37
TANDEN OP ELKAAR
Juni 2008
ROOS HEEFT EXAMEN GEHAD bij Van Plagge en het ging natuurlijk: ‘Fantastisch!’ Ik ben blij voor haar en ze lijkt de chirurgie echt heel leuk te vinden. Komend weekend is er een groot feest georganiseerd door het ziekenhuis. Alle artsassistenten, specialisten, coassistenten en zelfs de onderzoekers zijn uitgenodigd. Ik heb zelf avonddienst en kan niet. ‘Ga je naar dat feestje zaterdag?’ vraag ik Roos.
‘Natuurlijk, ik wil chirurg worden en dan moet je je gezicht laten zien bij dat soort gelegenheden,’ zegt ze glimlachend. ‘En Joost komt me ophalen!’ voegt ze er vrolijk aan toe.
Die klootzak van een Joost! Ik probeer niet geïrriteerd te doen en mompel dat ik hoop dat ze niet meer laat zien dan alleen haar gezicht.
We hebben een nieuwe lading coassistenten gekregen en er loopt er vandaag één met mij mee. Ze wil graag een patiënt overleggen. Er zijn twee soorten coassistenten: apathische en actieve. Of liever gezegd: de meesten – en misschien geldt dat ook wel voor mezelf – zijn eigenlijk allebei en naarmate ze het meer naar hun zin hebben, ze het vak leuker vinden en de sfeer beter is, worden ze actiever. Een enkeling blijft volledig apathisch ondanks de gunstige omstandigheden. Dat zijn de rotte appels, en die heb je in elke tak van sport. Dit is echter een actieve, enthousiaste co en ze heet Anna.
‘Allebei een blindedarmontsteking?’ vraag ik even later.
‘Ja, ik weet het zeker!’ zegt ze.
De eerste patiënt is een boer van vijfendertig jaar oud, die met een vertrokken gezicht in bed zit.
‘Pijnlijk?’ vraag ik terwijl ik aan zijn buik voel. Rechts onderin, precies op de plaats van de blindedarm, spannen al zijn spieren zich aan als ik erop duw.
Hij trekt een grimas en zegt: ‘Hmm, goat wel, dokter.’ Hij heeft al drie dagen last van pijn, misselijkheid en braken en het is in zijn eigen woorden ‘toch nie hemaal goud’. De ontstekingswaarden in zijn bloed zijn flink verhoogd en ik denk ook dat hij een blindedarmontsteking heeft. Dit is geen moeilijke casus: een boer die met zijn tanden op elkaar in bed zit heeft altijd iets en het valt zelden mee. Ik overleg kort met Smit, die de acute operaties doet, en meldt de man aan voor operatieve verwijdering van zijn blindedarm.
Anna glimlacht en neemt me mee naar de volgende patiënte, een jonge vrouw van drieëntwintig jaar met pijn rechts onder in de buik. Ze zit rechtop in bed en als we binnenkomen trekt ze een pijnlijk gezicht.
‘Mijn collega heeft al het een en ander verteld, maar ik hoor het ook graag van u: wat is er aan de hand?’ Ik zeg expres ‘mijn collega’ in plaats van ‘de coassistent’ omdat ik er zelf tijdens mijn coschappen zo’n hekel aan had als iemand zei: ‘En dit hier naast mij is de coassistent.’ Dat voelde alsof je zo onbelangrijk was dat ze je naam niet eens hoefden te noemen.
‘Ik heb zo’n pijn rechts onder in mijn buik en ik ben enorm misselijk. Elke hobbel op de weg hier naartoe deed pijn.’
‘Wanneer is het begonnen?’ vraag ik.
‘Twee dagen geleden,’ antwoordt ze.
‘Heb je wel eens vaker buikpijn?’
‘Ja, maar dit is anders,’ antwoordt ze fel.
Ik onderzoek haar en ze geeft pijn aan in de rechter onderbuik, maar de buik is volstrekt soepel. Ze maakt geen zieke indruk en heeft geen verhoogde ontstekingswaarden. Na wat doorvragen blijkt ze al vijf dagen geen ontlasting te hebben gehad en na een klysma gaat het een stuk beter. Ze heeft geen blindedarmontsteking.
‘Maar ze heeft vervoerspijn; elke hobbel in de weg doet pijn!’ zegt Anna verongelijkt.
Later in de koffiekamer kijkt Anna me wulps aan en zegt: ‘Jij woont toch samen?’
Ik moet lachen om de plotselinge vraag en probeer me even voor te stellen hoe het zou zijn met Anna, deze ondeugende jongedame. Ik antwoord snel: ‘Ja, al heel lang.’ Mijn pieper gaat. Het is de OK-zuster: ‘Ik moet van dokter Smit zeggen dat je nog twee minuten hebt om omgekleed en gewassen hier te verschijnen!’
‘Het rechterbeen, hè? Zou u er zelf een pijl op willen zetten, dat is ons protocol,’ zegt een onnadenkende OK-assistent.
Meneer Tuitert kijkt mij hulpeloos aan en zet een pijl op het enige been dat hij nog heeft. De stomp van zijn geamputeerde been is nog niet genezen, maar zijn voet is zwart en er zitten blaren op; het andere been moet er ook af. De generaal is al steriel omgekleed en drentelt ongeduldig op en neer.
Een uur later stop ik het tweede been van meneer Tuitert in een blauwe ton en hecht de stomp. De generaal heeft mij de operatie stapje voor stapje laten uitvoeren, secuur en streng, maar niet op een vervelende manier. Als het klaar is, zwijgen we. De sfeer is bedrukt, amputeren is verschrikkelijk. Tijdens de operatie vloeit er vrijwel geen druppel bloed en dat komt niet omdat ik zo’n briljante chirurg ben. Het is een slecht teken. Bloedende wonden genezen, niet bloedende wonden niet, want als het plantje geen water krijgt, sterft het.
