images

30

SLECHTE PATIËNTEN

Maart 2008

BOUWMAN ZIT NAAST MIJ tijdens de ochtendoverdracht en stoot mij aan. ‘Je ziet eruit alsof je na tweehonderd jaar in je kist net gereïncarneerd bent,’ zegt hij grinnikend. ‘En moet je de Blinde zien!’

Ik volg zijn vinger richting Kees, die ook wat waterig uit zijn ogen kijkt. Vervolgens wijst hij naar de rij voor ons, waar de coassistenten zitten. Ik wil hem net zeggen dat hij naar de vrouw van mijn leven wijst en op zijn woorden moet letten, of de generaal schraapt luidruchtig zijn keel, en iedereen inclusief Bouwman is meteen stil.

Roos is vanochtend bij Van Plagge op de polikliniek ingedeeld en vanmiddag op de OK. Ik sta op SEH ingedeeld, waardoor we elkaar de hele dag niet tegenkomen. Van mijn collega’s weet alleen Kees dat Roos nu coschappen bij ons loopt. Het is niet zo dat ik het verborgen heb willen houden, maar op de een of andere manier is het er niet van gekomen om het aan de rest te vertellen. Het is een beetje een vreemde situatie.

Een jongetje van twee jaar zit huilend op zijn moeders schoot in een van de kamers op de SEH. Als hij mij ziet, gaat hij nog harder huilen. Ik glimlach vriendelijk en vraag: ‘Wat is er aan de hand?’ De ouders vertellen dat hun zoontje vanochtend in de zandbak is gaan spelen en daarna niet meer op zijn linkerbeen heeft willen staan. Ze weten niet wat er gebeurd is en zelf huilt hij alleen maar. Ik probeer het kind te onderzoeken, maar bij alles wat ik doe gilt hij het uit. Er zit een schaafplek op zijn linker onderbeen en daar laat ik maar een röntgenfoto van maken. Op de foto is echter niets te zien. Ik heb geen idee meer en bel Fleur. Fleur zegt dat ze bezig is met een moeilijke patiënt en dat ik Bouwman maar moet bellen. Bouwman zoekt niet naar excuses en komt. Kees heeft een term voor het gedrag van Fleur: duiken. Eigenlijk geldt het in beginsel voor iedereen van wie ik iets moet in het ziekenhuis, of het nu collegae zijn van andere specialismen, verpleging of personeel van de röntgenafdeling: er zijn twee soorten collega’s, degenen die van alles verzinnen om er onderuit te komen en dus duiken, en collega’s die nooit duiken.

Bouwman duikt nooit en de generaal ook nooit.

Bouwman staat even later naast me en onderzoekt het kind, dat ook bij hem gilt als een speenvarken.

‘Kinderen liegen niet, dus als dat jongetje niet op zijn been wil staan en je ziet niets op de foto’s van zijn onderbeen, dan zet je zijn hele been, inclusief voet, knie en heup, maar op de foto.’ Bouwman glimlacht en zegt erachteraan: ‘En als je er dan nog niet uitkomt, kom ik nog een keer kijken. En vergeet niet die lijst in te vullen voor de kinderbescherming!’

Tien minuten later blijkt het jongetje een scheurtje in zijn bovenbeen te hebben. Hij krijgt gips aangemeten en mag daarna naar huis. Ik houd van Bouwman en zijn daadkrachtige optreden. Kindermishandeling schijnt veel voor te komen, maar ik zie er bijna nooit gevallen van. Je zou argwaan moeten hebben als de ouders een vreemd verhaal vertellen en het kind een ander verhaal. Of als het kind meerdere blauwe plekken heeft. Dit jongetje heeft zijn been gebroken en de ouders maken een oprecht bezorgde indruk. Ik meld het incident wel aan bij de kinderbescherming, maar verwacht er verder niets van.

Kees komt mij zwetend voorbijgerend met een patiëntendossier in zijn hand en ziet mij in zijn haast niet staan. Even later komt hij hijgend terugrennen. ‘Wat is er aan de hand, Kees?’ vraag ik rustig.

Kees hurkt, hapt naar adem en zegt: ‘Smit is met het verkeerde been uit bed gestapt.’

Ik kijk hem verwonderd aan.

‘Ik heb per ongeluk het dossier van zijn buurman meegenomen en hij wil weten welke “debiel” in diens buik heeft staan porren.’ Opeens krijgt Kees een grijns van oor tot oor. ‘Ik was het in ieder geval niet,’ zegt hij triomfantelijk.

Ik blijf hem verbaasd aankijken, maar opeens valt het kwartje. Fleur natuurlijk! Ik was erbij toen ze de buurman van de generaal martelde en toesprak.

