images

5

GROOTKOERKAMP EN KADAVER

Augustus 2008

‘DE DOKTER ZAL VANMIDDAG met uw familie praten,’ zegt een verpleegkundige tegen de patiënte die voor ons in bed ligt.

Het duurt even voordat ik doorheb dat ze het over mij heeft. Wat zal de familie allemaal aan me gaan vragen? Ik weet zelf niet eens wat die patiënte mankeert. Het zweet breekt me uit. ‘Om vier uur kan het wel,’ zeg ik schor. Het is half één ’s middags en ik heb driekwart van mijn patiënten gezien. De achttien minuten van dokter Van Plagge heb ik reeds vijfentwintig keer overschreden en bovenal heb ik honger.

Meneer Grootkoerkamp is tachtig jaar oud en volgens de verpleegkundige wat warrig. Van zijn familie begrijp ik dat hij al drie jaar zijn eigen zoons niet herkent en dat hij veel over zijn vrouw praat alsof ze even een ommetje aan het maken is. Zij is echter tien jaar geleden overleden. Hij is dement, al is de diagnose nooit officieel gesteld. Hij heeft zijn hele leven als boer gewerkt en maakt een vriendelijke indruk. Hij ligt bij ons omdat hij vaatpatiënt is en zijn rechterbeen vorige week is geamputeerd.

‘Hoe is het met u, meneer Grootkoerkamp?’

‘Best, dokter, moar ik wil op huus an,’ zegt hij met een zwaar accent.

Ik glimlach vriendelijk en zeg dat hij toch nog even moet blijven. De trieste waarheid is dat hij zich met thuiszorg nog best aardig redde op zijn boerderij. Hij scharrelde wat rond en gaf de kippen eten. Nu gaat hij het thuis niet meer redden met één been. Hij zal, als hij de ziekenhuisopname overleeft, naar een verpleeghuis moeten en dan waarschijnlijk snel doodgaan. Bij mijn verpleeghuisstage als coassistent heb ik dat meerdere malen gezien. Iemand die zijn hele leven buiten is geweest en dan opeens in een klein kamertje wordt gezet, zonder familie en buren en met nauwelijks de mogelijkheid om naar buiten te gaan, die gaat dan in enkele weken keihard achteruit. Bouwman heeft me uitgelegd dat meneer Grootkoerkamp naar een verpleeghuis moet met speciale zorg voor dementie; psychogeriatrie heet dat. De wachtlijsten daarvoor zijn lang. Als hij dementie heeft, zullen gewone verpleeghuizen hem niet opnemen, omdat ze daarvoor de extra zorgcapaciteit niet hebben. Vandaar ook dat we de diagnose in het midden laten, anders zal hij weken op onze zaal op een psychogeriatrisch verpleeghuisbed moeten wachten. Hij houdt dan een bed bezet en dat betekent dat er andere patiënten niet geopereerd kunnen worden. Wij zullen hem aan een verpleeghuis aanbieden als ‘wat warrig’, zodat ze hem accepteren, terwijl hij dement is. Dat is slecht en wij overbelasten daarmee willens en wetens het verpleeghuis. Maar onze patiënt is daar net zo goed af als in het ziekenhuis en wij kunnen dan andere mensen helpen.

Meneer Kadaver heeft een zware rookstem, twee gele vingers en een asgrauw gezicht. In zijn dossier heb ik gelezen dat hij suikerziekte heeft, twee hartinfarcten heeft gehad, drie omleidingen om zijn hart heeft gekregen, een nieuwe hartklep, een herseninfarct, bypasses in beide benen en ook longemfyseem heeft. Hij is nu opgenomen omdat hij drie zwarte tenen heeft en veel pijn in zijn rechtervoet, voornamelijk ’s nachts. Er hangt een indringende tabakslucht om hem heen. De bypass die hij eerder in zijn been heeft gekregen zit dicht, waardoor er niet genoeg bloed naar zijn voeten stroomt en ze afsterven. Er is geprobeerd het stolsel in de bypass op te lossen met een hoge dosis bloedverdunners, maar dat is niet gelukt. Wel heeft hij daardoor een enorme bloeduitstorting in zijn lies.

