe het buiten is, terwijl jij…’ Haar stem sterft weg.

‘Evers is dood,’ zegt hij. ‘Jij hebt hem niet gekend. We waren samen toen we door de bom werden geraakt.’

Trudy kijkt hem uitdrukkingsloos aan. ‘Je hebt gelijk, ik ken hem niet.’

‘Ik wil weten wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Heb je nieuws?’

‘Angeline zegt dat het niet goed gaat. Kennelijk hadden ze de jappen vanuit het zuiden verwacht, van de kant van de zee, maar ze kwamen uit het noorden en zijn daar moeiteloos door onze verdediging gebroken. En het is echt heel akelig buiten.’ Haar stem hapert. ‘Toen ik vanochtend hiernaartoe kwam, zag ik een dode baby op een vuilnishoop liggen. Overal zie je vuilnis en lijken, en alles wordt verbrand, dus het stinkt zoals ik denk dat het in de hel moet stinken. En ik heb een vrouw gezien die met bamboestokken werd geslagen en daarna bij haar haren werd weggesleurd. Ze werd half voortgesleept en kroop zelf ook nog een beetje, en ze krijste dat horen en zien je verging. Haar huid hing aan flarden. Je schijnt het best maandverband te kunnen dragen voor het geval dat… je weet wel… als een soldaat probeert… Nou, je begrijpt wel wat ik bedoel. Zowel de inheemse bevolking als de Japanners zijn aan het plunderen geslagen en nemen alles mee wat niet vastgespijkerd zit, en ze stelen en misdragen zich op alle mogelijke manieren. In Kowloon is het echt een chaos, daar zijn ze amok aan het maken. We overwegen om naar een van de hotels te verkassen, zodat we wat centraler zitten, meer mensen spreken en beter op de hoogte kunnen blijven. Het Gloucester zit stampvol, maar mijn oude vriendin Delia Ho heeft een kamer in het Repulse Bay Hotel en ze zegt dat wij die mogen hebben omdat zij naar China vertrekt. We kunnen wel een kamer delen met Angeline, vind je niet? En blijkbaar zijn er in de American Club veldbedden neergezet en logeren daar ook mensen. Ik denk dat ze daar veel proviand hebben, want dat hebben Amerikanen altijd. Iedereen wil bij elkaar in de buurt blijven.’

‘Dat lijkt me niet zo’n slecht idee,’ zegt Will.

‘Dommie zegt dat het een kwestie van tijd is voordat de Japanners het hele eiland in handen hebben, en dat het dus eigenlijk niet veel uitmaakt waar je zit.’

‘Dat is een hoopvolle gedachte. Altijd even optimistisch.’

‘Ik geloof niet dat het hem kan schelen.’ Trudy lacht schril. ‘Hij wacht af tot hij weet welke kant hij moet kiezen. Ondertussen is hij snel Japans aan het leren.’

‘Je weet dat het gevaarlijk is wat hij doet. Het is niet om te lachen.’

‘Wat een gezeur!’ Trudy komt naast hem zitten. ‘Je gevoel voor humor is helemaal verdwenen nu je gewond bent. Dommie komt altijd op z’n pootjes terecht, net als jij en ik. Het komt wel goed met hem. Wanneer mag je weg?’

‘Zeer binnenkort, denk ik. Ze willen me graag kwijt. Er zijn vast mensen die er veel ernstiger aan toe zijn.’

‘Maar kun je dan wel lopen?’

‘Dat lukt wel,’ zegt hij kortaf. ‘Maak je over mij geen zorgen.’

Dokter Whitley laat hem met tegenzin gaan.

‘Als Trudy er niet was, zou ik je hier houden,’ zegt hij, terwijl hij Wills buik en knie opnieuw verbindt. ‘Ik weet dat ze voor je zal zorgen.’

Trudy zit aan het voeteneinde.

‘Plus natuurlijk het niet onbelangrijke detail dat u te weinig bedden hebt,’ repliceert ze. ‘Will ligt hier kostbare ruimte in beslag te nemen. Maar ik sta aan uw kant, dokter. Ik ben twee weken verpleegster geweest, weet u nog?’

De dokter lacht. ‘Natuurlijk. Hoe zou ik dat kunnen vergeten?’ Dan wordt hij ernstig. ‘Trudy, je moet het verband dagelijks verschonen en daarbij moet je de huid en de wonden desinfecteren met een oplossing van waterstofperoxide. Die laat ik de verpleegster voor je klaarmaken. Ook al zegt Will dat het niet hoeft, je moet het echt elke dag doen.’

