images

29

PIKIPIKI

April 2005

EEN TOMAAT KOST HIER twee shilling. Drie bananen kosten tien shilling en een kilo wortels ook. Je been breken kost dertigduizend shilling. Het is dus niet vreemd dat mensen die dat overkomt wachten tot het echt niet meer gaat, en dan pas naar het ziekenhuis gaan.

Ik ruik het been van tien meter afstand. De botten van het onderbeen zijn gebroken en steken door de huid naar buiten, en eentje heeft de grote slagader in de knieholte geperforeerd. Dit been is dood en moet eraf. De patiënt zegt dat hij liever sterft met twee benen dan leeft met eentje, en er is geen discussie mogelijk. Wij kunnen maar één ding doen: een paar dagen wachten tot hij zich bedenkt. Er is geen luchtverfrisser voor de wachttijd. Twee dagen later is de patiënt dood.

Verder heeft er iemand een kapmes afgeweerd met zijn handen en zijn er twee vrouwen door dezelfde kogel geraakt. Het projectiel zit vast in het been van vrouw nummer twee. Ook is er een man met een traumatische amputatie van zijn rechterarm, net boven zijn schouder, door een auto-ongeluk. De wond is nog niet schoongemaakt. Al met al een flinke lijst met spoedoperaties. Er is echter een team van Amerikaanse urologen overgekomen om non-profitoperaties te doen en die gebruiken bijna alle operatiekamers. Daardoor moeten onze spoedpatiënten nog een dagje wachten. Lang leve de ontwikkelingshulp! De spoedpatiënten wachten geduldig en als je hun vraagt hoe het gaat, zeggen ze: ‘Nzuri!’

Een vrouw van een jaar of dertig is met de auto frontaal tegen een vrachtwagen aangereden. Haar bekken ligt in puin. Ze kan de operatie die ze zou moeten ondergaan niet betalen, maar Otieno heeft besloten het wel te gaan doen, uit een of ander speciaal potje. De operatie duurt iets van zes uur en we schroeven een aantal platen aan de voor- en achterkant van haar bekken om het te stabiliseren. De operatie verloopt eigenlijk zonder problemen. Van tevoren heb ik de operatie uitvoerig bestudeerd: alle anatomie en de te volgen stappen volgens een van de nieuwste online orthopedische boeken. Tijdens de operatie heb ik het gevoel dat Otieno de instructies uit mijn studiemateriaal op de voet volgt.

Na de operatie is de patiënte goed opgeknapt en ik loop dagelijks bij haar langs om te zien hoe het gaat. Ze krijgt godzijdank geen wondinfectie. Als ik haar vraag hoe het gaat, zegt ze vanzelfsprekend steeds ‘nzuri’, maar van Otieno hoor ik dat het allemaal niet zo ‘nzuri’ is. Bij het ongeluk is namelijk ook haar man om het leven gekomen, en die was de kostwinner van het gezin met vier kinderen. De patiënte en haar kinderen zullen dus afhankelijk zijn van haar familie, en het is maar de vraag of die hun levensonderhoud en scholing kunnen betalen. Zo niet, dan belanden ze op straat zoals zovelen.

Roos heeft haar eerste dag in het ziekenhuis achter de rug en zit op de veranda van ons huis een boekje te lezen. Ze heeft een groot glas wijn voor zichzelf ingeschonken en rookt een sigaret. Roos rookt eigenlijk nooit en zegt dat ze het vies vindt en dat het stinkt. Als ze mij ziet, begint haar onderlip te trillen. Ik loop snel naar haar toe en pak haar stevig vast. Ze klemt zich tegen mij aan en snikt nauwelijks hoorbaar. ‘Godverdomme,’ snikt ze een paar keer zachtjes.

Roos heeft drie baby’s en een zwangere vrouw zien doodgaan. Ze zegt dat ze nog nooit zo’n afschuwelijke, mensonterende chaos heeft gezien als de verloskamers in dit ziekenhuis en dat iedereen deed alsof het heel normaal was. Opeens veegt ze haar tranen weg en zegt: ‘En ik heb ook zelf een bevalling gedaan. De gynaecoloog stond wel achter me, maar ik deed alles zelf! En het ging eigenlijk heel goed. Zo’n mooi kindje! En die moeder helemaal blij en ze zei dat ze het kindje Roos gaat noemen!’ Roos straalt.

Ik moet lachen en weet weer precies waarom ik zo dol ben op Roos. Zij is een en al emotie en als ze verdrietig is moet ze huilen, maar ze kan twee minuten later weer gelukkig zijn als ze iets leuks meemaakt of door een mooie herinnering. Ze is een emotioneel dier en daar geniet ik van.

