11
Juliet Parrish tuurde door de spleet in de jaloezieën. Een paar blokken verderop gilde een politiesirene, maar het geluid nam in volume af. Ze draaide zich met een zucht van verlichting om. 'Niets aan de hand, geloof ik.'
Ook de anderen die in de stomerij aanwezig waren ontspanden zichtbaar. Ben Taylor, die naast een strijkmachine zat, veegde met een overdreven gebaar zijn voorhoofd af en begon cynisch te grijnzen. Toen begon hij te spreken. 'Goed. We weten wat er aan de hand is: censuur, onderdrukking van de waarheid - het hele land geregeerd door een totalitaire dictator die de noodtoestand heeft afgekondigd. Het leger is blijkbaar gearresteerd, of anders hebben ze alle militairen laten verdwijnen
'Over paranoia gesproken,' zei een donkerharige vrouw van in de veertig. 'Alle wetenschappers die ik ken zijn doodsbang. Met reden.'
'Ja, er verdwijnen nog steeds mensen,' zei Brad, een jonge politieman met krullend bruin haar en zorgelijke ogen. 'Zoals mijn collega en alle andere politieagenten die niet aan hun "verzoeken" - zo noemen ze het - willen voldoen.'
De donkerharige vrouw - Juliet was haar naam vergeten - wrong haar handen in elkaar. 'Gisteren hebben ze weer een gezin uit mijn flat gehaald. Het was een arts
Ben Taylor keek Juliet aan. 'Waarom denk je dat ze het zo op mensen van de wetenschap hebben voorzien? Vooral op mensen die onderzoek doen naar het menselijk leven, zoals antropologen en medici? Ze hebben veel minder aandacht geschonken aan onderzoekers van andere wetenschappen, of aan astronomen, bij voorbeeld.'
Juliet knikte. 'Ze zullen wel denken dat wij een bedreiging vormen. Dat mensen die kennis hebben van het menselijk lichaam iets aan hen ontdekken ...' Ze haalde haar schouders op.
'Zoals een manier om hen tegen te houden?' vroeg Ben.
Juliet grinnikte. 'Ik wou alleen maar dat wij inderdaad zo'n grote bedreiging vormden als zij schijnen te denken!'
Een van de vrouwen, een zwarte receptioniste die had gezegd dat ze voor de telefoonmaatschappij werkte, schudde haar hoofd.4 We kunnen ze nooit tegenhouden ... Er zijn er te veel.'
'Nee!' Ben keek haar fel aan. 'Er moet een manier zijn!'
'Jazeker,' zei Juliet opeens. Ze keken haar allemaal hoopvol aan. Ze dacht sneller na dan ze ooit in haar leven had gedaan. 'We moeten ons organiseren,' zei ze. 'Elke ingewikkelde biologische structuur - onze lichamen bij voorbeeld - begint met individuele cellen. Die cellen reproduceren zichzelf - breiden zich uit - en smelten met andere samen ...'
Brad begon te snuiven. 'Dat is een mooie biologieles, Juliet, maar ...'
Juliet draaide zich met een ruk naar hem om. 'Luister naar me, Brad ...' Ze haalde diep adem en begon opnieuw. 'Sorry. Nou, ik weet dat wij embryonaal zijn. Wij zijn maar met weinig mensen. Maar je kunt er zeker van zijn dat wij niet de enigen zijn die op dit moment in een donkere kamer bij elkaar zitten. Wij kunnen niet de enigen zijn die op het idee zijn gekomen om tegen die wezens te vechten!'
Er werd door iedereen instemmend gemompeld. Juliet knikte. 'Dus we moeten eerst zien dat we die anderen vinden, en daarna hebben we apparatuur nodig ...'
'Wapens,' zei Brad.
'Voorraden,' zei de donkerharige vrouw.
'Een hoofdkwartier,' zei Ben.
'Ja,' beaamde Juliet. 'Al die dingen hebben we nodig. Maar ik dacht vooral aan laboratoriumapparatuur en aan medicijnen - microscopen, cultures - allerlei wetenschappelijk materiaal. Op die manier kunnen we er achter komen waarom de Bezoekers in de allereerste plaats de wetenschapsmensen willen elimineren. Wij vormen een bedreiging voor hen, en we moeten ontdekken wat voor bedreiging dat is!'
