HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG

Williams telefoon ging over in de zak van zijn jas, die achter de deur hing. Zijn cipier stopte met wat hij aan het doen was, legde zijn mes neer en keek William strak aan. ‘Je neemt hem op,’ verkondigde hij kortaf.

Wat? Hoe kon William nu met iemand praten? Zijn rug was opengesneden als een varkensrollade, zijn vingers waren gezwollen en gebroken en zijn armen waren bedekt met brandwonden. Hij wilde zich oprollen en sterven. Hij had genoeg gehad. Hij was er vrij zeker van dat zijn beul hem alleen in leven hield omdat hij het leuk vond om hem te martelen.

‘Het is je vrouw,’ zei de Italiaanse man. ‘Gedraag je normaal, of anders…’ Hij zwaaide met het mes voor Williams gezicht.

‘William,’ zei Francesca. ‘Jade is dood.’

William wilde het uitschreeuwen: Ik weet het. Ze hebben haar vermoord. Ik heb het gezien. Zeg tegen de politie dat het moord was. Natuurlijk deed hij dat niet. Hij probeerde zijn stem zo emotieloos mogelijk te houden, in een poging zijn pijn te verbergen. ‘Het spijt me erg om dat te horen,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Zelfmoord?’ Hij keek naar zijn kwelgeest, die naar hem grijnsde.

‘Nee, je hebt gelijk, het is heel verdrietig. Heel, heel verdrietig.’

‘Ja, doe dat. Hou me op de hoogte.’

‘Nee, ik denk niet dat het nodig is om mijn reis af te breken. Ik weet zeker dat je in staat bent de begrafenis te regelen.’

‘Londen? Londen is prachtig,’ zei William. Hij keek uit het raam naar het Comomeer in al zijn sprankelende, Italiaanse glorie. ‘Nat, maar dat is geen nieuws, nietwaar?’

‘Ja, inderdaad, Francesca. Ik ben vrijdag absoluut terug. Doe de groeten aan de jongens. Geef ze een kus van hun vader en zeg tegen ze dat ik van ze hou.’

Williams stem brak toen hij zijn zoons voor zich zag en besefte dat hij hen nooit meer zou zien. ‘Ik moet ophangen, Francesca,’ zei hij, niet in staat de façade langer op te houden. ‘Zorg goed voor jezelf. Dag.’

De Italiaan pakte de telefoon van William aan en stopte hem weer netjes in het colbertje dat achter de deur hing.

‘Juist,’ grijnsde hij terwijl hij het mes pakte. ‘Waar was ik gebleven?’

 

William had vreemd geklonken. Francesca vroeg zich af of de spanning de meest stoïcijnse, emotieloze man ter wereld eindelijk te veel werd. Of misschien voelde hij dat er iets was veranderd tussen hen. Dat zij op de een of andere manier anders was. Het was het eerste gesprek dat ze hadden gevoerd nadat ze met Robbie had gevrijd en ze wist zeker dat hij op de een of andere manier in staat moest zijn om haar schuldgevoel aan te voelen. Doe de jongens de groeten? Zorg goed voor jezelf? William zei dat soort dingen nooit. Ze vermoedde dat hij een goede band met Jade had gehad. Het moet een schok zijn geweest te horen dat ze dood was. Ze had hen af en toe samen zien theedrinken en gezellig kletsen in zijn kantoor. William luchtte zijn hart niet meer tegen Francesca, en ze betwijfelde of Fatty en Jade diepe, veelbetekenende gesprekken hadden. Francesca had het fijn gevonden dat die twee met elkaar konden praten. Het was een vreemde combinatie, de bankier en het domme blondje, maar wat maakte het uit? Het leven was vreemd en werd met de minuut vreemder.

Jade was dus wees. Waarom had ze net gedaan of ze familie in Kent had? Misschien had ze een prettig, gezellig denkbeeldig leven voor zichzelf willen verzinnen. Misschien had ze haar huwelijk met Fatty gezien als een nieuwe start en had ze besloten haar verleden opnieuw uit te vinden. Arm kind. Ze had niemand. Nu was Francesca, in feite een vreemde, degene die haar begrafenis moest regelen. Francesca wist niet eens welk geloof Jade had gehad, maar ze nam aan dat het gepast en fatsoenlijk zou zijn om haar te laten bijzetten in het familiegraf in het Cimetière de Monaco, naast Darcie.