Trudy knikt. ‘Ik zal een toonbeeld van betrouwbaarheid en efficiëntie zijn.’

Zodra ze bij Angeline zijn installeert ze hem in bed, hoewel hij zich goed voelt. Hun kamer is rommelig. Haar kleren hangen over de rand van haar open koffer en zwerven overal op de grond, en haar toiletartikelen liggen verspreid in de vensterbanken, in de wasbak in de badkamer en op het bed. Er hangen modelvliegtuigjes aan het plafond en er staat een houten bureau vol hoge stapels raadselachtige jongensspullen.

‘Van wie is deze kamer?’

‘Van Giles. Hij is mijn petekind, wist je dat?’

‘Ik heb hem nooit ontmoet.’

‘Hij is altijd weg, op kostschool, en nu laten ze hem voorlopig bij Fredericks familie in Engeland logeren, totdat dit allemaal voorbij is.’

‘O,’ zegt hij. Door een stoffig raam vallen banen licht de kamer in. ‘Ik ben geen invalide, hoor. Ik denk dat ik wel naar Central en terug kan lopen.’

‘Doe niet zo raar. Je moet het rustig aan doen.’

Maar het gaat beter met hem en dat ziet zij ook. Al snel wagen ze zich naar buiten en daar zien ze lege straten, dichtgespijkerde winkels en mensen die zich zonder op of om te kijken naar hun bestemming haasten.

‘Er is ongelooflijk veel geplunderd,’ zegt ze. ‘En de rijst is op de bon. Het is een krankzinnige tijd geweest. Ik liep een keer door Gloucester Road en zag politieagenten die in de lucht schoten om een menigte te verspreiden, en toen vroeg ik me af waar die kogels bleven. Als ze bij het naar beneden komen iemand raken, is die dan dood?’

‘Trudy, lieverd, jij vraagt je altijd dingen af waar niemand anders ooit over nadenkt.’

‘En daar zullen ze wel hun redenen voor hebben,’ zegt ze. ‘Ik ben gewoon nogal een idioot.’

Ze lopen verder.

‘Het voelt niet meer als onze stad, hè?’

‘Het is intreurig.’

Ze lopen gearmd naar huis, waar Angeline in de kelder zit te huilen en de amahs een lichte maaltijd hebben klaargemaakt van rijst met Chinese groenten en hier en daar een stukje gezouten varkensvlees. Ze eten en drinken slappe thee, zich bewust van de onzichtbare beperkingen die de realiteit hun oplegt.

De paar dagen daarna zijn spartaans en hebben een vaste regelmaat. Er hangt een onwezenlijke sfeer, alsof het hun laatste dagen zouden kunnen zijn. Ze eten omdat dat nu eenmaal moet, luisteren naar de radio om het laatste nieuws te horen en gaan naar het distributiecentrum om de spullen op te halen die mondjesmaat en op ongeregelde tijden worden uitgedeeld. De ene dag is het brood en jam, de volgende zijn het bananen en daarna opeens zaklantaarns. Ze nemen wat ze krijgen kunnen en gaan naar de zwarte markt voor de rest, want Trudy en Angeline hebben samen heel wat contant geld. Op de zwarte markt in de stad is de sfeer gespannen. De klanten zijn woedend over de prijzen en schelden op de verkopers, van wie enkele het fatsoen hebben gegeneerd te kijken achter hun tafels met uiteenlopende koopwaar: blikjes vlees, kleine zakjes suiker of keukengerei. De rijst is nog nooit zo duur geweest en kost nu bijna net zoveel als goud. Met tussenpozen trilt de grond, en de nachten worden verlicht door branden. Ze zien stapels lijken met huilende vrouwen ernaast. Dominick komt langs met proviand die hij heeft weten te bemachtigen; ze vragen maar niet hoe. Hij zegt dat ze zo lang mogelijk in het huis van Angeline moeten blijven. Niemand heeft hen lastiggevallen en dat is een goed teken. Er zijn nog een paar gezinnen die thuis zijn gebleven

Door zijn verwondingen kan Will geen lange afstanden afleggen. Angelines chauffeur slaagt er bijna elke dag in een krant te pakken te krijgen en het nieuws is onveranderlijk slecht: de Japanse opmars is onstuitbaar en verloopt verrassend snel.

