images

20

ECHTE DOKTER

Augustus 2008

JOOST IS NAAST ONDERZOEKER ook een soort van squashleraar, vertelt Roos mij enthousiast. Wat moet ik daar nu op zeggen? Zal ik antwoorden: ‘Lieve Roos, ik denk dat Joost graag met jou wil wippen, wat denk jij?’ Of ‘Lieve Roos, waarom denk je dat ik Joost haat, zonder hem ooit gezien te hebben?’ Ben ik jaloers? Is het zo banaal? Of waarschuwt mijn intuïtie mij voor een dreigend gevaar? Roos zegt dat ze gewoon vrienden is met Joost en dat dat toch moet kunnen. Ik vind ook dat dat moet kunnen, maar zit ik er dan helemaal naast?

Een groot deel van de specialisten in het ziekenhuis is gescheiden en sommigen zijn zelfs aan hun derde of vierde vrouw toe. Waarom gaan al die relaties kapot? Niet omdat specialisten rare mensen zijn. Het komt denk ik omdat de balans tussen werk en privé chronisch verstoord wordt. Als je dat sluimerende proces gewoon door laat gaan, gaat de relatie eraan, met of zonder kinderen. De kunst is om een nieuwe balans te vinden die voor alle partijen acceptabel is. Het lijkt wel alsof dit cliché zich onder mijn neus voltrekt: dokter Marten van Olst zit dag en nacht in het ziekenhuis en heeft helaas weinig tijd en aandacht over voor zijn vriendin. Zijn vriendin is een mooie vrouw die aandacht nodig heeft en die rechtsom of linksom zal krijgen. In de onderzoekshiërarchie staat Joost een tree hoger dan Roos, ze kijkt waarschijnlijk tegen hem op. Behalve dat ze onderzoek doen, gaan ze nu ook gezellig samen squashen en straks naar een congres. Eigenlijk zouden alle alarmbellen moeten gaan rinkelen.

Roos zegt dat ik me niet aan moet stellen.

‘Waar was je gisteren?’ vraagt de generaal mij nors.

Er zit een positieve kant aan, hij heeft kennelijk gemerkt dat ik er niet was. Misschien heeft hij mij zelfs gemist. Het antwoord zal hem echter niet bevallen.

‘Ik had een compensatiedag, dokter Smit.’

Hij kijkt me geërgerd aan, wil iets zeggen, maar houdt zijn mond. Het is mij bekend dat de generatie van de generaal niet aan compenseren deed. Althans, ze compenseerden het drukke chirurgische leven vroeger door generaalachtige trekjes te ontwikkelen, denk ik, maar niet met vrije dagen. Als ik een weekend heb gewerkt, krijg ik daar keurig een maandag en een dinsdag voor terug. Het schijnt dat ze vroeger na een 24-uursdienst de volgende dag gewoon weer moesten werken. Tegenwoordig is er een maximaal aantal uren dat je mag werken. Dat komt uit de luchtvaartwereld, waar ze besloten hebben dat een piloot voldoende uitgerust moet zijn. En wie zou er zelf door een chirurg geopereerd willen worden die al dertig uur in touw is? Officieel werken we achtendertig uur per week, althans dat krijgen we betaald, maar we staan ingeroosterd voor vijftig uur per week en werken er uiteindelijk zestig of zeventig. Maar we hebben dus wel af en toe een dag vrij. Ik gisteren dus. Ik heb uitgeslapen tot tien uur, daarna een film gekeken in bed en toen ben ik gaan surfen op een meertje in de buurt, ver weg van het ziekenhuis met al zijn piepers en ver weg van de buurvrouw.

Kees zegt dat hij op het punt staat een zenuwinzinking te krijgen. Hij heeft de reanimatiepieper, de 8888 en zijn eigen pieper op zak en is zodoende een wandelende pieper. Je kunt hem van verre aan horen komen. Er is een pieperhiërarchie, waarbij de jongste assistent vaak alle piepers krijgt. Kees moet ook nog zijn kinderen van de crèche halen vanmiddag en we hebben afgesproken dat hij mij rond drie uur al zijn piepers geeft.

Ik heb een ontspannen dag op zaal. Meneer Grootkoerkamp had een wondje op zijn hoofd dat ik gehecht heb, en ook meneer Kadavers vervanging, meneer Tuitert, doet het na zijn laatste amputatie vrij goed. Meneer de Boer is naar een hospice gegaan waar zijn verzoek tot euthanasie wordt ingewilligd.