'Ja!’
‘Natuurlijk!’
‘Goed zo, Juliet!' riepen ze allemaal in koor. De medicijnenstudente ging zitten en wachtte op bijdragen van de anderen, maar niemand zei iets. Ze begon weer snel na te denken. 'We moeten ook nagaan wie het meeste contact met de Bezoekers hebben, en hen vragen of ze zich bij ons willen aansluiten. Op die manier kunnen we ze beter in de gaten houden.'
De zwarte vrouw knikte. 'Zoals die verslaggeefster - hoe heet ze ook weer? Kristine ...'
'Walsh,' zei Ben. 'Die heeft veel contact met de Bezoekers.'
'Misschien té veel contact,' zei Brad somber. 'Denk je dat we haar kunnen vertrouwen? Misschien staat ze voor honderd procent achter alles wat ze doen.'
'Hoe kan dat nou?' vroeg Ben grimmig. 'Als dat zo is, is ze de ergste verrader sinds ... nou ja ...'
'Judas?' zei de donkerharige vrouw.
'Ik ben het met Ben eens,' zei Juliet. 'We zouden haar in elk geval in de gaten moeten houden om te kijken of we het risico kunnen nemen om contact met haar op te nemen. En als de groep dan heeft besloten dat ze te vertrouwen is, kunnen we haar vragen ons te helpen.'
Ze wachtte even, maar niemand bood zich aan. Toen stond ze op. ‘Ik ga achter haar aan en ik zal haar in de gaten houden om te zien of ze te vertrouwen is. Zullen we afspreken dat we elkaar hier op ... eh ... donderdagavond weer ontmoeten? Om acht uur precies?'
'Wat mij betreft wel,' zei Brad, de enige van hen die wel eens 's avonds moest werken. De rest knikte.
'En iedereen moet minstens ...' Juliet dacht snel na.'... minstens vier andere mensen meenemen. Wat zeggen jullie daarvan? Afgesproken?'
'Afgesproken,' zeiden ze haar na.
'Goed,' zei Juliet. 'Nou, dat is het voorlopig dan wel.'
Ze stond in de schemering, omringd door de damp en de geur van wasmiddelen en zag ze een voor een de stomerij verlaten. Ze liepen met een behoedzaamheid die geen van hen (misschien met uitzondering van Brad) ooit eerder in acht had hoeven te nemen, en de tranen sprongen Juliet in de ogen. Het is niet eerlijk, dacht ze. Het zou niet nodig moeten zijn dat we dit doen. Het is helemaal niet eerlijk ...
-
Mike Donovan stond in een telefooncel en liet muntjes in de gleuf vallen om vervolgens het nummer te draaien dat hij op de achterkant van een verkreukeld dollarbiljet had geschreven. Toen de telefoon twaalf keer was overgegaan en er opgenomen werd, slaakte hij een zucht van verlichting. Als er eerder was opgenomen, zou hij niets hebben gezegd. 'Hallo?' zei Tony's stem. 'Ben jij dat, oom Pedro?'
'Oom Pedro?' Donovan probeerde zich te herinneren of dat een van hun codenamen was.
'Ah, je bént het, oom Pedro! Buenas noches!’
'Tony, hou op met...' Donovan zweeg, want er schoot hem opeens iets te binnen.
'We hebben wat problemen gehad met de telefoon. Comprehende? Oom Pedro? Problemen met de telefoon.'
'O ja?' zei Donovan. 'Pobrecito ...'
'Je hebt het begrepen, oom,' zei Tony. 'Er zijn "monteurs" geweest om het uit te zoeken - een heleboel monteurs - en ze konden jouw kookkunst hier overal ruiken. Allemachtig, wat zouden zij graag de hand willen leggen op jóuw burrito.
'Ja, daar twijfel ik niet aan.'
'Maar ik hou nog meer van Italiaans eten dan van jouw Mexicaanse kookkunst, oom ... weet je dat nog?'
Donovan grijnsde. 'Ja, ik weet het nog. Jij bent me nog een steak schuldig, weet je nog? Eentje van drie ons.'
'Nou, dan zal ik je niet langer ophouden - ik weet dat je haast hebt. Succes ...' Hij hing op.