‘O, en ik heb meteen met een keizersnede mee mogen doen, natuurlijk niet zelf snijden, maar wel aan de operatietafel steriel gestaan. Die hele operatie duurde twintig minuten of zo, echt te vet! Maar dat kindje gaf geen teken van leven. Weet je wat die arts deed? Hij pakte dat kindje bij zijn beentjes, hing het ondersteboven en schudde het op en neer.’ Roos doet hem na, waarbij haar borsten sensueel meeschudden. ‘Echt te bizar! En dat kindje helemaal druipen van het bloed en vruchtwater. En toen opeens… begon ie te huilen en ging er een zucht van verlichting door de operatiekamer. Wel echt leuk! Hé, wat zit je naar mijn tieten te kijken!’ Ze geeft me een speelse tik met de vlakke hand en trekt haar blouse iets op. ‘Hoe was jouw dag, schat?’

Ik vertel even enthousiast dat ik vandaag meer traumapatiënten heb gezien dan tijdens al mijn coschappen tot nu toe bij elkaar. Ook zeg ik dat ik geen tropenarts meer wil worden.

‘Waaat!?’ roept Roos uit.

‘Ik word traumachirurg!’ zeg ik trots. ‘En dat kun je ook overal op aarde doen. Botje kapot, botje maken! Dan kunnen we mooi samen gaan, jij als gynaecoloog, ik als traumachirurg.’

Roos kijkt me blij verrast aan. ‘En kinderen en zo dan?’

Die nemen we mee, ik ben toch ook goed terechtgekomen!’

Roos bespringt me en begint me overal te zoenen. ‘Ja, ja, ja en nog eens ja, Marten van Olst!’

Een pikipiki is een motor of een scooter of een brommer, eigenlijk alles wat twee wielen heeft en herrie maakt. En een pikipiki huren is makkelijk hier: je hoeft geen rijbewijs, borg of identiteitsbewijs te hebben. Je loopt gewoon naar een jongen op de hoek van de straat toe die een pikipiki heeft en je vraagt of je hem voor twee dagen mag huren. Na afloop betaal je hem tien euro. Je krijgt er dan ook nog een grote glimlach bij.

Roos klimt lachend achter op de pikipiki en klemt haar armen stevig om mij heen. We hebben er een tentje, slaapzakken en wat eten en drinken op gebonden en zijn klaar voor vertrek. Pa vertelde dat er vroeger op ongeveer een uur van ons huidige huis een camping was die uitkeek over de Kerio Valley, vlak bij het ziekenhuis waar hij vroeger werkte. Roos en ik gaan er een kijkje nemen. Wij rijden door een adembenemende omgeving en vragen hier en daar de weg aan de lokale bevolking. Onze pikipiki is een 125 cc Hondamotor waar ik na vijf minuten rijles best goed mee overweg kan. Alleen het schakelen met mijn voet gaat af en toe nog wat stroef, waardoor ik hem soms per ongeluk van zijn vierde in zijn eerste versnelling zet. Dat maakt dan zo’n herrie dat Roos schrikt en mij een harde por in mijn zij geeft. Ik leer dat zo op een soort Pavloviaanse wijze af. Op de hobbelweg ontwijken wij geiten, koeien en busjes en we zwaaien terug naar lachende kinderen die soms een eindje met ons mee rennen. Het blonde haar van Roos wappert onder haar helm uit en in de achteruitkijkspiegel kan ik haar zien genieten.

We rijden op een kronkelweg langs de Kerio Valley, een soort kloof die honderden kilometers lang is en zich voor ons uitstrekt. Een zandweggetje leidt ons uiteindelijk door de heuvels naar de camping, die er nog steeds blijkt te zijn.

’s Avonds zitten we met een flesje wijn in een houten hutje dat precies op de rand van de heuvel is gebouwd, zodat je een onwerkelijk uitzicht hebt. Om de paar seconden wordt de hemel verlicht door bliksemschichten, maar zo ver weg dat je ze niet hoort. De campingmedewerkers komen met een bak roodgloeiende kooltjes en brengen een olielamp. Roos en ik zitten dicht tegen elkaar aan. Verder is er niemand op deze camping. We worden er stil van; veel mooier wordt het leven volgens mij niet.

Midden in de nacht schrikt Roos wakker. ‘Er zit een beest in de tent!’ gilt ze terwijl ze zich aan mij vastklemt. Het blijkt een poesje van een paar weken oud te zijn en we gooien hem de tent uit. De volgende ochtend ligt hij weer aan ons voeteneind.

Om 06.22 uur gaat mijn wekker en Roos kijkt mij slaperig aan. ‘Nog heel even slapen,’ mompelt ze.

Ik zwaai de tentopening open. De zon komt op en kleurt de hemel roodpaars. Roos knippert met haar ogen en krijgt dan een glimlach op haar gezicht. Zo staren we een tijdje naar de zonsopkomst. ‘Marten, hoeveel kinderen wil je van mij?’ vraagt Roos opeens.

Ik streel door haar haren en antwoord vastberaden: ‘Vier.’

We kijken vanuit ons tentje nog een minuut of vijf naar de wondere wereld voor ons en vallen daarna innig verstrengeld weer in een diepe slaap.