Even later ben ik toevallig op de afdeling en wil de artsenkamer binnenlopen. Ik blijf bij de deuropening staan, want ik hoor de generaal tegen Fleur praten: ‘Patiënten liggen hier niet voor hun plezier, die behandel je met respect en fatsoen. Je neemt de tijd voor hen en praat normaal tegen hen, het zijn geen kinderen maar mensen als jij en ik die ziek zijn, snap je dat!? Hoe denk jij ooit chirurg te worden!?’

Voetje voor voetje sluip ik weg en ik besluit eerst maar weer naar de SEH te gaan. Daar zit Kees en ik fluister in zijn oor: ‘Gerechtigheid.’

Mijn pieper gaat. De afdeling belt dat het niet goed gaat met een patiënt. ‘Ze ligt er wat appelig bij.’ Ik hoor aan de manier van praten dat het een categorie twee verpleegkundige is en antwoord dat ik kom kijken. Ik geef Kees een knipoog en zeg dat ik naar een patiënt moet die er wat ‘appelig’ bij ligt.

Kees lacht: ‘Die ligt vast koud in bed.’

Ik zucht en weet dat hij best eens gelijk zou kunnen hebben.

Een minuut later loop ik de afdeling op en vraag aan de eerste de beste verpleegkundige waar ik moet zijn. Ze haalt haar schouders op en zegt: ‘Ik denk ergens achterin.’ Er is een duidelijke verdeling op elke afdeling. Vóór in de gang zijn de grote zalen waar patiënten met zijn achten bij elkaar liggen. Het blijft me trouwens verbazen dat gevangenen in verband met hun privacy niet met meer dan twee op een kamer mogen verblijven, en dat zieke mensen met zijn achten liggen, alsof hun privacy er niet toe doet. De patiënten in de achtpersoonszalen zijn over het algemeen ‘goed’, wat betekent dat ze in ieder geval niet ieder moment dood gaan. Daarom kunnen ze ook met zijn achten bij elkaar liggen. Als je er een al te ‘slechte’ patiënt tussen legt, is dat traumatiserend voor de rest, zeker als hij of zij op zaal het loodje legt. Aan het einde van de gang zijn de ‘kleine kamertjes’, waar patiënten alleen liggen. Dit zijn over het algemeen de ‘slechte’ patiënten, die óf doodziek zijn, óf dat kunnen worden. Als je als arts naar een kamertje achterin wordt geroepen, betekent dat niet veel goeds. Het gaat dan slecht met een ‘slechte’ patiënt.

De patiënte voor wie ik kom, ligt helaas inderdaad dood in bed. Ik luister voor de zekerheid naar hart en longen en schijn met een lampje in haar ogen. Ze voelt nog warm aan en ligt er vredig bij. Ik vraag aan de verpleegkundige waar de overlijdenspapieren liggen en pak mijn pen alvast. Ze kijkt me verbouwereerd aan: het is wat meer ‘appelig’ dan ze had gedacht. In het dossier lees ik dat deze dame gisteren aan een gebroken heup is geopereerd en aan het einde van de week terug zou gaan naar DLD. Ik vul de papieren in en laat de familie komen. De overleden patiënte heeft een donorcodicil en ik leg de familie uit dat we de donorprocedure zullen starten, in ieder geval voor haar hoornvliezen. Haar zoon kijkt me recht aan en zegt dat zijn moeder haar hele leven voorstander is geweest van het donorcodicil en dat hij het prima vindt. De dochter staat echter op en zegt: ‘Ik vind het zo’n akelig idee dat ze aan haar ogen zitten, ik wil dat eigenlijk niet.’ De zoon reageert geïrriteerd: ‘Moeder heeft haar hele leven zo’n codicil op zak en nu het erop aankomt, ga jij moeilijk doen.’ De dochter moet huilen en herhaalt dat ze het zo’n akelig idee vindt.

Het is een bizarre situatie, deze discussie aan het voeteneind van de overleden patiënte. Het is niet mijn taak om te oordelen, maar ik ben het met de zoon eens. Ik zeg dat ik ze even alleen zal laten en zo terugkom. Ik drink een kop koffie met de verpleging en beantwoord mijn pieper een paar keer. Ik blijf het gek vinden dat die dame nu dood is en een half uur geleden nog leefde. Als ik terugkom zit de zoon verslagen naast het bed, de dochter huilt. De donorprocedure gaat niet door wegens uitdrukkelijke wens van de familie.

Nu moet ik vragen of ze door de patholoog-anatoom de doodsoorzaak willen laten achterhalen. Dat kan door obductie: de organen van de overledene worden door hem onderzocht en hij kan dan vaak zien of er sprake is geweest van een hartinfarct of een herseninfarct of een bloeding of iets anders. Het is voor ons medici belangrijk, omdat we zo kunnen leren van onze fouten. Want als we weten wat er eventueel mis is gegaan, kunnen we daar in het vervolg beter op letten. Zonder obductie blijft het gissen wat er gebeurd is. Het moet wel binnen een dag na het overlijden plaatsvinden, anders valt er niet veel meer met zekerheid te zeggen. Ik vind het een lastig onderwerp om te bespreken met de familie van een overledene.

