8
BOCHTJE
Juni 2001
MIJN VINGER DOET PIJN. Niet een beetje pijn, maar een kloppende doffe pijn die mij nu voor de tweede nacht uit mijn slaap dreigt te houden. Het begon met een wondje bij de nagel van mijn wijsvinger. Hoe dat wondje is ontstaan weet ik niet meer, maar het afgelopen weekend ben ik met een aantal jaargenoten gaan zuipen in Utrecht en daar is van alles gebeurd waar ik ook niet meer het fijne van weet. De hele vingertop is rood en pijnlijk. Ik weet dat ik een ontsteking heb en dat als er pus onder mijn nagel zit, dat eruit moet. Ik heb een naald roodgloeiend verhit om hem te steriliseren en heb geprobeerd een sneetje in de rode huid te maken. Dat deed ongelooflijk veel pijn en er kwam geen pus, het bloedde alleen als een rund. Misschien heb ik wel antibiotica nodig? Misschien wordt dit wel een fulminant ontstekingsbeeld dat mij nog voor de ochtend om is de das omdoet. Met mijn ogen wijd open en mijn vinger in een bakje ijswater zit ik te balen op de rand van het bed in mijn studentenkamer. Dit wordt misschien wel mijn dood. Nee, kom zeg, ik heb een wondje aan mijn vinger, hoe erg kan het zijn?
Ik besluit Reinier wakker te maken. Die wil immers plastisch chirurg worden en die opereren ook aan handen. Na twee keer kloppen zonder reactie schuifel ik stilletjes zijn kamer binnen en doe het licht aan. Er ligt een slapende naakte vrouw op zijn bed in een wat oncharmante pose. Reinier ligt er naakt naast. Op de grond staan twee halfvolle wijnglazen en drie lege flessen wijn. Daarnaast liggen twee condooms met een knoop erin. Dit lijkt niet het moment om Reinier wakker te maken.
Op mijn tenen loop ik de kamer weer uit en ijsbeer wat door het huis. Ondertussen klopt mijn vinger bijna het glaasje ijswater uit. Ik trek een biertje open en besluit tot de ochtend te wachten en dan mijn oude vertrouwde hulplijn in te schakelen. Pa gaat het openmaken, en niet met een knullige roodgloeiende naald. Hij weet vast ook exact waar hij het open moet maken en wat mijn kansen zijn om dit te overleven. Als ik twee keer achter elkaar Forest Gump kijk ben ik de nacht al door en dan neem ik de eerste trein naar pa toe.
Reinier komt even later slaperig de woonkamer binnen. ‘Forest Gump blijft boeien, hè?’ mompelt hij. Hij blijft even in de deuropening staan en kijkt mij hoofdschuddend aan. ‘Regel eens een vrouw ofzo?’ zegt hij terwijl hij weer terug naar bed scharrelt. ‘En doe het geluid iets zachter als je wilt, Daphne of Marleen, of hoe ze ook mag heten zit Bubba na te doen en dat irriteert me mateloos. Ik wil tukken.’
Op de achtergrond hoor ik een gespeeld lage vrouwenstem: ‘Shrimp salad, shrimp cocktail…’
Pa schudt een paar uur later verbaasd zijn hoofd. ‘Hoe kun je hier nu twee dagen mee doorlopen?’ zegt hij terwijl hij een verdovingsspuit recht in de basis van mijn pijnlijke vinger steekt. Dat doet helse pijn. Hij trekt de naald eruit en steekt hem er aan de andere kant van mijn vinger nog een keer in. Weer een felle pijnscheut en dan ebt al het gevoel weg uit mijn vinger en kijk ik geboeid toe hoe hij mijn nagel saneert en er een dikke druppel pus onder vandaan komt. Omdat de vinger volledig verdoofd is, lijkt het net alsof ik naar de vinger van iemand anders kijk.
‘En Marten, hoe heet dit?’
‘Ontsteking?’ antwoord ik schouderophalend.
Pa kijkt me verbaasd aan en zegt: ‘Nee, panorychium ofwel nagelriemontsteking, sukkel! Dat had je in elk chirurgisch boek kunnen vinden, en ook wat je eraan moet doen. Het kan dusdanig ernstig worden dat je er beter niet zelf aan kan gaan prutsen voordat je netjes hebt geleerd hoe je dat doet.’
Ik knik braaf.
‘Zo, en nu de komende dagen spoelen met water en zeep en dan komt het wel goed. Als je koorts krijgt kom je onmiddellijk langs en ook als het erger wordt in plaats van minder erg.’
Meer dan ooit ben ik ervan overtuigd dat ik ook dokter wil worden en dan wil ik dit ook later kunnen bij mijn eigen zoons.