‘Ongelooflijk dat er nog elke dag een krant verschijnt,’ zegt Angeline. Ze heeft zich al dagen niet gewassen en begint uitgesproken onfris te ruiken. Ze heeft niets van haar man gehoord. Een week eerder heeft hij voor het laatst een bericht gestuurd, toen hij met de vrijwilligers vocht op Mount Nicholson.

‘Vind je dat we naar het Repulse Bay Hotel moeten gaan?’ vraagt Trudy.

‘Ik vind het een raar idee om niets te doen,’ zegt Will. ‘Andere mannen zijn aan het vechten terwijl ik werkeloos rondhang.’

‘Je bent gewond, gek,’ zegt Trudy. ‘Je zou een blok aan hun been zijn. Je remt mij ook af, en dat pik ik alleen maar omdat je een warm lijf hebt om ’s nachts tegenaan te kruipen. Ik verzeker je dat anderen niet zo ruimhartig zullen zijn.’

Als ze de volgende ochtend wakker worden, ontdekken ze dat de bedienden verdwenen zijn. Trudy is absoluut niet verrast.

‘Ze hebben het hazenpad gekozen. Het valt me mee dat de honden ons niet in de steek hebben gelaten.’ Ze gaat de vaat wassen die is achtergebleven in de gootsteen. Will staat op om haar te helpen. ‘Blijf zitten,’ commandeert ze. ‘Ze zijn langer gebleven dan ik had verwacht. Angeline betaalt weliswaar tweemaal het gangbare loon, maar ze is altijd een kreng van een werkgeefster geweest.’

‘Wat is er eigenlijk met Ah Lok en Mei Sing gebeurd?’ vraagt Will, die opeens aan hen moet denken.

‘Ik heb ze gezegd dat ze moesten vertrekken, maar dat wilden ze niet, dus toen heb ik ze buitengesloten en de deur van mijn appartement op slot gehouden totdat ze weggingen. Je kent ze: ze hebben tijden staan huilen en jammeren. Maar ik weet zeker dat ze liever bij hun familie zijn.’

‘Jíj bent hun familie, Trudy.’

‘Niet echt, natuurlijk. En het is gevaarlijk voor hen om bij mij te zijn. Zij zullen niet worden lastiggevallen, want ze gaan op in de massa. Ik ben degene die de aandacht trekt, omdat ik met al die buitenlanders zoals jij rondhang.’

‘Het moet je zwaar zijn gevallen om ze weg te sturen,’ zegt hij terwijl hij haar hand pakt.

Ze schudt zich los. ‘Het is oké, Will. Ga alsjeblieft niet sentimenteel doen. Daar kan ik nu niet tegen.’

‘De hoeveelste is het?’ vraagt hij.

‘Bijna Kerstmis. De twintigste, geloof ik.’ Ze kijkt weemoedig. ‘De feesten zouden nu in volle gang moeten zijn.’ Dan zegt ze: ‘Will…’

‘Trudy?’

‘Ik heb wat spullen moeten verbergen, maar ik wil dat jij weet waar, want als er iets gebeurt moet je ze gaan halen.’

‘Zoals?’

‘Mijn vader heeft me veel geld gegeven voordat hij naar Macau ging, en dan zijn er nog mijn sieraden. Alles bij elkaar een hele som… Ruim voldoende om tijden van te leven.’

‘Ik luister, maar ik heb het niet nodig, als je dat bedoelt. Ik red het prima met wat ik zelf heb.’

‘Ik heb een kluisje gehuurd bij de bank, de grote bank. Ik heb jouw naam en die van Dominick opgegeven als de mensen die toegang hebben. Maar jullie moeten er dan wel allebei voor tekenen, tenzij een van jullie dood is, dus jullie moeten dat in onderling overleg doen. Hoewel dat in oorlogstijd misschien anders gaat. Er is een sleutel. Die zit in de bloembak die voor het slaapkamerraam van mijn appartement hing. Ik heb hem binnengehaald en er zit alleen maar aarde in. De sleutel ligt op de bodem, dus die moet je uitgraven. Maar als je hem niet kunt vinden, kun je nog steeds in het kluisje komen; dan duurt het alleen wat langer. Juridische toestanden, je weet wel.’

‘Begrepen.’

‘Vergeet het nou niet,’ zegt ze. ‘Dit is echt belangrijk.’

Angeline komt in een ochtendjas haar slaapkamer uit en ze vertellen haar dat de bedienden weg zijn. Ze laat zich in een stoel vallen.

