28
BIERTJE DRINKEN
Januari 2008
OP HET NOS-JOURNAAL VERTELT iemand met een vrolijk gezicht dat de ijspret ook zijn tol eist. Dat hoeft hij mij niet te zeggen.
Het is zaterdagochtend. Kees en ik hebben samen dienst met Bouwman. ‘Hé! Moet ik werken met de Lamme en de Blinde?’ zegt hij uitgelaten als hij ons ziet. Bouwman heeft zijn eigen taaltje en hij komt ermee weg in het ziekenhuis. Zo noemt hij de assistenten van de interne geneeskunde steevast ‘internerds’ en de assistenten psychiatrie ‘Freud’ of ‘zielenknijper’. De minder ervaren chirurgieassistenten zoals wij zijn dus ‘de Lamme en de Blinde’.
Het zonnetje schijnt en dat is een ramp omdat iedereen die nog een paar oude schaatsen op zolder heeft liggen, het ijs op zal gaan. Om tien uur komt de eerste binnen, een vrouw van een jaar of vijftig met een dikke pols en een lelijke breuk. Ze is gevallen op het ijs. Wij begroeten haar enthousiast. Even de tanden op elkaar en hup… we knikken haar pols dubbel in een poging de standsafwijking te corrigeren. Er volgt een gesmoorde gil. We gipsen haar in en bekijken tevreden de controlefoto.
Binnen een uur komen er nog tien polsen binnen. Dan een paar heupen en later weer een lading polsen. Ik heb een standaardformulier gemaakt in de computer: ‘Patiënt x, gevallen met schaatsen op re/li pols. Wel/geen standafwijking. Wel/geen acceptabele stand. Na repositie: wel/geen acceptabele stand.’ Ik streep door wat niet van toepassing is en we gipsen ze allemaal in. De reanimatiepieper gaat en Kees sprint weg. Een uur later zie ik hem weer een pols reponeren. ‘Gelukt?’ vraag ik nieuwsgierig.
‘Ja, oude man, ligt nu op de IC,’ zegt hij kalm.
Tien minuten later komt er een trauma binnen. Motor vesus boom. Ik vang hem op en constateer een klaplong, een aantal ribfracturen en een bekkenfractuur. Samen met Van Plagge prik ik een thoraxdrain voor de klaplong en fixeer zijn bekken op de OK. Anderhalf uur later sta ik weer polsen te reponeren. ‘Gelukt?’ vraagt Kees. Ik knik en haal nog ‘een pols’ binnen. Mijn dag is gered, ik mocht even op de OK zijn en dat is het walhalla voor elke chirurgische assistent die nog niet in opleiding is. Dat is ook het verhaal dat ik de komende feestjes zal verkondigen: ‘Effe samen het bekken gefixeerd.’ Niemand hoeft te weten dat ik alleen maar een haak heb vastgehouden en dat Van Plagge de rest heeft gedaan.
‘Even de tanden op elkaar…’ zeg ik een poosje later vriendelijk tegen een patiënt.
Aan het einde van de middag is het gips bijna op en hebben Kees en ik lamme armen van het trekken en reponeren van polsen. Ik heb extra krampen van de haak die ik omhoog moest houden bij de bekkenoperatie.
Om zeven uur ’s avonds zitten Kees en ik onder een terrasverwarmer van een café dat uitkijkt over een gracht in de binnenstad. Met een grote pul bier voor onze neuzen kijken we elkaar blij en enigszins ongelovig aan. ‘Wij zijn uit het ziekenhuis ontsnapt!’ zegt Kees terwijl hij me een knipoog geeft. Zo voelt het inderdaad en ik merk hoe ik ontspan en het bier naar mijn tenen zakt.
Kees kijkt me hoofdschuddend aan en zegt: ‘Die vervloekte pieper! Ik droom over dat ding!’
Ik moet hard lachen en vertel hem mijn nachtmerrie van mijn dikke patiënt die met tweehonderd kilometer per uur tegen een boom is geknald en die alleen maar zegt dat het een beetje trekt.
Kees luistert gefascineerd en kijkt me vervolgens met een serieus gezicht aan: ‘Weet je, Marten, soms heb ik het idee dat er een nieuw soort sociale selectie plaatsvindt; Darwin, maar dan anders.’
Ik haal mijn schouders op en kijk hem vragend aan.