Donovan wilde ook ophangen toen er plotseling, zonder een waarschuwende sirene, een politiewagen de hoek om kwam en recht op hem af reed.
Mike sprong de telefooncel uit en zette het op een lopen - maar ook van de andere kant kwam er een politiewagen op hem af, en vanuit die wagen werd op hem geschoten! Donovan week uit en de krachtige elektrische salvo's brachten een geparkeerde auto aan het wankelen. Donovan rende er nog net op tijd vandaan - de auto explodeerde en wierp zijn scherpe stukjes metaal over de hele straat uit.
Donovan rende een steegje in dat te smal was voor de politiewagens. Aan het geloei van de sirenes kon hij horen dat er zich nog meer politiewagens achter hem verzamelden. Aan het eind van het steegje stond een houten schutting. Dit wordt eentonig, dacht Mike, terwijl hij er overheen klauterde.
Hij sprong aan de andere kant van de schutting op de grond en rende grijnzend weg. In ieder geval had hij Tony kunnen bereiken, en nu zou hij een paar nieuwe kleren gaan kopen en een bad nemen... en een echte maaltijd...
Met visioenen van een grote steak voor ogen hurkte Donovan achter een grote afvalcontainer neer om daar op de komst van de veilige duisternis te wachten.
-
Er trokken lange schaduwen over het gazon van het huis van de Bernsteins, maar het zou nog ruim een uur licht blijven. Niet dat je daar in het tuinhuis veel van kon merken, dacht Kathleen. Rechts van haar hing een kapotte barbecue scheef tegen de muur en verder stond er overal oud tuinmeubilair.
Abraham Bernstein knikte haar geruststellend toe. 'Lynn en Stanley komen nooit in deze oude "cabana" - het is maar een opslagruimte. Er komt hier nooit iemand. Hier zijn jullie veilig.'
Kathleen glimlachte dankbaar naar hem. 'Dank je, Abraham. We kunnen je hier nooit genoeg voor bedanken.'
De oude man glimlachte en wuifde het weg. 'Als iedereen slaapt, zal ik jullie bevoorraden. Lakens, zeep, handdoeken. Er is daar een badkamer, die alleen wordt gebruikt bij feesten rond het zwembad. En met die avondklok ... zijn er geen feesten meer.'
Kathleen dacht plotseling terug aan Eleanors tuinfeest op de avond dat ze de Bezoekers voor het eerst had gezien, en ze zuchtte. Op dat moment liep Robin tegen een spinneweb aan en sprong met een gilletje terug. 'Pa!' Ze dempte haar stem, maar Kathleen wist dat Abraham haar goed kon horen. 'Het is vies! Smerig! Hier kunnen we niet wonen!'
'We ruimen het wel op,' zei Kathleen. 'Dat komt best in orde.'
'Maar het zal er altijd smerig blijven uitzien ...'
'Robin! Zo is het wel genoeg!' snauwde Robert, en hij wendde zich meteen tot Abraham. 'Ik moet me verontschuldigen, Abraham. Mijn dochter is anders niet zo onbeleefd. Het is alleen dat
'Het is al goed, ik begrijp het,' zei Abraham.
'Maar ik niet,' zei Stanley Bernstein, die naar binnen gluurde. 'Kan ik je even spreken, pa? Buiten.'
Ze liepen een eindje van het tuinhuis vandaan, maar Kathleen kon hun gesprek nog net horen. Abrahams diepe stem en Stanley's schelle verwijtende klanken.
‘Ik begrijp niet hoe je ze hier naar toe hebt kunnen brengen, pa!'
'Ze kunnen nergens heen. Hun huis wordt in de gaten gehouden om te zien of ze proberen daarnaar terug te gaan.'
'Maar ons huis ook! En als Daniël niet met zijn buitenaardse vriendjes op stap is, is hij er ook! Zeg tegen de Maxwells dat het ons spijt...'
'Stanley, mijn zoon, jij begrijpt het niet. Ze moeten hier blijven. Ze hebben een schuilplaats nodig, en alleen hier
'Maar Robert Maxwell is een wetenschapsman, en daardoor verdacht! En nu is hij ook nog voortvluchtig! Dat maakt hem dubbel gevaarlijk.'