Het voelde allemaal afschuwelijk vertrouwd, maar toen Darcie was gestorven, was haar vader er tenminste geweest om te helpen. Hij was hen eraan blijven herinneren dat Darcie labiel was geweest, dat ze haar hele leven al antidepressiva slikte. Hij zei dat ze haar tabletten niet meer nam omdat ze zwanger was, in een poging haar baby te beschermen, maar dat ze een terugslag had gekregen. Zonder haar medicijnen was ze niet in staat haar zenuwen de baas te blijven. Het was zo’n tragedie, had hij gezegd, en daarna had hij zo hard om het verlies van zijn vrouw en zijn ongeboren kind gehuild dat zijn brede schouders ervan schudden. Sommige wrede mensen hadden het gerucht in de wereld gebracht dat haar vader Darcie een paar dagen voordat ze stierf had verlaten, maar dat was pure onzin. Hij had haar alleen naar zijn vakantiehuis aan het Comomeer gestuurd om haar wat rust te gunnen. Fatty hield van Darcie. Van al zijn vrouwen was Darcie degene aan wie haar vader zijn hart had geschonken. Net als Angelica zonder enige twijfel zijn favoriete kind was, was Darcie zijn favoriete vrouw geweest. De enige echte liefde van zijn leven.

En nu was Jade ook dood. Francesca’s lichaam voelde loodzwaar. Ze was doodmoe van alle verantwoordelijkheid. Ze had ontspanning nodig, een onderbreking van al dit verdriet en verlies. Misschien was ze niet beter dan Angel. Angel had haar drank en haar drugs, en Francesca had haar Robbie. Ze wist dat het waarschijnlijk verkeerd was, maar ze had hem nodig. Ze pakte haar mobiel.

HET IS HIER VERSCHRIKKELIJK. IK NEEM AAN DAT JE HET NIEUWS OVER JADE HEBT GEHOORD. IK VOEL ME SCHULDIG OMDAT IK NIET HEB GEMERKT HOE DEPRI ZE WAS. ALLES LIJKT VAN KWAAD TOT ERGER TE WORDEN. BEHALVE JIJ, NATUURLIJK. IK WIL JE DOLGRAAG ZIEN. HOTEL NEGRESCO, NICE, ACHT UUR? F X

Behalve jij, natuurlijk. Ze wist in elk geval hoe ze het hart van een man moest laten smelten. Hij kon het niet helpen dat hij glimlachte. Ja, dat zou hem zeker door de dag helpen. Hij ging met hernieuwd enthousiasme aan het werk. Goed, waar was hij? Giancarlo LaFata en zijn alarmerende neiging om de mensen die hem na stonden te verliezen.

Simon was ervan overtuigd geweest dat zijn grote misdaadverhaal over Giancarlo LaFata zijn connectie met duistere Russische ‘zakenmannen’ was en nadat Robbie grondig had gegraven, had hij ontdekt dat dit inderdaad klopte. Andrea Dubrovski was een misdadiger en net zo eerlijk als Bernie Madoff betrouwbaar was. Hij had banden met de Russische maffia en er gingen geruchten over wapensmokkel en illegale sekshandel. Fatty was bevriend met hem geweest. Ze hadden samen gegolfd en illegale pokerwedstrijden met hoge inzetten gespeeld. Bovendien wist hij zeker dat er geld van eigenaar was gewisseld. Het was een goed verhaal, maar Robbie wist zeker dat het niet hét verhaal was. Bovendien deed de politie al onderzoek naar LaFata. De kantoren van LaFata International krioelden van de medewerkers van de afdeling Fraudebestrijding. Er werd gezegd dat ze onderzoek deden naar geld witwassen, verduistering en diefstal met betrekking tot LaFata’s particuliere zakentransacties. En nu de politie erbij betrokken was, waren de kansen op het verkrijgen van een verhaal waarover de andere journalisten niets wisten klein.

Robbie had echter een neus voor journalistiek en hij rook iets groters. Hij wist zeker dat ergens in de wirwar van leugens waaruit het leven van Giancarlo LaFata had bestaan, de waarheid loerde als een slang in het gras, en die zou gemener en schokkender zijn dan alles wat Robbie eerder had onthuld. Het water mocht troebel zijn, maar Robbie was vastbesloten om te achterhalen wat er onder de oppervlakte plaatsvond.

Hij noteerde de namen van alle mensen die met LaFata in verband gebracht konden worden en die vroegtijdig waren gestorven, en leunde daarna achterover om de lijst te bekijken:

Darcie LaFata, vrouw – zelfmoord

Jade LaFata, vrouw – zelfmoord

Giuseppe Romano, restauranteigenaar – brand

Plotseling begonnen de radertjes van Robbies hersenen sneller te draaien en hij voegde er een naam aan toe:

Pete Wallace, journalist – auto-ongeluk?