‘Ik snap het niet,’ zegt ze keer op keer. ‘Ze werkten al jaren voor me.’ Dan vraagt ze plotseling pragmatisch: ‘Hebben ze iets meegenomen?’

Daar hebben Trudy en Will nog niet aan gedacht. Ze gaan naar de provisiekast en zien dat hun snel slinkende voorraden – rijst, wat aardappels en uien, bloem, suiker, een paar rimpelige appels – onaangeroerd zijn.

‘Bedienden trekken altijd aan het kortste eind,’ zegt Will. ‘Ze zijn de laatsten die een bedankje krijgen en de eersten die worden beschuldigd.’

‘Het is nu ieder voor zich,’ zegt Angeline. ‘Het verbaast me dat ze niets hebben meegenomen. Dat zou ik in hun geval wel hebben gedaan, en zonder de minste scrupules.’

‘Laten we een borrel nemen,’ oppert Trudy.

‘Dat is het verstandigste wat je de hele week hebt gezegd,’ zegt Will.

Hij gaat een fles whisky pakken; de kans dat ze snel door de sterkedrank heen zullen raken is nihil. Ze schenken glazen in en zetten de radio aan. De omroeper leest een boodschap van Churchill voor. ‘De ogen van de wereld zijn op u gericht. We verwachten dat u tot het einde toe standhoudt. De eer van het Rijk rust in uw handen.’

‘We worden in de steek gelaten,’ zegt Trudy. ‘Ze doen niets om ons te helpen. Wat verwachten die Churchill en dat verdomde Britse Rijk nou eigenlijk van ons?’ Haar ogen staan hard en strak, maar Will ziet dat er een waas van tranen over ligt.

Elke dag dwarrelen er pamfletten uit de lucht, propagandamateriaal dat over de hele kolonie wordt verspreid door Japanse vliegtuigen en waarin de Chinezen en Indiërs worden opgeroepen niet te vechten maar zich bij de Japanners aan te sluiten om een ‘Greater East Asia Co-Prosperity Sphere’ te vormen. Ze hebben de velletjes papier verzameld en op stapels bewaard, en als Trudy op eerste kerstdag wakker wordt, kondigt ze een project aan: ze gaan de muren ermee behangen. Ze lopen rond in hun ochtendjassen, zetten een plaat met kerstliedjes op, maken glazen warme grog klaar en gebruiken in een vlaag van feestelijke onmatigheid alle bloem om pannenkoeken te bakken. Daarna plakken ze de pamfletten op de muur van de woonkamer, een morbide-ironische versiering. Op één ervan staat een tekening van een Chinese vrouw die bij een dikke Engelsman op schoot zit. Er staat in het Chinees iets bij geschreven wat volgens Trudy ongeveer betekent: de Engelsen hebben jullie vrouwen jarenlang verkracht en daar kunnen jullie nu een eind aan maken.

‘Hmmm…’ zegt ze. ‘Is dit niet een tekening van jou en mij?’ Ze gaat op Wills schoot zitten, slaat haar armen om zijn nek en knippert verleidelijk met haar ogen. ‘Asjeblief, meneer, jij drankje voor mij kopen?’

‘Welnee, het zijn Frederick en ik, idioot,’ zegt Angeline. ‘Zie je niet hoe dik die man is?’ Het is voor het eerst in dagen dat ze de naam van haar man noemt.

Op een ander pamflet staan twee oosterse types afgebeeld die elkaar de hand schudden. ‘De Japanners en de Chinezen zijn broeders. Verzet u niet en sluit u bij ons aan,’ vertaalt Angeline.

‘Ze zijn Nanking blijkbaar vergeten,’ zegt Trudy. ‘Toen gedroegen ze zich niet zo broederlijk.’

‘Ik voel me ernstig onderdrukt,’ zegt Angeline. ‘Ik vind dat we Will moeten aangeven, wat jij, schat?’

‘Volgens mij is dat Dominick.’ Will wijst naar een van de Chinese figuren.

‘Daar moet je geen grapjes over maken,’ zegt Trudy pruilend. ‘Hoe denk je dat we aan al dat eten komen? Dommie zorgt voor ons en op dit moment kan het me niet echt meer schelen hoe hij dat doet.’

‘Ik begrijp wat je bedoelt, maar ik ben het niet met je eens,’ zegt Will. ‘Waarom zijn die stomme pamfletten trouwens zo doorzichtig en opruiend?’

