27
GEITEN
April 2007
ALS JE EEN KENIAAN vraagt hoe het gaat, zegt hij altijd: ‘Nzuri.’ Dat betekent ‘goed’ of ‘wel lekker’.
Op weg van huis naar het ziekenhuis treft mij de trieste aanblik van een dode hond naast de weg. De voorgaande dagen lag hij er ook, maar dit keer kan ik hem van een afstandje al ruiken. Ik realiseer mij dat de geur mij aan het ziekenhuis doet denken, en dan met name aan de patiënten die op de polikliniek komen. De polipatiënten komen twee weken na hun eventuele operatie voor controle en vaak hebben ze het verband waarmee ze het ziekenhuis verlieten niet verwisseld. Als de deur opengaat, kan ik ruiken hoe het gaat met de operatiewond. Als het naar rottend vlees ruikt, gaat het niet zo goed. Soms gaat het bijna net zo slecht met hen als met de hond naast de weg. Als ik dan vraag hoe het ermee is, krijg ik die enorme glimlach en antwoorden ze steevast: ‘Nzuri.’ Als iemand hier van twintig hoog een piano op zijn kanis krijgt en je vraagt hem terwijl hij zijn laatste adem uitblaast hoe het gaat, dan antwoordt hij vast nog: ‘Nzuri.’ Wel lekker.
In Nederland worden dooie honden langs de weg op een gegeven moment opgeruimd. Hier is dat niet zo. Maar er zijn hier wel meer zaken heel anders. In Nederland zijn er relatief weinig geiten. Je ziet ze althans niet vaak. Niet op straat, of voor de ingang van een ziekenhuis, niet in de bus, niet op de snelweg, niet in huis en niet levend in een supermarkt. Hier is dat heel anders. Geiten horen erbij. Ze lopen overal en knikken vriendelijk als je langskomt, en ze eten de bananenschillen op straat op zodat je daar niet over uitglijdt. Soms blijven ze midden op straat staan als je aan komt rijden in je busje. Busjes rijden hier met een krankzinnige snelheid over straat. Gezien het verkeer zou het veel verstandiger zijn om wat minder hard te gaan, maar daar denken de meeste bestuurders dus anders over. En omdat een auto een kostbaar bezit is, zou het ook te overwegen zijn om wat zachter te rijden als er een geit op straat staat. Maar nee, niet dus. Je ziet geit en bestuurder denken: Ah joh, dit gaat vast goed! Helaas is dat niet altijd zo. De mensen die een crash overleven, zie ik terug op de trauma-afdeling in het ziekenhuis hier, waar wij hard ons best doen om alle ledematen zo goed en kwaad als het gaat weer aan elkaar te zetten.
Ik zit nu in een busje dat met duizelingwekkende snelheid naar Nairobi rijdt. Ik ga Roos van het vliegveld halen en mijn hele lichaam snakt naar haar. Ze heeft geregeld dat ze hier twee weken op de afdeling gynaecologie mee mag lopen en ze heeft in totaal wel twee e-mails gehad waarin ze van harte welkom werd geheten. Opeens hoor ik een luide knal en vliegt het busje van de weg af. De chauffeur trapt vol op de rem en we komen godzijdank zonder problemen tot stilstand. Hij klimt uit het busje en kijkt hoofdschuddend naar de achterband, die ontploft lijkt te zijn. Mijn hart bonkt in mijn keel, maar de chauffeur haalt op zijn gemak een nieuwe band onder het busje vandaan en vervangt deze in twee minuten. ‘De meeste dooien vallen in Afrika niet door slangen en krokodillen, maar in het verkeer,’ heeft mijn pa eens gezegd. Ik geloof hem. Even later rijden we weer met een noodgang richting Nairobi. De chauffeur zingt luid mee met de krakerige radio.
Roos omhelst me zo krachtig dat ik bijna geen lucht krijg. Ze heeft een nacht op het vliegveld van Oeganda moeten doorbrengen omdat het vliegtuig om de een of andere reden niet in Nairobi mocht landen, en nu voelt ze zich pas weer veilig. Ik vind dat ze er fantastisch uitziet, met grote wallen onder haar ogen, een strak topje en een jurk waar haar lange benen sierlijk onderuit komen. De Kenianen kijken hun ogen uit, dat had ik al verwacht. Ze is, denk ik, de mooiste vrouw die ze ooit hebben gezien. Ik heb broodjes en water meegenomen voor onderweg, want ik wil niet weer op één geroosterde maïskolf die hele helse tocht maken. De chauffeur van deze bus, die nieuw is, zegt dat we er ongeveer zes uur over gaan doen. Ik fluister Roos in haar oor: ‘Of niet.’