14
FEESTJE
November 2008
ROOS DOET ONDERZOEK NAAR zwangere vrouwen met een hoge bloeddruk. Ze was er tijdens haar studie mee begonnen, toen ze er nog van overtuigd was dat ze gynaecologe wilde worden en, kennelijk eerder dan ik voor mijn keuze, doorhad dat je dan ook onderzoek moet doen. Ze vindt het niet echt leuk, maar ziet het als een investering in haar toekomst en klaagt er zodoende niet over. Ze is er vaak in de avonduren mee bezig en dat is voor mij geen probleem. Wat wel een probleem is, is de arts-assistent die haar begeleidt: Joost. Ze praat met een zeker ontzag over Joost, die haar zo goed bijstaat. Als ik haar moet geloven is hij heel slim, tegen het briljante aan en ook nog heel aardig. ‘Een beetje nerdi,’ giechelde ze laatst tegen een vriendin aan de telefoon. ‘Joost is echt een schatje, hij weet waarschijnlijk niet eens dat hij er best goed uitziet.’ Sinds ik dat gehoord heb, haat ik Joost. Ze moet af en toe met Joost afspreken om nog het een en ander door te nemen over het onderzoek. Ze gaat zich dan eerst even omkleden voordat ze naar hem toe gaat en de laatste keer trok ze een shirtje aan waar haar tieten bijna uit knalden. Het zit me niet lekker.
Elke dag om exact half vijf hebben we middagoverdracht. De bedoeling is dat de dienstploeg weet welke patiënten ze in de gaten moeten houden en wie ze eventueel nog moeten opereren. Na de overdracht is er een bespreking: oncologiebespreking, interne bespreking, traumabespreking, vaatbespreking, noem maar op. De arts-assistenten en coassistenten moeten aanwezig zijn. De specialisten zitten aan een grote tafel en bespreken de betreffende patiënten. Wij zitten in een lange rij op stoeltjes achter in de zaal. In de rij voor ons zitten de coassistenten. De specialisten doen het woord en praten zachtjes, waardoor ze elkaar aan tafel net kunnen verstaan. Meer dan een meter van de tafel af hoor je alleen nog wat gemurmel en vanaf tweeëneenhalve meter alleen een soort gezoem, alsof je in een bos loopt met een snelweg in de verte. Wij zitten een meter of drie van de tafel af, waardoor we dus niets meekrijgen van wat er aan tafel gemurmeld wordt. Dit gaat, denk ik, al generaties zo. Ook de specialisten hebben vroeger toen zij assistent waren naar gemurmel geluisterd en er zich toen over verwonderd; ze kunnen het immers niet verstaan, waardoor hun aanwezigheid volstrekt overbodig lijkt. De ziekenhuishiërarchie toen en nu staat echter niet toe dat iemand in onze positie, die van arts-assistent, daar iets van zegt en de specialisten hebben er geen baat bij het proces te veranderen. Ik doe net alsof ik luister en grinnik bij de gedachte dat Smit ook ooit zo heeft gezeten: dromerig, met het gemurmel van zijn generaal op de achtergrond. Mijn gedachten dwalen af en ik bedenk hoe Roos en ik het meest efficiënt een schutting kunnen plaatsen in onze tuin, om in de toekomst niet steeds gestoord te worden door onze eenzame buurvrouw.
‘Marten presenteert meneer Bezema.’ Het is de schelle stem van de generaal en ik schrik op. Bezema, waar ken ik die naam toch van? Ik voel hoe alle ogen op mij gericht zijn. Bezema, Bezema.
‘We hebben niet de hele dag de tijd! Hop!’ roept de generaal.
Kees kijkt me vol medelijden aan en maakt een gebaar richting zijn anus. Iets met anus… Bezema… Ik hoor Fleur gniffelen en het zweet breekt me uit. Bezema. Mijn gedachtestroom komt langzaam op gang.
Bouwman grijpt in en zegt: ‘De heer Bezema is eenendertig jaar oud en presenteerde zich drie weken geleden met anaal bloedverlies en gewichtsverlies. Hij heeft een dikkedarmresectie ondergaan van een tumor, vier centimeter van de anus vandaan, waarbij pathologisch onderzoek uitwees dat hij een slecht gedifferentieerd rectum carcinoom heeft, dat wil zeggen darmkanker, waarbij in dertien van de veertien lymfklieren tumor zat. Na zijn darmresectie is er een stoma aangelegd en heeft hij ook een abces ontwikkeld in zijn kleine bekken. De vraag luidt wat we nog kunnen doen voor deze jongeman met deze uiterst sombere prognose.’