Ze horen een auto de oprit op rijden en ze verstijven. Trudy rent naar het raam en tilt voorzichtig het gordijn op.

‘Het is Dommie!’ roept ze opgelucht, en ze gaat opendoen.

‘Als je het over de duivel hebt…’ Will gaat zitten.

Dominick komt binnen en knoopt zijn sjaal los. ‘Vrolijk kerstfeest en al die onzin,’ zegt hij, zelfs in oorlogstijd zijn lome zelf.

‘Jij ook,’ antwoordt Will.

‘Ik heb wat lekkere dingen meegebracht om de feestvreugde te verhogen.’ Hij zwaait met een mand waaruit hij achtereenvolgens een South China Morning Post haalt, een blikje eendenvlees, een zak rijst, een brood, twee potten aardbeienjam en een vruchtencake. De vrouwen klappen zo blij als kinderen in hun handen. ‘Kun je hier een maaltijd van maken, Trudy?’ Hij laat zich nonchalant in een stoel zakken en strekt zijn elegante ledematen alle kanten op; de jager die zijn vrouwen van voedsel heeft voorzien.

‘Ik ben hopeloos in de keuken, dat weet je best.’ Trudy grist de krant weg.

‘Feestdag”,’ leest ze voor. ‘Dat is de kop. “Hongkong beleeft de vreemdste en soberste kerst in zijn honderdjarige geschiedenis.”’

Dommie valt haar in de rede. ‘Alsof Hongkong niet bestond voordat de Engelsen hier kwamen.’

‘Hou je mond, ik ben aan het lezen,’ zegt Trudy. “‘Als er vandaag al op kleine schaal feestelijkheden worden georganiseerd, zullen die ingetogen zijn… Er vond gisteravond kort voor sluitingstijd een vrolijk intermezzo plaats in de Parisian Grill, toen een pianist van het vrijwilligerskorps, die wel een hapje eten lustte voordat hij terugging naar zijn post, een reeks bekende favorieten speelde die door alle aanwezigen enthousiast werden meegezongen.”’ Ze kijkt op. ‘Er gebeurt iets in de Grill en ik ben er niet bij? Zoiets bespottelijks heb ik nog nooit meegemaakt. Gaan er gewoon mensen uit terwijl ik hier op de Peak zit te verstoffen? Ben jij uit geweest, Dommie? Hoe durf je, zonder mij mee te nemen!’

‘Trudy, het is op dit moment voor vrouwen geen goed idee om naar buiten te gaan. Jullie moeten veilig thuisblijven. Vooruit, verstel mijn broek en maak iets te eten voor ons klaar.’

Ze gooit hem de krant naar zijn hoofd.

‘Wat is er voor nieuws?’ vraagt Will.

‘Het gaat slecht met de Engelsen,’ zegt Dominick onbewogen. ‘Ze zijn in de minderheid en minder effectief. De Japanners zijn gewoon met velen en ze zijn goed getraind. Ze zwermen al overal op het eiland rond. In de nacht van de achttiende zijn ze aan land gekomen. De Engelsen moeten het doen met soldaten die niet gewend zijn aan het terrein en niet weten wat er van ze wordt verwacht. De bevelsstructuur is niet goed. En er is malaria uitgebroken.’

Het valt Will op dat Dominick de woorden ‘wij’ en ‘onze’ zorgvuldig vermijdt.

‘Zo te horen gaat het niet goed met ons.’

‘Nee,’ zegt Dominick op neutrale toon. ‘Het gaat helemaal niet goed met jullie. Volgens mij is het alleen nog maar een kwestie van tijd. De gouverneur is stom geweest en heeft een voorstel tot wapenstilstand van de hand gewezen met een absurd beroep op de Britse superioriteit. Hij steekt zijn hoofd in het zand. Dat heb ik allemaal gehoord van onze neef Victor, die altijd weet wat er overal omgaat. Hij is nog thuis.’

‘Wil je pannenkoeken?’ komt Trudy tussenbeide.

‘Nee, bedankt,’ zegt Dommie. ‘Ik kan niet lang blijven.’

‘Wat doe je tegenwoordig zoal?’ vraagt Angeline. ‘Behalve voor ons zorgen, natuurlijk.’

‘Je hebt geen idee hoe het eraan toe gaat. Jullie zitten hier in een gezellig bunkertje. Buiten is het verschrikkelijk. Ik probeer me gewoon staande te houden.’ Zijn gezicht is emotieloos en glad, en zijn ogen zijn koolzwart. Will vraagt zich af of je een man ook mooi kunt noemen.