Het was een gok en hij liet zich waarschijnlijk meeslepen, maar was het geen toeval dat Pete was gestorven terwijl hij onderzoek deed naar Giancarlo LaFata?

Robbie nam zijn achtergrondnotities over LaFata nog eens door en vond nog een verdachte dode die verleidelijk aan de stamboom van de LaFata’s zwaaide.

Alessandro LaFata, vader – doodsoorzaak onbekend

Het kostte Robbie twee uur om het telefoonnummer van de familie LaFata op Sicilië te achterhalen, maar toen hij belde, werd er gelukkig opgenomen.

‘Pronto?’ zei een vrolijke vrouwenstem.

Shit, Robbie sprak geen woord Italiaans. ‘Eh, ja, hallo,’ begon hij. ‘Spreekt u Engels?’

‘Niet zo goed,’ zei de vrouw behoedzaam. ‘Waarom belt u?’

‘Ik ben journalist en ik doe onderzoek naar de verdwijning van Giancarlo LaFata en…’ begon Robbie.

Klik. Ze had opgehangen. Verdomme! Hij haatte het als mensen dat deden, maar het hoorde bij zijn werk. Telefoons werden opgehangen, deuren werden in zijn gezicht dichtgesmeten. Robbie had gedurende de jaren een dikke huid gekregen en hij gaf niet gemakkelijk op. Hij koos het nummer opnieuw. De telefoon ging een hele tijd over.

‘Pronto?’ zei dezelfde vrouw aarzelend.

‘Hang alstublieft niet op,’ smeekte Robbie. ‘Luister naar wat ik te zeggen heb.’

De vrouw zweeg, maar hing niet op.

‘Ik wil iets weten over Giancarlo’s vader,’ begon hij. ‘Alessandro.’

‘De vader van mijn echtgenoot,’ zei de vrouw, die eindelijk haar stem terughad.

‘O, dus u bent getrouwd met Giancarlo’s broer…?’

‘Si,’ bevestigde de vrouw. ‘Ik ben Salvatores vrouw, Elisabetta.’

‘En kende u Giancarlo goed?’ vroeg Robbie voorzichtig.

‘Nee, non hom ai incontrato,’ zei ze. ‘Eh, het spijt me, nee, ik heb hem nooit ontmoet. Hij is vele jaren geleden van Sicilië vertrokken. Hij is nooit teruggekomen.’

‘Is uw man thuis?’ vroeg Robbie hoopvol.

‘Nee, hij is op zijn werk,’ zei Elisabetta LaFata. ‘Ik moet ophangen. Ik zou niet met u moeten praten.’

‘Wacht! zei Robbie wanhopig. ‘Ik wil u mijn nummer geven.’

‘Nee, ik moet gaan…’

‘Mijn naam is Robbie McLean,’ zei hij haastig. ‘En ik ben te bereiken in het Fairmont Monte Carlo…’

Ze had opnieuw opgehangen. Dit had niets opgeleverd. Maar goed, op naar het volgende aanknopingspunt. Robbie koos een lokaal nummer van Florence Michel, Darcies beste vriendin. Misschien had hij bij haar meer geluk.

 

‘Mam, wat doe jij hier?’ vroeg Carlo. Hij krabde op zijn hoofd terwijl Sandrine met haar gevolg Le Grand Bleu in marcheerde.

‘Ik ben hier om mijn schilderij op te halen,’ zei ze luchtig, waarna ze haar zoon wegduwde en linea recta naar de zitkamer liep alsof het nog steeds haar huis was.

Carlo haalde diep adem. Zijn moeder had onaangekondigd voor de deur gestaan, in een felroze lycra mini-jurk die op zijn minst twintig jaar te jong voor haar was, gouden hakken van twaalf centimeter en haar belachelijke minuscule hond onder haar arm. Carlo was niet in de stemming voor zijn moeder. Hij was naar Le Grand Bleu gekomen om Francesca te helpen met de nasleep van Jades zelfmoord. Het was afschuwelijk dat zijn vaders vrouw zo wanhopig was geweest dat ze van de rotsen in Eze was gesprongen. Carlo was er kapot van en hij voelde zich verschrikkelijk schuldig. Hij realiseerde zich nu dat hij Jade helemaal niet goed had gekend, maar ze was lief en mooi geweest en ze had zijn vader gelukkig gemaakt. En Carlo had de afgelopen dagen niets gedaan om te controleren of het goed met haar ging.