'Ze moeten hier blijven,' zei Abraham hardnekkig.
'En ik zeg je dat ze hier weg moeten zijn voordat...'
'Nee!'
Stanley draaide zich om naar het tuinhuis. 'Dan zal ik het ze zeggen!'
'O nee!' riep Abraham woedend uit.
Abraham begon met een monotone stem te spreken die juist daardoor erg indringend was. 'We moesten je in een koffer stoppen. In een koffer! Een baby van achttien maanden oud. Op die manier heeft de ondergrondse je naar buiten gesmokkeld. Maar de rest van ons konden ze niet helpen ...'
Stanley maakte een onbehaaglijke beweging. 'Ik ken dat verhaal, vader.'
'Nee, je kent het niet! Jij kent het niet, Stanley. Je moeder ...auv shalom ... je moeder had geen hartaanval in de goederenwagon. Ze is met mij in het kamp aangekomen. Ik zie haar nog voor me ... ze stond naakt in de ijzige kou ...'
Hij haalde diep adem. 'Haar mooie zwarte haar was weg. Ze hadden haar kaalgeschoren. Ik zie haar nog voor me ... ze wuifde naar me toen ze haar met de anderen - al die mensen - naar de douches brachten. De douches zonder water, wel te verstaan.'
De ogen van de oude man waren alleen naar het verleden gekeerd. 'En misschien ... als iemand óns toen een schuilplaats had gegeven ... zou ze vandaag nog in leven kunnen zijn.' Hij keek Stanley weer aan. 'Ze moeten blijven, snap je dat niet? Anders zouden we niets hebben geleerd ...'
Stanley Bernstein wreef vermoeid over zijn gezicht en knikte. Hij knipperde met zijn ogen, zijn lippen bewogen, maar hij maakte geen geluid. Abraham knikte de Maxwells in het tuinhuis geruststellend toe. Kathleen greep Roberts hand en probeerde de tranen in haar ogen weg te knipperen.
-
'Maar Elias, we hebben je hulp hard nodig!' zei Benjamin Taylor en hij maakte grotere passen om zijn broer te kunnen bijhouden. Ze liepen door een drukke straat.
'Wat?' zei Elias. 'Heeft de grote dokter mijn hulp nodig? Hoe kan dat nou, Ben?'
'Omdat jij contacten op straat hebt,' zei Ben.
Zijn broer begon te grijnzen als een wolf. 'Nou en of! Maar hoor eens, broertje Ben, ben jij niet degene die zo de pest heeft aan mijn "straatleven"?'
'Ja. Hoor eens, Eli, de tijden zijn veranderd.' Ben probeerde zich zo goed mogelijk te beheersen. Elias' hulp zou van onschatbare waarde kunnen zijn.
'Nou, de straten zijn niet veranderd. Je moet het alleen wat anders aanpakken. Tegenwoordig kun je op straat een hoop geld verdienen.'
Ben knikte. 'De zwarte markt.'
'Ja, zeg het maar hardop, Ben,' zei Elias. 'Weet je wat vers fruit tegenwoordig doet? En vlees?' Hij lachte. 'Ik verdien tegenwoordig meer met hamburgers dan vroeger met hasj!'
'Nou, dat kun je allemaal blijven doen, Elias, maar wij zijn een groep die in verzet wil komen tegen…’
Elias liet hem niet uitspreken. 'Daar voel ik niets voor, man. Waarom in verzet komen? Ik heb nergens last van. Laat mij nou maar mijn zakken vullen.'
Ben legde zijn hand op zijn arm en liet Elias hem recht aankijken. 'Elias - wat er met dit land gebeurt... met de hele wereld ... is verkeerd.'
'Wie zegt dat?'
'We hebben je hulp echt nodig!'
Elias keek hem woedend aan. 'Waar was jij toen ik jouw hulp nodig had?'
'Elias, ik heb altijd voor je klaargestaan!'
'Onzin!' Elias' donkere ogen begonnen te flikkeren. 'Ik geloof dat ik het wel duizend keer heb gehoord: "Waarom ben jij niet als je broer Ben de dokter?" Hè? En nu heb jij mijn hulp nodig?'
Ben knikte. 'Ja.'