‘U heeft het recht en de mogelijkheid dat we door een obductie proberen te weten te komen waar uw moeder aan is overleden’ zeg ik schor.

‘Nee, nee, nee!’ zegt de dochter fel. ‘Er wordt niet meer aan mamma’s lichaam gerommeld.’ De zoon wil iets zeggen, maar houdt zijn mond.

Ik knik, wens hun veel sterkte en vertrek. Dit voelt allemaal niet goed, maar ik weet ook niet wat ik eraan kan doen.

Tien minuten later ben ik weer op de SEH, waar een jongeman mij zuchtend aankijkt. ‘Ik heb mijn voet gestoten tegen een paaltje, dat heb ik al drie keer verteld en ik wacht hier al drie kwartier!’ antwoordt hij geprikkeld op mijn vraag wat er aan de hand is.

Ik zwijg en onderzoek hem. ‘Je voet is niet gebroken,’ zeg ik een minuut later.

‘Hoe weet je dat nou, ik wil een foto!’

Ik zeg dat een foto niet nodig is en dat hij maar eens moet proberen te staan. Hij zegt dat hij een foto wil en niet kan staan. Ik zeg van wel. Hij zegt van niet en dat hij een foto eist. Ik zeg dat het zo niet werkt, waarop hij stampvoetend wegloopt. Ik wil hem eigenlijk naroepen: ‘Zie je wel!’ Maar ik houd me in.

Mijn pieper gaat. ‘Met Marten,’ antwoord ik. Het blijft stil en ik herhaal mijn naam. Het blijft weer stil. Ik kijk naar het nummer dat mij piept en begrijp dan wie er belt. ‘Met Marten van Olst, arts-assistent chirurgie, goedemiddag,’ verbeter ik mijzelf.

De generaal vraagt of ik net een vrouw dood heb verklaard. Ik antwoord bevestigend.

‘Wat is er gebeurd, die vrouw is gisteren geopereerd?’

Ik zeg dat ik het niet weet en dat we er nooit achter gaan komen, omdat de familie geen obductie wil. Het blijft stil en tegen de tijd dat ik iets wil zeggen, heeft hij opgehangen. De generaal blijft een mysterie voor mij. Zou hij het erg vinden dat die oude dame is overleden?

Mijn pieper gaat alweer en mijn gedachtestroom wordt onderbroken. Een minuut later sta ik op de SEH bij een voet die wél gebroken is. Terwijl ik de röntgenfoto bekijk, de patiënt de fractuur aanwijs en hem laat weten dat hij gips aangemeten krijgt, staat de generaal achter me. Hij luistert aandachtig naar wat ik de patiënt vertel en knikt instemmend. Hij geeft me een schouderklop en loopt weg. Ik weet niet wat de generaal bezielt, maar misschien wil hij me wat moed geven na die dode patiënte. Ach, zijn beweegreden kan me ook eigenlijk niet schelen, ik ben blij met hem, nu en hier.

Ik kom laat thuis, maar tot mijn stomme verbazing is Roos er nog niet. Ze komt een half uur later en vliegt mij opgewekt om de hals. ‘Ik word chirurg!’

Ik moet lachen en vraag waarom ze zo laat is.

‘Van Plagge,’ zegt ze op zangerige toon, ‘heeft me een blindedarmontsteking laten opereren, van begin tot eind!’

‘Wat!’ roep ik verongelijkt. ‘Hoezo?’

Het gezicht van Roos verstrakt. ‘Kun je niet een beetje enthousiaster zijn voor mij? Lul, dat is toch hartstikke leuk!’

Ik mompel dat ik het geweldig vind voor haar, maar ondertussen denk ik: smeerlappen! Dag en nacht sta ik op de zaal en de SEH te buffelen en ik heb nog nooit een blindedarmoperatie mogen doen, en dan komt er een rondborstige coassistente langs en kan alles. Ik ben jaloers. ‘Heb je wel verteld dat je man ook bij de chirurgie werkt en ook wel eens wil opereren?’

‘Je bent mijn man niet,’ antwoordt ze bits.

‘Hoe was het congres?’ vraag ik.

Roos vertelt dat het heel interessant was en dat haar praatje goed ging. ‘Joost vond dat ik het super had gedaan.’

Natuurlijk vindt Joost dat ze het super heeft gedaan.

Even later zitten we op de bank en laat ze op haar laptop foto’s zien. Ik kijk gepijnigd naar Roos en Joost gezellig in het vliegtuig, gezellig in de kroeg, lachend in een zaaltje en gezellig in een hotelkamer. Ik voel hoe het bloed wegtrekt uit mijn gezicht. ‘Wat doet Joost op jouw hotelkamer?’