33
TERUG IN NEDERLAND
Mei 2007
ROOS LIGT OP HAAR buik in het gras. Ze heeft een rokje en een open witte blouse aan, en neuriet zacht mee met de muziek waar ze met oordopjes naar luistert. Af en toe wiebelt ze vrolijk mee met haar kont. Ik zeg dat ze er heerlijk uitziet en Roos begint te blozen. Ze weet zich heel even geen houding te geven en dat is eigenlijk niks voor haar. Ze heeft een studieboek voor zich en is bezig met haar coschap psychiatrie. Ze twijfelt nu tussen psychiater worden of toch gynaecoloog, waar ze allebei onderzoek in doet. Ze trekt haar oordopjes uit en geeft me een zoen plat op mijn mond. ‘Mijn dokter!’ zegt ze met een trotse blik.
‘Mijn schoonmaker, zal je bedoelen,’ antwoord ik lachend. Vorige week heb ik mijn diploma in ontvangst genomen en sindsdien schrijf ik sollicitatiebrieven voor een AGNIO-plek bij chirurgie, maar niemand heeft nog gereageerd en omdat ik weer eens geld nodig heb, heb ik een baantje als schoonmaker genomen. Het verdient niet veel, maar het houdt me van de straat en het is eindeloos veel beter dan ‘bochtje’ zijn. Ondertussen plak ik de foto’s van Kenia in.
Pa zegt dat ik me geen zorgen moet maken en dat ik vast en zeker snel een baan bij de chirurgie vind. ‘Maar als je echt traumachirurg wil worden en dus een opleidingsplek wilt hebben, dan zou ik maar wel vast wat onderzoek gaan doen, Marten.’
Ik heb pa geantwoord dat ik daar geen zak aan vind en dat ik ga proberen zonder onderzoek in opleiding te komen.
Hij zegt dat ik het zelf moet weten. ‘Laat het ze niet horen dat je daar geen zak aan vindt. En ik raad je sowieso aan een beter verhaal te verzinnen als je ooit bij die opleidingscommissie komt te zitten. Bovendien ben je een verwende aap: er zijn wel meer mensen die iets moeten doen waar ze geen zin in hebben!’
Pa zal zoals altijd wel gelijk hebben. Maar er zijn zoveel mensen die onderzoek doen leuker vinden dan ik en er beter in zijn, waarom zou ik mijn kostbare tijd er dan aan moeten besteden?
‘Lekker ontspannen, die psychiatrie! Ik zie het helemaal voor me dat we over tien jaar ook zo in het gras liggen! Jij werkt dan vier dagen en ik drie en er kruipen een paar kinderen om ons heen. Heerlijk!’ Roos straalt. Bij haar coschap psychiatrie is weinig te doen en zodoende mag ze elke middag om een uur of vier naar huis. Het is hartje zomer en als het weer het een beetje toelaat, gaan we in het park liggen en nemen lekkere hapjes en een fles wijn mee. Soms blijven we tot het donker en vergeten we in onze gelukzaligheid te eten.
Roos vindt sinds haar psychiatrie coschap voor het eerst een balsport leuk: pingpong. Ze vertelt dat ze op een dag gemiddeld drie patiënten ziet en verder een beetje pingpongt.
‘Worden ze niet knettergek van het gestuiter van dat balletje?’ vraag ik haar met een serieus gezicht. Roos denkt even na en moet dan hard lachen: ‘Grapjas! Ja, daar worden ze knettergek van.’
Ik pak mijn boek en gebruik de billen van Roos als hoofdkussen.
‘Marten?’ Roos zegt het op een manier alsof ze ergens lang over heeft nagedacht.
‘Ja?’ antwoord ik rustig.
‘Stel nou dat je wordt aangenomen en over een paar weken een baan hebt bij de chirurgie…’
Het blijft lang stil.
‘Dan?’
‘Dan heb je waarschijnlijk een heel drukke baan en bijna nooit meer tijd…’ – het blijft weer een tijdje stil – ‘…voor mij.’ Roos krijgt een pruilend onderlipje, hij trilt een beetje. Ik ken het trillende lipje heel erg goed en ik weet exact wat erop volgt. Ik pak haar snel vast en kus de eerste tranen weg. Met mijn armen helemaal om haar heen draai ik haar op haar rug, zodat ik boven op haar kom te liggen. Ik kus alle tranen weg en daarna kus ik haar wangen en haar lippen. Ze houdt me stevig vast, alsof ze me nooit meer los gaat laten.
‘Lieve, lieve schat,’ fluister ik in haar oor, ‘voor jou maak ik toch altijd tijd! Die hele chirurgie kan me gestolen worden, jij staat bij mij altijd op de eerste plaats. Dat weet je toch.’ Ik meen het oprecht. Roos is het mooiste dat mij is overkomen in mijn leven. De rest is bijzaak.
Roos fluistert: ‘Ja, dat weet ik ook wel.’ Ze veegt haar tranen weg en zegt: ‘Ik wou het alleen even horen!’ Vervolgens zoent ze me overal, wriemelt met haar handen onder mijn shirt, knijpt in mijn billen en maakt haar bh los.
Reinier belt en ik merk aan zijn stem dat hij gedronken heeft. Op de achtergrond hoor ik Tobias lallen. Of ik gezellig mee kom drinken, want ze hebben wat te vieren. Stiekem heb ik wel zin in een goede borrel, maar ik lig hier zo fijn met Roos. Ik antwoord dat we een andere keer wat gaan drinken en stuit op een luid protest. Roos glimlacht hoofdschuddend.
‘Vuile saaie burgerlul die je bent! Daar ga je, Marten, we sturen je wel een bosje geraniums op!’ schreeuwt Tobias op de achtergrond.
Een blik op Roos is genoeg om helemaal zeker te zijn. ‘Veel plezier, heren,’ antwoord ik terwijl ik mijn telefoon dichtklap.
Ik wil Roos ten huwelijk vragen en van mij hoeft dat niet onder een palmboom in Thailand of op de Mount Everest of in een vijfsterrenrestaurant. Mijn plan is om van mijn zuurverdiende geld als schoonmaker een weekendje Schiermonnikoog te boeken en daar in de duinen, op een van onze Afrikaanse kleedjes met hapjes en een goede fles wijn, op mijn knieën te gaan. Tobias heb ik al ingelicht en hij voelde volgens mij al dat er een addertje onder het gras zat. Maar hij heeft uit zichzelf voorgesteld om het geld voor de ringen voor te schieten.
‘Wat zit je te peinzen, dokter?’ Roos kijkt me stralend aan.
Ik kijk in haar blauwe, zachte ogen en weet het zeker: dit is mijn vrouw.