Elias deed een snelle pas naar voren en zei: 'Nou, man. Ik zou je heel graag willen helpen, maar ik moet naar college ... ik moet mijn anatomie studeren ...' Hij draaide zich om. 'Tot ziens, broer!'
Ben keek hem na en voelde zich vermoeid, schuldig en verdrietig tegelijk. Hij had nooit eerder beseft hoe diep geworteld de jaloezie en rancune van zijn broer wel waren.
-
Mike Donovan bleef aarzelend in de duisternis staan en keek omhoog naar het balkon van Kristines flat. Er bewoog zich een vage menselijke gestalte achter het matglas van het raam, en hij nam zijn besluit. Zijn ontmoeting met Tony was op een mislukking uitgelopen - ze hadden elkaar wel om drie uur bij hun favoriete Italiaanse restaurant gezien, maar er waren te veel politieagenten in de buurt geweest - en daarom had hij nu zo'n honger dat hij bang was binnenkort niet helder meer te kunnen denken.
Hij beklom de brandtrap en kwam zo op de derde verdieping, waar hij zich over het balkonhek zwaaide en diep ineengedoken bleef zitten. De gestalte kwam weer langs het raam en Donovan stak zijn hand uit naar de balkondeur. Die zat natuurlijk op slot. Hij dook ineen en sprong met zijn volle gewicht tegen het slot van de deur, en de deur vloog naar binnen open.
Terwijl Mike naar binnen stormde, hoorde hij een verschrikte kreet - een vrouwenstem, goddank. Toen struikelde hij, verblind door het plotselinge licht, over een rij potplanten die voor de deur stond.
Hij keek op en hoorde Kristines stem. 'Mike! Allemachtig, is me dat schrikken!' Ze bukte zich om hem overeind te helpen, en toen zijn ogen aan het licht gewend raakten, zag hij dat ze nat was en alleen een lichtgroene handdoek droeg die ze losjes over haar borsten hield.
'Wat kom je hier doen?' vroeg ze.
'Ik heb hulp nodig. Heb je geld in huis? Alsjeblieft, Kris. Ik heb in twee dagen niet gegeten.'
'Jezus, daar zie je naar uit.' Ze liep naar haar tasje en kwam met een bundeltje bankbiljetten terug. 'Ik heb me zoveel zorgen om jou gemaakt! Waarom zitten ze zo fanatiek achter je aan?'
Mike keek recht in haar groene ogen. 'Omdat ik hun gezichten heb gezien.'
'Wat? Welke gezichten? Wat bedoel je?'
'Ze zijn niet menselijk, Kris. Ik heb een opname van ze gemaakt toen ze kleine diertjes in hun geheel opvraten - levende dieren. En toen ik uit het Moederschip probeerde weg te komen, kreeg een van hen me in de gaten. Met hun eigen ogen kunnen ze waarschijnlijk verder kijken dan wij, of anders hebben ze misschien gewoon een beter nachtzicht. Hoe dan ook, hij zag me, sleurde me met één hand dwars door een ventilatierooster en deed zijn uiterste best om me te doden. Terwijl we daar aan het vechten waren, trok ik aan zijn gezicht - en toen kwam het masker los. Het zijn een soort reptielen, Kris.' Hij huiverde bij de gedachte. 'Ik heb het op de film. Groenig-zwarte huid en rood-oranje ogen. Zulke lange tongen ...' Hij gaf het met zijn handen aan. 'Zo lang, en er komt een soort gif uit.'
Ze keek hem hoofdschuddend aan. 'Mike, liefste ...'
'Jij gelooft me niet, hè?'
'Nou, het is zo moeilijk te geloven .. .een soort reptielen? Met tongen die - ik zou je graag willen geloven, maar ...'
'Het is waar! Ik heb het gezien, Kris!'
'Ik zou echt graag willen geloven dat je dénkt dat je het hebt gezien
'Dénkt dat ik het... Verdomme, Kris!'
Ze keken elkaar fel aan en in de stilte van de kamer was het geluid van hun ademhaling duidelijk te horen. 'Mike, ik werk zo nauw met die lui samen, elke dag ... Het is moeilijk om ...'
'Objectief te zijn?' zei hij sarcastisch.