‘Als we horen dat de Engelsen zich overgeven gaan we hier weg, want ik neem aan dat er dan op de Peak meteen geplunderd gaat worden,’ zegt Will.

‘En als je uniformen ziet, moet je maken dat je wegkomt.’

‘Is er nog iets anders wat we moeten doen?’ vraagt Angeline.

‘Nee, eigenlijk niet. Ik neem aan dat jullie geld hebben. Als de zaak echt uit de hand loopt, is een ziekenhuis waarschijnlijk de veiligste plek. Jullie weten waar die zijn. De fabriek van Britannic Mineral Water in Kowloon is ook in een tijdelijke schuilgelegenheid veranderd. Maar dan moeten jullie naar de andere kant van de haven. Het lijkt me eigenlijk beter om aan deze kant te blijven. Het is Japans gebruik dat soldaten nadat ze een slag hebben gewonnen, drie dagen krijgen om de beest uit te hangen en te doen wat ze maar willen, dus dat is de gevaarlijkste tijd. Probeer vooral binnen te blijven.’ Dominick onderbreekt zichzelf en kijkt Will aan. ‘Trouwens, ik heb een kerstcadeautje voor jou.’

Hij loopt naar zijn auto en komt terug met een heel mooie wandelstok van glanzend notenhout met een geelkoperen punt.

‘Ik vrees dat ik geen tijd heb gehad hem in te pakken. Maar ik dacht dat je hem wel kon gebruiken.’ Hij werpt Will een scheve glimlach toe en geeft hem de stok. ‘Alsjeblieft, kerel.’

‘Dank je,’ zegt Will. Hij pakt de stok aan en hangt die over de armleuning van zijn stoel.

‘En ik dan?’ vraagt Trudy. ‘Heb je niets voor mij?’

‘Hier liep ik toevallig tegenaan,’ zegt Dominick. ‘Ik zag hem op de zwarte markt en ik had er precies genoeg geld voor. Ze vroegen er niet veel voor. Blijkbaar is er in oorlogstijd weinig vraag naar wandelstokken.’

‘Dat is vreemd. Je zou juist denken dat ze in trek zouden zijn, met al die oorlogsgewonden,’ zegt Will.

‘Dat zou je verwachten, ja.’

Trudy maakt een einde aan de gedachtewisseling. ‘Maar de dokter zegt dat Will weer helemaal beter wordt, dus over een paar weken zal hij hem niet meer nodig hebben, hè, Will? Dan kunnen we hem gebruiken om het vuur mee op te poken.’

Als Dominick vertrokken is, zitten ze bijeen alsof de ziel uit de kamer is verdwenen. Het lijkt kouder nu het tegen de avond loopt.

‘Zet de grammofoon aan,’ zegt Angeline. ‘Ik wil muziek horen en dansen, alsof alles normaal is.’

‘En we nemen nog iets te drinken!’ roept Trudy uit. ‘Het is Kerstmis, dus dat hoort erbij.’

Ze vult de glazen, steekt kaarsen aan en zet het eendenvlees, het brood en de jam op tafel. Het kerstdiner smaakt heerlijk en de drank verwarmt hun wangen en hun maag.

Zo zetten ze de avond voort. Trudy en Angeline dansen op de kerstliedjes die ze draaien, Will applaudisseert en schenkt de glazen nog eens vol. In de kille zitkamer van Angelines mooie oude huis drinken en dansen ze tot aan de ochtendschemering. Ze drinken totdat ze allemaal dronken zijn en dan stommelen ze de trap op naar hun kamers en laten zich op bed vallen. Trudy is lief voor Will; haar handen en lippen gaan over zijn lichaam tot hij het doffe gebons in zijn knie en het draaien van het plafond vergeet. Dat is de kerst van 1941, een weemoedige, trieste dag van bange verwachting, een dag die hij nooit zal vergeten.

De volgende ochtend klopt Angeline op hun deur. Will doet slaperig en met een mond als schuurpapier open. Om de een of andere reden houdt ze haar hand in de lucht, bevroren in de klopbeweging.

‘Goedemorgen,’ zegt hij. Bleek en katterig kijkt ze hem aan.

‘Vrolijke tweede kerstdag,’ zegt ze. ‘Het is voorbij. Ik heb het net op de radio gehoord. We hebben ons overgegeven.’