Meneer Kadaver kijkt me aan en zegt dat hij er niets aan vindt in het ziekenhuis. Ik zwijg en moet denken aan Bouwman, die mij het ‘salamiprotocol’ heeft uitgelegd: vroeg of laat bieden bypassen of antistollingsmiddelen geen soelaas meer voor deze vaatpatiënten. Arteriosclerose of aderverkalking, zoals de vaatproblemen in de volksmond worden genoemd, heeft een aantal aanwijsbare oorzaken. Bij sommige mensen zit het in de familie; dat is pech en daar kun je niets aan doen. Vervolgens heeft het te maken met roken, cholesterol, hoge bloeddruk en suikerziekte, wat vaak weer te maken heeft met overgewicht en een ongezonde levensstijl. Het proces van aderverkalking duurt jaren en als je een leven lang gerookt hebt, te dik bent en ook nog een hoog cholesterolgehalte en ontregelde suiker hebt, betaal je daar uiteindelijk een dure rekening voor. Als er door aderverkalking niet genoeg bloed in een ledemaat komt, sterft het langzaam af en dat is vreselijk pijnlijk en de kans dat zo’n teen of voet ontstoken raakt is groot. De behandeling is dan ook gericht op het verhogen van de bloedtoevoer naar een ledemaat met bijvoorbeeld een omleiding. Maar als dat niet meer kan of de omleidingen zijn dichtgeslibd, dan moet er geamputeerd worden om voortschrijden van infectie te voorkomen en pijn te beperken. Het begint met een teen. Vaak is de bloedvoorziening nog onvoldoende om de wond te laten genezen, dus volgt de voorvoet, dan het onderbeen, en uiteindelijk wordt het bovenbeen geamputeerd. Als de patiënt niet al aan een hartinfarct, een herseninfarct of longkanker is overleden, volgt het andere been en eindigt hij zonder benen in een rolstoel. Er gaat steeds een ‘plakje’ af, als bij een salami. ‘Je zult het zelf wel zien,’ had Bouwman zijn betoog geëindigd. ‘Meneer Kadaver is volgens mij een echte vaatpatiënt en staat dus aan het begin van het salamiprotocol, waarbij nu eerst zijn tenen geamputeerd zullen worden.’

Fleur, mijn collega arts-assistent-niet-in-opleiding (AGNIO), komt samen met Bouwman de artsenkamer binnen. De aanduiding ‘niet-in-opleiding’ is belangrijk. Als je wel in opleiding bent, ben je dus in opleiding tot specialist, in ons geval chirurg. Je moet even hard als, zo niet harder werken dan de AGNIO’s, maar je toekomst is verzekerd; je gaat chirurg worden. Als je niet in opleiding bent, moet je je best doen om wel zover te komen, en het is maar de vraag of je dat gaat lukken. Er zijn namelijk honderden jonge dokters die chirurg willen worden en maar een paar opleidingsplekken.

‘Hoi Marten, hoe gaat het?’ vraagt Fleur.

Ik zeg dat alles prima is.

‘In het begin ben je lang bezig met dat zaalwerk, hè?’

Ik knik.

‘Ik ga zo samen opereren met dokter Smit, even wat liesbreukjes doen en zo…’

Ik kijk haar verbaasd aan. Als AGNIO doe je voornamelijk zaalwerk en werk je op de spoedeisende hulp (SEH), maar opereren is alleen weggelegd voor de assistenten in opleiding. Dat wil ik ook! Niet met dokter Smit natuurlijk, maar wel opereren. Bouwman geeft haar een knipoog en zegt: ‘Je bedoelt haakjes vasthouden, lieve AGNIO!’ Fleur kijkt hem geïrriteerd aan en loopt dan weg. Bouwman lacht hard en zegt even later: ‘Die komt er wel, pittig wijfie en al drie artikelen gepubliceerd.’ Daarna geeft hij mij een knipoog en loopt weg. In de deuropening zegt hij nog: ‘Laat je niet gekdraaien!’