Vanmiddag doe ik kleine ingrepen op de poliklinische operatiekamer, afgekort POK. Vetbultjes, talgkliercystes en andere kleine chirurgische ingrepen. Er is geen plek in het ziekenhuis waar de jonge dokter zich meer dokter voelt dan hier. Ik trek een operatiepak aan, zet een muts en een mondkapje op en observeer mijzelf goedkeurend in de spiegel. De operatieassistente vraagt of ik een koekje bij mijn koffie wil, neemt mijn pieper op en zegt dan tegen iedereen die belt, dat dokter Van Olst aan het opereren is. Het is fantastisch, totdat de eerste echte patiënt zich aandient. Het is een man van een jaar of vijftig met een enorme bult op zijn rug. Waarschijnlijk een vetbult, lees ik in zijn dossier. Of kanker, of een aangeboren afwijking of zomaar een bult die enorm kan gaan bloeden, denk ik paniekerig. Ik bel Bouwman en vraag hem mij te komen helpen. Hij komt eraan en zegt dat ik wel vast mag beginnen. ‘Ik ben nog even bij de KNO-artsen in consult en er loopt hier een heerlijk wijfie rond, maar begin maar vast.’ Ik frons mijn wenkbrauwen, hij zal toch niet Roos bedoelen? Het zwijn. ‘We zullen het netjes verdoven en weghalen,’ hoor ik mezelf zeggen terwijl mijn stem zowat overslaat. Ik dien verdovingsprikken toe en maak een fraaie incisie over de bult.

Even later bevind ik mij in een bloedbad. ‘Kun je Bouwman even bellen?’ piep ik naar de verpleegkundige.

‘De meester aan het werk!’ roept Bouwman enthousiast. Hij is al binnen en staat lachend achter me. ‘Goede benadering, daar even afdrukken en daar iets meer vrij prepareren.’ Bouwman coacht me met zijn handen op zijn rug door de operatie heen en als ik hem even later wil bedanken, is hij al weer weggelopen.

Een half uur later bedankt de patiënt mij hartelijk, de verpleegkundige vraagt of ik nog een kopje koffie wil en ik ben nog nooit zo in mijn element geweest. Ik kan iets, krijg geen moeilijke vragen, mijn pieper zwijgt en iedereen is blij. Ik voel me een echte dokter.

De volgende patiënt heeft een talgkliercyste van ongeveer drie centimeter op zijn rug. Talg is een vettige substantie die door de huid wordt uitgescheiden. Als het afvoergangetje verstopt raakt, hoopt het spul zich op en krijg je een bult. Die bulten kunnen ontsteken. Vrolijk leg ik de patiënt uit wat we gaan doen en ik verdoof de huid op de rug. Vijf minuten later heb ik de talgkliercyste in zijn geheel verwijderd en sluit de huid. Het verbaast me dat er niemand applaudisseert, want zo’n fraaie operatie maak je niet vaak mee. Kees komt zwetend binnengerend en geeft zijn piepers aan de doktersassistente.

‘Alles onder controle?’ mompel ik van achter mijn mondkapje.

‘Bedankt, Marten,’ antwoordt hij terwijl hij rechtsomkeert maakt. De 8888 gaat zoals gewoonlijk om de twee minuten, maar nu neemt de doktersassistente op en noteert alles keurig. Op de vraag: ‘Gaat er iemand nu dood?’ is het antwoord gelukkig steeds: ‘Nee.’

’s Avonds vertel ik trots aan Roos dat ik de hele middag heb geopereerd. Ik bel zelfs mijn moeder en vertel haar dat ik van mijn baan houd, van Roos en van het leven.

Roos gaat deze week op congres met die aardige Joost en zegt er echt zin in te hebben. Ze merkt aan me dat ik het niet leuk vind dat ze met hem meegaat, maar heeft me op het hart gedrukt me geen zorgen te maken. Als ze terugkomt, begint ze haar coschap chirurgie en loopt ze dus met ons mee. Een vreemde situatie. Ik ben trouwens vergeten te vragen of ze vandaag toevallig een kwijlende chirurgieassistent is tegengekomen op haar laatste dag KNO.