De generaal kijkt goedkeurend naar Bouwman en mompelt: ‘O ja, jij zou die patiënt presenteren.’ Vervolgens beginnen de heren zachtjes te murmelen, onheilspellend zacht, waarbij ik het idee heb dat ze dit keer elkaar eigenlijk niet eens willen verstaan, want ze hebben meneer Bezema heel weinig te bieden.
De oncologiebespreking is al meer dan een uur bezig en ik kijk getergd naar de grote klok die achter in de zaal hangt. Het is inmiddels kwart voor zeven en ik weet dat Roos thuis op me wacht.
De volgende dag zit ik slaperig bij de ochtendoverdracht. Ik heb Roos mee uit eten genomen en het is laat geworden. Mijn ogen zijn gefixeerd op de 8888, die ik vandaag zeker niet wil hebben. Na de overdracht zie ik hem als een hete aardappel rondgaan. Zelf sta ik snel op en loop richting de deur van de overdrachtskamer. Op het moment dat ik de gang in wil stappen, voel ik dat iemand me bij mijn arm pakt. ‘Ik heb een gesprek met de familie van meneer Bezema,’ zegt Fleur terwijl ze de 8888 in mijn hand duwt. Hij gaat onmiddellijk.
Om half vijf zit ik weer bij de middagoverdracht. Als de 8888 nog een keer gaat, scheurt mijn hartklep zo’n beetje af. Het is vrijdagmiddag en ik geef de pieper over aan de avonddienst en terwijl ik mijn hand uitsteek, gaat hij en haal ik opgelucht adem. Ik zet onmiddellijk mijn eigen pieper, die ik naast de 8888 ook op zak heb, uit en pak een biertje uit de koelkast in de overdrachtsruimte. Elke vrijdagmiddag hebben we borrel, net als in de fabriek vroeger. De borrel is min of meer verplicht, zeker voor de arts-assistenten en de coassistenten. Bouwman staat met een biertje in zijn hand bij de coassistenten en is stoere verhalen aan het vertellen: ‘En die arme oude man had dus waarschijnlijk een darmtumor, dus moest ik een rectaal toucher doen. En ja hoor, ik voel de tumor zitten. Op dat moment denk ik: Fuck! Ik ben mijn handschoenen vergeten aan te doen!’ Bouwman kijkt triomfantelijk de groep rond.
De coassistenten kijken hem met een vies gezicht aan. ‘Gadverdamme, meen je dat?’ vraagt de lekkerste van het groepje, degene op wie Bouwman eigenlijk al de hele tijd zijn aandacht richt.
‘Nee, natuurlijk niet, sufferd!’ antwoordt Bouwman met een serieus gezicht, waarna hij begint te schaterlachen.
De coassistente krijgt rode wangen en geeft Bouwman een speelse klap op zijn schouder.
Fleur is met de generaal aan het praten en ik hoor haar naar de bekende weg vragen: ‘Doet u dan ook maagresecties, dokter Smit?’
Smit nipt aan zijn wijn en vertelt trots wat hij allemaal opereert.
Eigenlijk heb ik hier helemaal geen zin in en wil ik naar huis en naar Roos, totdat ik Kees in het oog krijg. Hij staat met tranen in zijn ogen van het lachen schouder aan schouder met Van Plagge bij de bierkoelkast. Ze lijken veel pret te hebben samen. Er staat inmiddels een aantal lege bierflesjes naast hen. Ik neem er ook nog maar een en meng me in het gesprek.
Als ik het ziekenhuis uitloop, wuif ik vrolijk naar meneer Kadaver, die buiten een sigaret zit te roken. Ik vraag hem of hij zijn zuurstoftank wel heeft dichtgedraaid. Hij neemt een hijs van zijn sigaret en knikt mij somber toe. Vanaf volgende week beginnen mijn diensten, maar dit weekend heb ik vrij en dat is een verademing. Eigenlijk moet ik het huis opruimen, al mijn kleren wassen, eten inkopen, mijn post van de afgelopen maand openmaken en alle kranten van de afgelopen weken lezen, maar daar heb ik allemaal geen zin in.