Van Plagge heeft me gevraagd om meneer Kadaver aan te melden voor het operatieprogramma en ik heb gezegd dat ik dat zou doen. Maar hoe? Er hangt nergens een lijst voor het operatieprogramma. Fleur en Bouwman zijn net weggegaan en ik besluit het aan de eerste de beste zuster te vragen die ik op de gang tegenkom. Ze haalt haar schouders op en zegt dat de dokters dat altijd doen. Ik vraag het nog een andere verpleegkundige, die ook haar schouders ophaalt. Ik bel Fleur, die zegt dat ze geen tijd voor me heeft en haastig ophangt. Uiteindelijk bel ik Bouwman maar weer, die naar de artsenkamer komt en het me geduldig uitlegt.

‘Bij die man heb ik laatst een shagje uit zijn bypass gebikt,’ zegt Bouwman bij binnenkomst. ‘En toen de anesthesist hem wilde intuberen, moest hij eerst een pakje peuken uit zijn luchtpijp halen.’ Bouwman lacht en zegt dat ik eerst de anesthesist moet bellen en met hem moet overleggen over de operatie.

Ik draai het nummer.

‘Met Jansen, anesthesist.’

‘Hallo, met Marten van Olst, arts-assistent chirurgie, ik wil meneer Kadaver graag op het operatieprogramma zetten.’

Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.

‘Hij heeft een paar zwarte tenen,’ zeg ik erachteraan.

‘Dan moet je de planning bellen,’ klinkt het na een lange stilte.

‘Oké, excuses, bedankt,’ antwoord ik haastig en hang op. ‘Ik moet de planning bellen,’ zeg ik tegen Bouwman, die erbij is gebleven.

Bouwman fronst zijn wenkbrauwen en antwoordt: ‘Hij moet toch vandaag geopereerd worden?’

Ik knik.

‘De planning is voor volgende week of in ieder geval een geplande operatie, voor spoedoperaties moet je de anesthesist bellen.’

Ik slik en bel nog een keer.

‘Jansen.’

‘Met Marten van Olst nog een keer. Die patiënt is voor het spoedprogramma.’

Het blijft weer stil.

‘Met die tenen…’ zeg ik om de stilte op te vullen.

‘Hoe lang heeft hij die zwarte tenen al?’ klinkt het aan de andere kant van de lijn.

‘Een week of twee,’ antwoord ik naar waarheid.

Jansen ontploft aan de andere kant van de telefoonlijn: ‘Die man heeft al twee weken rotte tenen en jij noemt dat een spoedoperatie! Wacht even, hoor, ik word niet goed! Twee weken! Spoed noem jij dat! Nee joh, wij hebben niets te doen, zitten maar een beetje koffie te drinken! Krantje te lezen, sudoku’s te maken, alle tijd van de wereld, joh! Kun je nog een keer het woord “spoed” herhalen, want volgens mij hoorde ik je niet goed!’

Ik verontschuldig me en zeg dat ik de patiënt van Van Plagge moest aanmelden.

‘Wat heeft hij aan nevenziektes?’ blaft Jansen mij toe.

Ik dreun de voorgeschiedenis van meneer Kadaver op en na ‘drie omleidingen en een nieuwe hartklep’ onderbreekt Jansen me met een diepe zucht en zegt: ‘Die man is halfdood en nu moet ik hem als spóédpatiënt in leven houden tijdens de operatie!’

Ik weet niet wat ik moet zeggen en antwoord dat het alleen om zijn tenen gaat. Uiteindelijk gaat Jansen met een diepe zucht akkoord en hangt op.

Bouwman zit naast me en steekt zijn duim naar me op. ‘Jansen ligt in scheiding en is nog bezig om daar op een evenwichtige manier mee om te gaan. Hij is best een goede vent en een kei in zijn vak. Hij zal uiteindelijk de patiënten nooit laten stikken.’

Ik probeer begrijpend te knikken en voel dat ik weer wat kleur in mijn gezicht krijg. Bouwman zegt dat ik nu de operatiekamer (OK) moet bellen.

Dat doe ik meteen.