Een uur later zit ik in de trein terug naar mijn studentenhuis. Mijn vinger is nog steeds verdoofd en doet dus gelukkig geen pijn meer. Thuis word ik geconfronteerd met een ander pijnlijk feit. Namelijk dat als je niet studeert, je geen student bent. Dat is mijn situatie nadat ik met rechten ben gestopt, maar het voelt niet zo. Behalve dat ik geen tentamens doe en geen colleges volg, is er eigenlijk weinig veranderd in mijn leven. Er zijn altijd wel vrienden die ook even niets te doen hebben en redenen om in de kroeg te belanden zijn er te over. Ik heb zelfs het gevoel dat ik het druk heb af en toe, maar waarmee in godsnaam? Omdat ik niet voor een studie sta ingeschreven, krijg ik ook geen studiefinanciering of ov-jaarkaart en kan ik ook geen geld lenen van de Informatie Beheer Groep (IBG). Pa zegt dat ik mijn eigen boontjes moet doppen – en terecht. De voedsel- en bierprijzen zijn niet evenredig gedaald met mijn inkomen, dus heb ik een baantje nodig en de eerste baan die ik kan krijgen is bij een fabriek op een industrieterrein net buiten Leiden.
Mijn nieuwe collega kijkt mij minachtend aan, fluit hard op zijn vingers en schreeuwt naar een andere collega: ‘Hé Jan, bochtje is er!’ Vervolgens moet hij schaterlachen om zijn eigen grap. Ik heb geen idee wat hij met ‘bochtje’ bedoelt. Jan kijkt mij wel vriendelijk aan en leidt mij door een enorme fabriekshal waar allerlei machines staan die eentonig zoemen, dreunen en andere herrie maken. De machines staan via een lopende band in verbinding met elkaar en helemaal aan het einde van de keten komen zakken van ongeveer dertig kilogram met onduidelijke inhoud over de band rollen. De laatste twee machines staan haaks ten opzichte van elkaar opgesteld, waardoor ook de lopende band een bocht maakt. Hier zit echter de kink in de kabel: het hoekstuk of de bocht van de lopende band is kapot. Mijn taak is om de zakken van de ene op de andere baan te gooien; ik ben het bochtje.
Anderhalf uur later gutst het zweet van mijn voorhoofd. Om de paar seconden komt er een ellendig zware zak op mij af. Ik heb kramp in mijn armen en moet al een uur naar de wc. Er zit echter nergens een knopje waarmee ik de band tot stilstand kan brengen. Ondertussen maakt de machine een oorverdovende herrie die dwars door mijn oordopjes heen lijkt te snerpen. Tien euro per uur krijg ik hiervoor en ik begin nu al intens te hopen dat ze het echte ‘bochtje’ weer aan de praat krijgen. Na exact twee uur komt de machine krakend tot stilstand en daarmee ook de lopende band. Er daalt een weldadige rust neer over de fabriekshal en ik merk hoe mijn hele lijf jubelt dat deze hel tijdelijk voorbij is.
‘Hé bochtje! Schaften! Ha Ha Ha!’
Tijdens de pauze praten mijn collega’s over voetbal en over de schoonmaakster die de kantine onder handen neemt. Ik droom ondertussen weg. Over een maand krijg ik de uitslag van de geneeskundeloterij. Als ik weer word uitgeloot, ga ik denk ik geneeskunde in België of Duitsland studeren. Op deze manier kom ik niet verder en leid ik een doelloos bestaan. Ik wil dokter worden, dicht bij mensen en leven en dood staan. Ik wil iets doen wat mij raakt, het liefst zo intens mogelijk, en als ik iets echt wil, dan moet ik er vol voor gaan, het maakt niet uit waar.
Opeens klinkt er een luide bel. Iedereen schuift zijn stoel als in één beweging naar achteren en gooit zijn plastic koffiebekertje in de afvalton. Ik blijf nog heel even in gedachten verzonken zitten en haast mij even later naar de ‘bocht’, als ik de machines snerpend weer op gang hoor komen. Mijn besluit staat vast.
Als ik thuiskom zit mijn broer Tobias op de bank in de gemeenschappelijke woonkamer van mijn studentenhuis met Reinier een biertje te drinken. Tobias en Reinier kennen elkaar ook al zolang ze zich kunnen herinneren en Reinier nodigt hem nog vaker uit dan ik.
‘Hé, de enige echte ware arbeider, onze PvdA-stemmer! Hoe voelt dat, het echte mannenwerk?’ Tobias lacht hard en ik geef hem een tik tegen zijn achterhoofd. Als ik vertel dat ik ‘bochtje’ ben, moeten ze onbedaarlijk lachen. ‘Toch nuttig, al die jaren middelbare school,’ zegt Tobias. Die etterbak heeft altijd een opmerking klaar en ik kan zo snel geen weerwoord bedenken. Tobias is ook lid geworden van onze studentenvereniging en voelt zich daar als een vis in het water. Eindelijk wat mensen om verbaal mee te stoeien, die ook wat tegengas geven. Hij is eigenlijk niet echt meer mijn broertje, want wat betreft intelligentie torent hij boven mij uit. En hij is ook nog een kop groter, terwijl ik met mijn 1,93 meter al geen kleine jongen ben. Tobias is meteen economie gaan studeren, zonder omwegen. Hij is een commerciële jongen.