images

11

CHAMPAGNE

Juli 2001

DE BRIEF VAN DE Informatie Beheer Groep over de geneeskundeloterij zou deze week moeten komen en hij komt maar niet. Ik word er doodziek van. Elke dag als ik met kramp in mijn armen, een piep in mijn oren en een zenuwachtig gevoel uit de fabriek naar huis ben komen fietsen, is de brief er niet. Ik twijfel zelfs of ik me wel goed heb ingeschreven. Van een vriend in Groningen heb ik al vernomen dat hij is ingeloot, die lul. En mij dan ook bellen: ‘Hé Marten, hoe is het, ben jij ingeloot? Ik wel!’

Het is vrijdagmiddag en om exact vier uur daalt er een aangename rust neer over de fabriekshal. Alle machines komen zuchtend tot stilstand en ik til een laatste loodzware zak de bocht om. Er is pils en er zijn bitterballen in de kantine. Dat is elke vrijdag zo en men kijkt er donderdag al naar uit. Ik ben nog nooit gebleven voor de borrel omdat ik me tot nu toe niet echt thuis voelde op het werk en ook het gevoel had dat er op het ‘bochtje’ werd neergekeken. Eigenlijk wil ik nu ook weer zo snel mogelijk naar huis en kijken of de brief er al is. Maar stel dat hij er is en ik weer uitgeloot ben? Mijn maag draait zich om bij de gedachte alleen al. Dan mag ik niet meer meeloten voor geneeskunde en houdt mijn leventje hier in Leiden op. Dan zal ik mijn conclusies moeten trekken en het in België of Duitsland moeten proberen, of waarom eigenlijk niet in Scandinavië, met al die aantrekkelijke blondines.

Terwijl ik mijn jas aantrek, duwt collega Jan mij een biertje in mijn handen. Wat kan mij het ook schelen? Ik trek mijn jas weer uit en pak het biertje dankbaar aan.

‘Studeer je?’ vraagt Jan vriendelijk.

‘Ja, voor bochtje! Ha Ha!’ antwoord ik vrolijk.

Jan heeft de grap van zijn leven gehoord en lazert bijna van zijn stoel af van het lachen. Vervolgens herhaalt hij mijn grap tegen alle collega’s, die zich ook bescheuren.

Ik drink nog een paar biertjes en ga mijn eigen grap ook steeds leuker vinden. Als ik in kramphouding met mijn armen gestrekt ‘de bochttechniek’ voordoe, waarbij ik met een grimas mijn bovenlichaam draai terwijl mijn armen gestrekt een loodzware zak lijken te pakken, moeten ze bijna huilen van het lachen. Even later vraagt Jan op serieuzere toon waarom ik eigenlijk in de fabriek werk, want ik ben volgens hem een studentikoos type en die werken niet in fabrieken. Ik vertel hem dat ik nu niet studeer maar wacht op de uitslag van de geneeskundeloterij. In de tussentijd heb ik geld nodig en dit was de eerste baan die ik kon krijgen.

Hij kijkt me goedkeurend aan. ‘Het is goed om ook eens dit soort stom werk te hebben gedaan in je leven, dan ben je misschien tevredener met wat je later gaat doen,’ zegt Jan schor. Het is duidelijk dat hij zelf ook liever iets anders zou willen.

‘Hoe ben jij hier terechtgekomen dan?’ vraag ik Jan.

Jan had een eigen schildersbedrijf en is failliet gegaan toen zijn twee beste werknemers ongeveer tegelijkertijd ziek werden. ‘Bennie had kanker en is nu dood en Herman kreeg het aan zijn hart. Ik werkte al twintig jaar met die kerels en als die opeens wegvallen dan gaat het niet goed. Toen heb ik nog een tijdje van dat jonge spul ingehuurd, maar dat werd toen eigenlijk niks meer.’ Jan kijkt me vrolijk aan en vervolgt: ‘Maar ik begin wel weer opnieuw, ik heb nu alleen net als jij wat geld nodig en niet alleen voor mijzelf.’ Hij heeft een vrouw en twee kinderen. ‘Er moet wel brood op de plank komen, Marten, zo simpel is het.’

Ik luister aandachtig en drink nog een biertje met hem. Ik vind Jan een goede vent. Na twee uur besluit ik naar huis te gaan en fluister ik in Jans oor dat ik meer geld kwijt ben aan fysiotherapie voor mijn verkrampte armen dan dat ik verdien met ‘bochtje’ zijn. Hij schatert het uit.

Op weg naar huis komt het zenuwachtige gevoel met volle kracht terug. Ik fiets zo hard ik kan en doe even later buiten adem de voordeur open. Geen post! Ik neem haastig een oude stapel brieven door die in een mandje bij de voordeur liggen. Ik voel me lichtelijk aangeschoten door de biertjes en ben kwaad. ‘Wat kan mij die kutbrief schelen?’ mompel ik terwijl ik een biertje uit de koelkast in de gang pak. Ik maak het open en duw de deur naar de gemeenschappelijke woonkamer open. Mijn moeder kijkt mij blij aan. Pa staat met zijn armen over elkaar grijnzend naast haar. Er hangen slingers in de kamer en mijn huisgenoten hebben allemaal een glas champagne in hun hand. Zo te zien hebben ze tijdens het wachten op mij al heel wat op, zelfs mijn vader staat te wiegen op zijn benen. Reinier kijkt me stralend aan en staat schouder aan schouder met Tobias, die een nootje in mijn gezicht gooit. In zijn rechterhand houdt hij een glas champagne en met zijn linkerhand wappert hij met een opengemaakte brief. Ik adem in, daarna diep uit; ik ben ingeloot voor geneeskunde! Yes! Het voelt alsof ik midden in de enorme fabriekshal sta en plotseling alle machines met een knal tot stilstand komen. Er daalt een oorverdovende rust over mij neer.