Ze keken elkaar nog een hele tijd aan en toen draaide hij zich weer om naar het raam. 'Ik verspil mijn tijd. Bedankt voor de lening. Je krijgt het later van me terug - met rente.'
Ze kwam achter hem aan en greep zijn arm vast. 'Nee, nog niet weggaan. Mike.'
'Waarom niet?' Hij draaide zich weer naar haar om.
'Als ik die opnames van je zou kunnen zien ..
'Die heb ik verstopt.'
Ze kwam nog wat dichter naar hem toe en legde haar hand op zijn schouder. 'Mike, misschien heb je gelijk. Misschien ben ik meer bij de Bezoekers betrokken geraakt dan goed is.' Ze trok een grimas. 'Gek is dat, jij was altijd degene die dichter bij...'
'Dat heb jij dan wel op een rare manier in de praktijk gebracht, Kris,' zei hij.
Ze kuste hem en Mike wilde zich in die kus verliezen, maar hij bleef op zijn hoede. Hij deed zijn ogen open en zag het verduisterde glas van Kristines televisietoestel. En op dat glas zag hij de weerspiegeling van een geüniformeerde man op het balkon. Het was een Bezoeker en hij richtte zijn geweer op hem.
Donovan draaide zich abrupt om en duwde Kristine zo ruw van zich af dat haar handdoek op de vloer viel. Donovan greep een barkruk en sloeg uit alle macht tegen de balkondeur, die naar buiten opensprong en een regen van glas op de Bezoeker liet neerdalen.
Tegelijkertijd werd er woest op de deur van de flat gebonkt en eiste een stem dat er werd opengedaan. Donovan wierp Kristine een blik vol walging toe en vroeg zich af of ze hem in de val had gelokt. 'Bedankt,' zei hij met een schorre stem.
Hij rende op de Bezoeker af die op het balkon overeind krabbelde.
'Mike!' riep ze.
Donovan negeerde haar. Hij greep het wapen van de nog verdoofde Bezoeker en rende naar de brandtrap. Plotseling voelde hij dat een arm hem van achteren vastgreep. Hij draaide zich om, haalde uit met de kolf van het wapen en sloeg krachtig op het hoofd van zijn belager. De Bezoeker wankelde achterover, sloeg tegen het balkonhek en duikelde er overheen.
Donovan had geen tijd te verliezen. Terwijl hij het kabaal in Kristines flat nog steeds kon horen, rende hij de ladder af. Hij rende naar de uitgang van het flatgebouwencomplex en hoorde de schoten door de lucht galmen. Hij bereikte de uitgang en stormde erdoor, zigzaggend om de schoten van de Bezoekers te ontwijken. Terwijl zijn hart in zijn keel bonkte, rende Donovan door, en even later waren de zwakke echo's van zijn voetstappen in de duisternis verdwenen.
-
Een donker geklede gestalte met glanzend blond haar kwam uit de struiken naast Kristines flat te voorschijn. Ze glipte door de uitgang en deed het hek achter zich dicht.
Juliet Parrish rende de nacht in en hoorde het wapen van de Bezoekers achter zich knallen. Toen ze achterom keek, zag ze het slot van het hek fel opvlammen. Een van de Bezoekers luchtte zijn woede op het smeedijzeren hek. Juliet schudde haar hoofd. Ze had de man die van Kristine Walsh's balkon was weggerend heel duidelijk herkend - zijn portret was de laatste tijd vaak genoeg op de televisie te zien geweest. Het was Mike Donovan, de voortvluchtige journalist.
Waarom was hij over de brandtrap naar Kristine Walsh's woning geklommen? Misschien was hij naar haar toe gegaan omdat hij hulp nodig had. De man was nu al wekenlang op de vlucht - hij zou wel geld nodig hebben, en een schuilplaats ...
Ze vroeg zich af wat er daar boven gebeurd was. De twee silhouetten achter de balkondeur waren tot één versmolten - en toen waren de gewapende Bezoekers gekomen. Het was natuurlijk mogelijk dat Kristine volkomen onschuldig was, maar het was even goed mogelijk dat ze Donovan had verraden en bijna zijn dood op haar geweten had gehad.
Juliet haalde haar schouders op. Wat er daar boven ook was gebeurd, ze konden het niet meer riskeren om contact met Kristine Walsh op te nemen...