Als ik thuis ben, ga ik naast Roos zitten op de bank en bedenk hoe oneindig fijn het is dat ik even tijd heb voor haar en voor mijzelf. Dat mijn pieper piepend in zijn rekje staat en dat er iemand anders wordt gekgedraaid door de 8888. Ha!
Roos streelt door mijn haar en over mijn borstkas en steekt even later haar tong in mijn oor. Ze zegt dat ze zich zorgen maakt dat we elkaar te weinig zien. Ik houd mijn mond, want ik heb geen idee hoe ik het anders zou kunnen organiseren. ‘Zullen we maandag een avondje helemaal samen hebben en naar de film gaan, Marten? Want we hebben vandaag weer een feestje en morgen ga ik met vriendinnen naar de sauna en dan ’s avonds eten en zondag gaan we bij mijn ouders eten.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘O, had ik dat nog niet gezegd? Anyway, ik heb echt even tijd nodig voor ons, gewoon jij helemaal alleen voor mij.’ Ze kijkt me vertederd aan en lijkt het te menen.
‘Dat lijkt me heerlijk, schat,’ mompel ik schor.
‘Ik ga de buurvrouw vergiftigen,’ zegt ze opeens met een ernstig gezicht.
Ik moet hard lachen. ‘We kunnen haar ook omduwen, zorgen dat ze een heup breekt en haar dan naar DLD bouncen!’ antwoord ik vrolijk.
Roos kijkt me niet-begrijpend aan en ik besef hoezeer ik al een eigen taaltje gewend ben dat alleen mijn directe collega’s kunnen begrijpen.
Het gesprek neemt een andere wending. Roos zegt dat ze er steeds zekerder van is dat ze KNO-arts wil worden: ‘Beetje in oren en neuzen pulken, snel de volgende patiënt, leuke operaties, en ze werken allemaal parttime. En je moet ze eens zien, Marten. Marten?’ Ik antwoord dat ik luister en ze vertelt verder: ‘Het zijn vrolijke mensen, vrolijke dokters. De helft van die internisten loopt met zo’n sik rond…’ – ze maakt een overdreven gebaar met haar handen rond haar kin – ‘psychiaters zijn zelf depressief, maar de KNO-artsen zijn goed gemutst. Vandaag liep ik met die vrouwelijke dokter mee en zij heeft zelfs tijd voor hobby’s: schilderen en zeilen. Dat wil ik ook!’ Als Roos zo babbelt, is ze in haar element. Het wil niet zeggen dat ze inderdaad KNO-arts wil worden, maar wel dat ze het naar haar zin heeft en daar ben ik blij om.
‘En ik ga op congres!’ zegt ze opeens uitbundig. ‘Ik mag een presentatie houden in Seattle over mijn onderzoek en ze betalen alles.’
Ik kijk haar verrast aan en vraag wanneer ze gaat.
‘Het is over een aantal weken en ik moet nog van alles voorbereiden, maar het lijkt me superleuk.’
Ik zeg dat ik blij ben voor haar. Toch knaagt er iets. ‘Ga je dan helemaal alleen naar Seattle?’ vraag ik schor.
’s Avonds gaan we naar een feest dat Reinier geeft omdat hij is aangenomen voor de opleiding tot plastisch chirurg. Ik ben blij voor Reinier, en ook een beetje jaloers. Maar eigenlijk wist ik allang dat hij aangenomen zou worden; ik zou Reinier zelf ook aannemen.
Eenmaal op het feest sla ik een paar bier achterover en voel me al snel in mijn element. Ik hang om Roos heen en vertel Reinier en iedereen die het horen wil wat een gave baan ik heb. Arts-assistent chirurgie klinkt stoer. Ik vertel hoe ik polsen rechtzet en brandwonden behandel en dat er af en toe iemand een hartinfarct heeft op de afdeling. Niemand hoeft te weten dat ik dan al zo’n beetje alles heb verteld wat ik kan en dat ik deze week ben gekgedraaid door de 8888, en van de duizend vragen die ik van verpleging en patiënten kreeg er drie kon beantwoorden. Ook vertel ik niet hoe ik hele dagen met mijn karretje vol dossiers over de zaal loop en me steeds een nepdokter voel die op het punt staat door de mand te vallen. Als ik vertel over de Russische bouwvakker, kijkt men me ongelovig aan. Ik beschrijf in detail hoe het nietje eruitzag en hoe ik het uit zijn hoofd heb verwijderd. Naast mij staan twee mensen hand in hand te luisteren naar mijn verhaal. Ik kijk nog eens goed. ‘Evert-Jan en Anne-Fleur,’ breng ik verbaasd uit.