‘Met Marten van Olst, ik wil graag een patiënt aanmelden voor het spoedprogramma.’

‘Dan moet je de anesthesist bellen,’ klinkt het.

‘Dat heb ik gedaan en Jansen is akkoord.’

‘Wat is het dan?’

Ik leg het geval nog een keer uit en ze gaan akkoord. Ik vraag de verpleging hem nuchter te houden en vertel meneer Kadaver dat hij vandaag nog geopereerd gaat worden. Hij kijkt me geïrriteerd aan en zegt: ‘Dat heb ik weer.’ Vervolgens staat hij op om buiten een sigaretje te gaan roken.

Inmiddels heb ik zo’n honger dat ik bijna bereid ben om een hap uit meneer Kadavers tenen te nemen. Er is een groot restaurant in het ziekenhuis, maar het is me nog nooit gelukt om er op tijd te zijn en ook nu is het alweer gesloten. Ik ben kwaad op mijzelf. Gisteren bevond ik mij in exact dezelfde situatie en kon ik wel huilen van de honger toen ik uiteindelijk om acht uur ’s avonds het ziekenhuis uitliep. Ik besloot toen voortaan altijd boterhammen mee te nemen. Vanochtend had ik echter geen zin om te smeren en koos ik ervoor om vijf minuten langer tegen Roos aan te liggen. Mijn pieper gaat en de spoedeisende hulp (SEH) vraagt waar ik blijf. Als AGNIO werk ik op zaal en op de spoedeisende hulp. Op de SEH komen alle zieke patiënten die worden ingestuurd door huisartsen of die zelf binnenlopen met botbreuken, wonden, buikpijn of andere ellende. Ik moet mijn zaalvisite nog uitwerken, maar dat kan ook vanavond wel. Onderweg naar de SEH loop ik langs mevrouw Wessels, die zegt dat ze pijn heeft in haar rug. Ik vraag hoe het met haar buik is. Ze zegt geen buikpijn meer te hebben.

Het is al donker als ik thuiskom. Er ligt een nieuwe krant onaangeroerd op tafel. Het ergert me enigszins, want ik heb vanavond ook zeker geen tijd om hem te lezen. Roos kijkt me lief aan en zegt dat ze honger heeft. Ze heeft gewacht met eten en er staat een koude lasagne op tafel. Ik kijk er beteuterd naar en geef haar een zoen. Ze vraagt of ik dapper geopereerd heb.

‘Niet iedereen bij de chirurgie opereert de hele dag,’ antwoord ik geïrriteerd, maar als ik haar aankijk zie ik dat ze een grapje maakte.

‘Ik denk dat ik internist word, het is een interessant en breed vak en je gebruikt ook je hersens nog eens.’ Roos heeft drie coschappen gevolgd tot nu toe: psychiatrie, dermatologie en nu interne geneeskunde. Na of tijdens ieder coschap heeft ze vastberaden gezegd dat ze verder wil in het betreffende specialisme.

Terwijl ik na het eten de vaatwasser inruim, hoor ik Roos door de telefoon tegen een vriendin praten: ‘Toen ze zeiden dat het besmettelijk was dacht ik: Ja daag, ik geef die patiënt echt geen hand. En toen moest hij hoesten en kreeg ik een kwaddel op mijn witte jas, echt te ranzig…’ Ze moet zelf keihard lachen. Roos heeft een aanstekelijke lach en vertelt zo beeldend dat ik mezelf erop betrap geboeid mee te luisteren, ook al heb ik het al een keer gehoord. Roos haalt diep adem en zegt in de telefoon: ‘Ik keek naar mijn jas en dacht dus: gatver. Maar dat kun je in zo’n professionele situatie niet zeggen, dus ik vroeg: “Gaat het?” Hij krijgt nog een hoestbui, dus ik wil hem een klopje op zijn rug geven, kotst ie vol over me heen! Echt! En toen moest die arme man huilen en ik dacht: gatver. Maar het was zo zielig dat ik ook bijna moest huilen.’

Ik loop glimlachend naar boven terwijl ik Roos hoor schaterlachen aan de telefoon.