Een plotselinge windvlaag sloeg Juliets haren van haar voorhoofd weg, en terwijl ze de duisternis in rende, barstte er een regenbui los die haar binnen een paar seconden drijfnat maakte.
-
Na enkele mislukte pogingen slaagde Daniël Bernstein erin de sleutel in het slot te krijgen en de deur open te maken. Hij wankelde de gang in. Hij zag een gestalte bij de openslaande tuindeur die naar de achtertuin en het zwembad leidde. Hij tuurde met zijn wazige ogen. Het was Robin! Robin Maxwell!
Wat gek. Daniël probeerde, zonder veel succes, helder na te denken. Hij had gedacht dat de familie Maxwell was gevlucht. Wat deed Robin hier? Hij keek haar glimlachend aan en zei 'Hallo'.
Ze draaide zich geschrokken naar hem om en begon nerveus te giechelen toen ze hem herkende. 'O, hallo, Danny. Je maakte me aan het schrikken.'
'Wat doe je hier?' Hij liep naar haar toe en genoot van de volle rondingen van haar borsten in het schemerige licht.
Ze zuchtte. 'Ik weet dat ik hier niet mag komen, maar ik hield het gewoon niet meer uit in jullie tuinhuis.' Ze keek hem glimlachend aan. 'Dus ben ik een eindje gaan wandelen.'
De woorden drongen langzaam tot Daniël door. 'Ons tuinhuis? Wat deed je daar?'
'Ik woon er - als je het tenminste wonen kunt noemen.' Ze trok een grimas. 'Het zou al te klein zijn voor één van ons, laat staan voor vijf! Het is belachelijk ...' Ze snoof. 'Hé Danny, je hebt gedronken.'
Hij haalde zijn schouders op. 'Ja.'
'Met Brian?'
'Die was er niet. Hij drinkt niet,' zei Daniël. 'Ik geloof niet dat hij er tegen kan.' Hij grinnikte.
'Heeft hij nog naar me gevraagd?'
'Nee.' Daniël fronste zijn wenkbrauwen. 'Waarom zou hij dat doen?'
Ze haalde haar schouders op. 'Ik dacht alleen dat hij dat misschien zou doen.'
Daniël deed het onderwerp Brian met een handgebaar af. 'Nou, vanavond niet. Ik ben echt blij je te zien. Je ziet er zo leuk uit in die trui... en die spijkerbroek.'
Aarzelend raakte hij haar arm aan. Ze deed of ze het niet merkte.
'Maar op andere avonden wel?' vroeg ze.
Daniël keek haar vragend aan. 'Wat?'
'Heeft hij op andere avonden wel naar me gevraagd?'
'Wie?'
'Brian, Danny! Jij hebt écht teveel gedronken!'
Hij streelde haar arm, maar ze scheen zich daar niet eens van bewust te zijn en keek hem alleen maar afwachtend aan. 'Nou ja ...' zei hij. 'Soms ... ja ... ik geloof van wel. Hij vroeg zich af waar je heen was. Wij beiden.' Hij wierp haar een veelbetekenende blik toe. 'Vooral ik. Dat wil zeggen, tot ik ontdekte dat je in ons tuinhuis woont.'
Ze draaide zich om en keek door het raam naar de regen die met allemaal zilveren rimpelingen op het zwembad tikte. Daniël bleef haar arm strelen. 'Weet je nog, die dag dat de schepen van de Bezoekers voor het eerst naar ons toe kwamen? Toen we nog niet wisten dat het onze vrienden waren?'
'Hmmm?'
'Je zei toen dat je niet wilde sterven zonder dat je een keer gevreeën had. Denk je er nog steeds zo over, Robin?' De curve van haar borst onder haar trui was zo dicht bij zijn vingers dat hij al duizelig werd door alleen maar naar haar te kijken.
'Ja,' zei ze, zonder zich om te draaien. Daniël boog zich dichter naar haar toe en stond al op het punt haar te kussen, toen ze zei: 'Is hij maagd, denk je?'
'Wie?'
'Brian.'
Hij keek naar haar gezicht en liet zijn hand van haar arm zakken. Ze merkte het niet eens ...