Zij kijken mij beiden vriendelijk aan en zeggen bijna in koor: ‘Mooie verhalen, Marten.’
Evert-Jan en Anne-Fleur uit mijn eerste tutorgroepje.
‘Evert, kerel, wat doe jij tegenwoordig?’ vraag ik joviaal.
Evert glimlacht breed en vertelt dat hij in opleiding is tot huisarts. Hij heeft ook een tijdje bij de chirurgie gewerkt, maar vond het te hectisch en er bleef te weinig tijd over voor hemzelf. Bovendien had hij naar zijn mening te weinig diepgaand patiëntencontact.
Mijn oren klapperen. Had Evert-Jan niet ooit met zijn zelfverzekerde kop beweerd dat hij chirurg ging worden? ‘Te weinig diepgaand patiëntencontact? Dat bepaal je toch zelf!’ antwoord ik verontwaardigd. Evert-Jan kijkt me vriendelijk aan en antwoordt rustig: ‘Niet helemaal. Bij de chirurgie zie je veel acute problemen en die los je op en dan hup, volgende. Die mensen zie je vaak niet meer terug en dat mis ik juist, dat je een band opbouwt met die mensen en ze echt begeleidt als dokter, dat je langdurig contact hebt.’
Ik vind het juist heerlijk dat er steeds nieuwe patiënten zijn en dat ik een groot deel van de nazorg juist niet hoef te leveren. Daar verschillen we kennelijk in. Wat klinkt Evert-Jan volwassen opeens. Als ik hem zo zie, valt het allemaal wel op zijn plek. ‘En jij dan, Anne-Fleur?’ vraag ik.
Anne-Fleur glimlacht en zegt dat ze een promotieonderzoek aan het doen is naar methodes om het trommelvlies te herstellen als dat zes maanden na een scheur nog niet uit zichzelf hersteld is.
‘Maar ik dacht dat je kinderarts wilde worden!’ zeg ik.
‘Dat wil ik ook en daarom ben ik ook aan het promoveren,’ antwoordt ze met een serieus gezicht. ‘Trommelvliezen bij kindjes. Maar vertel nog even over dat nietje, hoe lang was dat ding precies?’
Roos staat inmiddels naast me. Ik geef haar een knuffel en bedenk dat waarschijnlijk iedereen altijd de krenten uit de pap haalt en een zo leuk mogelijk beeld van zijn baan en leven probeert te scheppen. Ik doe dat dus ook. Roos geeft me een knipoog en een zoen. Ze vertelt aan iedereen die het horen wil dat ze een KNO-arts wordt met hobby’s.
Claire ken ik van mijn coschappen en ze is me aan het vertellen dat ze al vier artikelen heeft gepubliceerd en over een maand mee gaat solliciteren voor de opleiding plastische chirurgie. Ik heb zin om over haar heen te braken. ‘Ik ken de professor vrij goed en hij zei laatst dat hij vond dat ik een heel goed artikel had geschreven.’ Ze kijkt me vol verwachting aan. ‘Ik heb ook laatst mijn eerste blindedarmoperatie zelf gedaan en sta veel op de operatiekamer,’ zegt ze er nog achteraan. ‘Best cool,’ voegt ze daar weer aan toe. Ze doet me denken aan Fleur en ik heb altijd een hekel gehad aan dat type. Het zijn van die mensen die, als je vertelt dat je een maand op vakantie bent geweest, twéé maanden zijn geweest, en ze hebben dan meer gedaan, gezien en meegemaakt dan jij. Als jij het druk had en in een middag dertig patiënten op de SEH hebt gezien, dan hebben zij er honderd gezien en ook nog geopereerd. Elk verhaal leidt uiteindelijk naar iets wat zij heel goed kunnen of hebben gedaan, en altijd beter, vaker en mooier dan jij. Ik mompel wat, waarop ze vertelt dat ze alle plastisch chirurgen vrij goed kent en een waanzinnig cijfer had voor haar coschappen. Ondertussen tik ik nog een paar bier achterover en steek een sigaret op. ‘Rook jij nog?’ zegt ze met een vies gezicht.
‘Heel veel,’ antwoord ik en laat er een harde boer achteraan.
Roos en ik belanden dronken in bed en bedrijven de liefde zoals jonge, dronken verliefde mensen dat zouden moeten doen.