Hij vervolgt: ‘De mens heeft eigenlijk geen natuurlijke vijanden meer, dus er is geen selectie meer in de zin dat hij het op moet nemen tegen wilde dieren of zo.’
Ik weet niet goed waar hij heen wil met zijn verhaal en kijk hem geduldig aan.
‘Vorig weekend ving ik een jongen op van drieëntwintig jaar die met honderd kilometer per uur dronken en zonder helm op zijn scooter tegen een paaltje was gereden. En deze week een kerel die op zijn motor met honderdtachtig kilometer per uur uit de bocht en tegen de vangrail was gevlogen.’ Kees kijkt me gepijnigd aan. Ik luister somber. ‘Alles kapot bij die man en een dag later overleden,’ zegt hij zichtbaar geëmotioneerd. ‘Die vent had een gezin met drie kinderen. En die jongen op de scooter heeft drie dagen op de intensive care gelegen en is toen alsnog doodgegaan! Ik denk weleens: als zo’n eikel zich te pletter rijdt, is dat gewoon evolutie. Ik wil daar niet van wakker liggen, want anders lig ik constant wakker. Ze zouden trouwens bij het motorrijbewijs ook meteen een donorcodicil moeten uitreiken! Ik wil denken dat het niet erg is, maar doodgewone natuurlijke selectie. Maar toch raakt het me, drie kinderen en een vrouw en nu is hij dood. En zo’n jongen die dronken tegen een paaltje rijdt.’
Ik geef Kees een schouderklop en zeg dat hij het niet zo zwaar moet nemen, dat wij gewoon ons best doen en niet meer kunnen dan dat. En dat hij vandaag iemands leven heeft gered met zijn reanimatie en duizend polsen heeft gezet.
‘Maar als je een halve minuut met de familie van zo’n vent aan het praten bent en je legt hun de ernst van de situatie uit, dan gaat die kutpieper weer! En ik wil zeker niet zo worden als Smit,’ tiert hij door, terwijl hij zijn brilletje op het puntje van zijn neus zet en zijn wijsvinger streng in de lucht steekt: “Heb je je patiënten wel voorbereid jongen!”’
Ik moet lachen om zijn imitatie.
‘Wat een figuur! Maar weet je wat het gekke is?’ zegt Kees vervolgens. ‘Ik begin die man met de dag meer te waarderen. Als ik in de problemen zit en hem bel, komt hij altijd en ook al is hij niet aardig, hij is goed voor zijn patiënten en hij heeft mij wel geleerd hoe ik een buik moet onderzoeken. Als ik zelf een keer geopereerd moet worden, heb ik het liefste dat Smit dat doet. Maar die Fleur…’ Kees trekt een zuur mondje, strijkt zijn haar achterover en doet een perfecte imitatie: ‘Hé Kees, hoeveel artikelen heb jij al gepubliceerd? Hoe denk jij in opleiding te komen tot chirurg? Maar ik moet gaan, ik ga “effe” opereren met Smit.’
Ik pis bijna in mijn broek van het lachen.
‘Marten, heeft een huisarts een pieper?’ zegt hij even later serieus.
Ik antwoord dat ik denk van niet.
Kees kijkt mij peinzend aan en zegt dan vastberaden: ‘Ik wil mijn leven terug. Ik wil net als andere mensen overdag een keer naar de winkel kunnen of naar de bank en ik heb mijn beste vrienden niet meer gezien sinds ik hier werk.’
Ik geef hem met de vlakke hand een tik tegen zijn achterhoofd en antwoord dat hij zwelgt in zelfmedelijden en zich niet aan moet stellen en dat hij een fantastische baan heeft waarbij elke keer dat zijn pieper gaat, er zich een nieuw avontuur openbaart. ‘Wij hebben de gaafste baan in het ziekenhuis, arts-assistent chirurgie! Stel je voor dat je elke dag in een kantoor zit. Wij zijn echte dokters! Je moet af en toe even je tanden op elkaar zetten, kom op!’
Kees glundert en geeft mij gelijk. Hij bestelt nog twee bier en houdt zijn halve liter proostend in de lucht: ‘Op echte dokters!’ zegt hij met een glimlach van oor tot oor.
‘Trouwens, heb je Fleur en Bouwman ook hand in hand zien lopen?’ vraag ik Kees met inmiddels dubbele tong.