De volgende patiënt is de boer met zijn blindedarmontsteking. Ik schud hem nogmaals de hand. ‘Ik ga u samen met dokter Smit opereren.’
De generaal geeft ook een hand en port een keer in de rechter onderbuik van de man. ‘Pijnlijk?’
‘Valt wel mee,’ zegt de patiënt dapper met zijn tanden op elkaar.
De generaal knikt goedkeurend naar mij en vervolgens laten we de anesthesist zijn werk doen. Als de patiënt slaapt, laat de generaal mij weer opereren, bromt af en toe goedkeurend en stuurt mij hier en daar bij. Wanneer de blindedarm eruit is en het restant afgebonden, loopt hij weg en geeft me zowaar een schouderklopje. Ik ben daar zielig blij mee en loop even later euforisch richting het personeelsrestaurant.
’s Avonds kom ik zingend thuis. Morgen heb ik vrij en daarna avonddienst.
Als ik twee dagen later om vier uur de overdrachtsruimte binnenloop, kijkt Bouwman mij verrast aan. ‘Hé, Lamme! Wat doe jij hier?’ zegt hij vrolijk.
Ik kijk hem verbaasd aan en daarna naar Kees, die naast hem zit. Ik pak mijn agenda en blader naar de datum van vandaag. ‘Kijk, hier staat het, ik heb dienst!’
Kees en Bouwman glimlachen. ‘Nou, gezellig!’ zegt Bouwman cynisch. ‘Je moet in het rooster kijken, debiel, en niet in je agenda! Ha ha!’
Even later zie ik dat ik me inderdaad vergist heb. Wat heerlijk, een hele vrije avond en nog een mooi feest ook, want dat is vandaag. En ik kan Roos verrassen, dat vindt ze vast fantastisch! Maar nu ik toch in het ziekenhuis ben, kan ik mooi wat aan het heupenonderzoek doen. Dan is het niet helemaal voor niets geweest dat ik naar het ziekenhuis ben gefietst.
Een uur later zit ik met een stapel dossiers voor me en voer gegevens in de grote database in. Ik heb al vier koppen koffie gehaald en er lijkt geen einde te komen aan de stapel. ‘Heerlijk uitdagend onderzoek doen!’ mompel ik. ‘Goed voor mijn carrière!’ Na nog een uur heb ik het gehad en besluit ik naar huis te gaan. Ik koop bij het bloemenwinkeltje in het ziekenhuis een grote bos voor veel te veel geld. Het gehele afgelopen jaar is het er niet van gekomen om Roos ten huwelijk te vragen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ook af en toe twijfel vanwege dat gedoe met die Joost, en omdat het niet allemaal meer zo soepel loopt tussen ons als in het begin. Aan de andere kant: natuurlijk wil ik met haar trouwen! Met wie anders? Roos is de vrouw van mijn leven. Zal ik gewoon met mijn bloemen in de hand voor de deur op mijn knieën zakken en haar ter plekke ten huwelijk vragen? Ik wil het toch een keer en straks laat ik er weer een jaar overheen gaan, dat slaat toch nergens op? Ik grijns bij de gedachte, maar voel ook zenuwen opkomen. Nog maar even niet. Ik kijk op mijn horloge. Het is 18.15 uur.
Om 18.36 uur sta ik voor de deur van ons huis. Er staat een fiets naast de voordeur. Een degelijke herenfiets met drie versnellingen en intacte verlichting. En een brave fietstas, waar precies een laptop of iets dergelijks in past. Er bekruipt mij een onheilspellend gevoel. Ik doe de deur voorzichtig open. Aan de kapstok in het halletje hangt een jas die ik niet ken. Ik duw de deur naar de woonkamer zachtjes open. Op tafel staan twee laptops naast elkaar, eentje is die van Roos. Er branden kaarsjes en er staat zachtjes muziek op. Verspreid over de grond liggen kleren: een bh die ik uit duizenden herken en ook een herentrui en een-broek. Ik adem in, daarna langzaam weer uit. Boven klinkt gestommel en gegiechel. Ik adem nog een keer diep in, dan weer uit. Het lijkt of de grote kosmische klok krakend tot stilstand komt, of ik me in een vacuüm bevind. Zo sta ik één minuut, twee minuten, drie minuten. Ik probeer de situatie te bevatten, maar dat lukt niet.
Opeens dringt het genadeloos tot me door. ‘Godverdomme,’ fluister ik grimmig. Plan A: Ik pak een lippenstift uit het laatje in de keuken, maak mijn lippen rood, haal een kettingzaag uit de schuur, ren naar boven, schop de deur open en roep tegen Joost: ‘Do you think I’m pretty?’ Waarna ik een bloederige hoop vlees van hem maak. Ondanks alles grinnik ik om mijn idiote gedachte.
In plaats van Plan A uit te voeren, schuifel ik zachtjes terug de hal in. In de paraplubak staat een Franklin-honkbalknuppel die ik heb gekocht toen we met de familie in Amerika op vakantie waren. Ik pak hem stilletjes uit de bak en zwaai er een paar keer geluidloos mee. Hij ligt lekker in de hand. Ik kijk nog een keer naar de kapstok en pak de onbekende jas van de haak. Het is maatje small. Ik denk even na en zet de Franklin weer terug in de ton. Vervolgens loop ik naar de trap. Ik voel me merkwaardig rustig. Ik adem nog een keer diep in; ik ben niet gek, ik ga Joost niet doodslaan. Maar wel bijna.