‘Bouwman is toch getrouwd?’ antwoordt Kees.
Hij weet dus ook niet meer dan ik.
We blijven veel te lang op het terras zitten en drinken veel te veel bier. Mijn telefoon gaat. Ik kijk Kees verschrikt aan. ‘O shit, Roos komt vanavond terug van congres en dat ben ik vergeten!’
Kees lijkt me niet te geloven.
‘Het huis is een teringzooi en we zouden gezellig eten vanavond.’ Ik neem mijn telefoon niet op en besluit Kees te vertellen over Joost.
Hij hoort het hele verhaal aan en kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. ‘Vertrouw je haar?’ vraagt hij dan.
Ik denk lang na en antwoord: ‘Roos is een slimme vrouw. Als domme vrouwen niet gelukkig zijn in hun relatie en dan van een ander een beetje aandacht krijgen, stappen ze met die kerel in bed en daarna ontstaat er een heel drama, waarna de relatie explosief eindigt. Roos zal niet zomaar in bed duiken met iemand. Slimme vrouwen gaan om zich heen kijken zodra hun relatie niet alles lijkt te bieden wat hun hartje begeert. En het hartje begeert over het algemeen allereerst aandacht. Op dit moment kan ik haar niet zoveel aandacht geven en dat komt door dat drukke baantje van ons. Dat betekent dat Roos extra gevoelig is voor aandacht van wie dan ook.’
Kees zakt achterover in zijn stoel en vertelt: ‘Mijn beste vriend heet Klaas. Ik ken hem al sinds de basisschool en tijdens de middelbare school kreeg hij een relatie met Annemarie. Klaas is een vrolijke goedzak met een iets te dikke buik en een iets te dikke bril. Op de een of andere manier was hij altijd wel in trek bij vrouwen, ik denk omdat hij met zijn twee meter lengte en de kuiltjes in zijn wangen voor vrouwen iets veiligs uitstraalt. Bovendien is hij grappig. Annemarie was echt een lekker wijf met een fantastisch figuur. Ze was eigenlijk iets te knap voor Klaas, maar op de een of andere manier vond ze bij hem die veilige zekerheid die veel vrouwen lijken te zoeken. Hun relatie overleefde ook de studententijd, terwijl Annemarie lid werd van het studentencorps en Klaas niet. Die ging ieder weekend voetballen met zijn oude team in onze geboorteplaats.’
Ik kijk op mijn horloge.
Kees gebaart me nog even geduld te hebben en vertelt verder: ‘Twee jaar geleden belt Klaas me op en zegt dat hij ongerust is over Annemarie. Ze heeft het steeds over ene Thomas en het zit hem niet lekker. Die Thomas is haar baas op haar werk op een groot advocatenkantoor. Ze gaan samen hardlopen en spreken af en toe wat af. Klaas is geen jaloers type, maar zegt dat hij er een slecht gevoel over heeft. Hij kan haar niet verbieden met hem om te gaan. Dat wil hij ook niet. Als hij zijn gevoel uit tegenover Annemarie krijgen ze ruzie en zegt ze dat hij zich niet aan moet stellen. Klaas besluit het er niet meer over te hebben. Dat jaar gaat Annemarie twee keer op zakenreis en uiteraard gaat Thomas ook mee. Ze zweert dat er niets is gebeurd en Klaas vertrouwt haar. Zij is niet iemand die zomaar met een ander het bed in duikt.’ Kees knijpt zijn ogen iets samen en leunt voorover: ‘Twee maanden geleden zegt ze dat ze het allemaal niet zo goed meer weet. Klaas belt me in paniek op, ik had hem tot dan toe nog nooit horen huilen. Ze heeft het uitgemaakt. Een week later ziet hij haar hand in hand door de stad lopen met die Thomas.’
Als ik ver na middernacht thuiskom, zegt Roos dat ze me duizend keer gebeld heeft, het eten vier keer heeft opgewarmd en toen maar alleen is gaan eten. Ze voelde zich eenzaam en in de steek gelaten. Ik vraag haar hoe het congres was en wil haar een zoen geven. Ze draait geërgerd haar gezicht weg en zegt dat ik naar rook en bier stink. Ik zeg maar niets meer, ik had dit avondje uit even nodig. Morgen begint Roos met haar chirurgie coschap bij ons.