Carlo voelde zich depressief. Heel depressief. Jade was dood, over zijn vader was nog steeds geen nieuws, Frankie gedroeg zich vreemd en Angel was naar Cannes gegaan om god weet wat met god weet wie te doen. Ze had gezegd dat ze de hele week in Cannes zou blijven, en ze was vannacht inderdaad niet naar Monaco teruggekomen. Er waren tijdens het filmfestival blijkbaar te veel feesten waarbij ze niet gemist kon worden en ze had geen tijd om zich druk te maken over noodsituaties in de familie. Hij had haar vanochtend kort via de telefoon gesproken om haar over Jade te vertellen, maar ze leek akelig onverschillig over het nieuws. Wat was er met zijn zusje gebeurd? Ze leek tegenwoordig alleen nog om zichzelf te geven. Het was alsof haar emoties uitgeschakeld waren. Ze was altijd verwend geweest, maar vroeger had ze meegeleefd met anderen. Ze was zo’n zacht, sentimenteel, gevoelig meisje geweest. Hij herinnerde zich dat ze intens verdrietig was geweest bij elke gezinshond die was gestorven, dat ze dode vogels en muizen mee naar huis nam om ze een ‘fatsoenlijke’ begrafenis te geven en dat ze elke keer dat Carlo naar kostschool werd teruggestuurd, huilde. Waar was dat meisje gebleven? Carlo miste haar. Angel ging eraan onderdoor, maar Frankie had gezegd dat ze alleen zichzelf kon helpen. Dat gaf hem een heel nutteloos gevoel.

En nu was zijn moeder er. Precies wat hij niet nodig had! Erger nog, ze was niet alleen. Sandrine was gearriveerd met haar toyboy Frank – een tweeëntwintigjarige kleerkast die alleen spieren en geen hersenen had – en haar agent Blaine Edwards, een corpulente en arrogante Australische idioot die Carlo dolgraag een mep wilde verkopen. En tot overmaat van ramp had ze een filmploeg meegenomen!

‘Mam,’ zei hij terwijl hij haar de zitkamer in volgde en tussen haar slaafse volgelingen door drong. ‘Wie zijn al deze mensen verdomme? Waarom heb je een cameraman meegenomen?’

‘Vloek niet tegen me, Giancarlo,’ antwoordde zijn moeder terwijl ze een pruilmond naar de camera trok. ‘Zo heb ik je niet opgevoed. Je hoort je moeder niet zo oneerbiedig te behandelen.’

‘Mam!’ siste Carlo terwijl hij zijn woede probeerde in te slikken. Hij kon haar wel wurgen, maar wist dat hij werd gefilmd. ‘Wat is er verdomme aan de hand?’

‘Ik heb een realityshow,’ ze glimlachte klef naar de camera, ‘om het publiek te laten zien hoe geweldig en opwindend en bevredigend mijn leven is. Zo is het toch, Blaine?’

‘Inderdaad, liefje,’ zei Blaine Edwards. Hij likte over zijn dikke lippen en wreef in zijn handen. ‘We lanceren de carrière van je moeder opnieuw, Carlo.’

‘Wat? Alweer?’ vroeg Carlo sarcastisch. ‘De hoeveelste poging tot een comeback is dit?’

‘Ta gueule, Carlo,’ fluisterde zijn moeder in zijn oor. ‘Hou je kop!’ Daarna glimlachte ze onnozel naar de camera. ‘O, doe niet zo knorrig, Carlo, mon petit lapin.’

‘Ik ben je konijntje niet, mam,’ snauwde hij. ‘Waarom heb je deze mensen meegenomen? Uitgerekend nu? Jade is dood. Papa wordt vermist. Dit is niet gepast, maman!’

‘Kom, kom, gedraag je tegen je oude moeder, Carlo,’ grinnikte Blaine, die er duidelijk van genoot dat de camera niets van de actie miste. ‘Wees een lieve jongen en wijs ons waar het schilderij is.’

‘Rot op,’ mompelde Carlo. ‘Mam, welk schilderij? Waar heb je het over?’

‘Het huwelijkscadeau van je vader.’ Ze glimlachte lief. ‘Mijn Toulouse-Lautrec. Het hangt bij zijn collectie. Hij zei dat het veiliger was om het hier te bewaren dan het aan mijn muur te hangen, maar nu hij weg is kom ik het schilderij halen, oui?’

Er rinkelden heel luide alarmbellen in Carlo’s oren. Hij had nooit gehoord van een schilderij dat een huwelijkscadeau was geweest en het was niet aan hem om zijn moeder toestemming te geven om zijn vaders kunstcollectie mee te nemen. Hij moest Frankie halen. Zij zou weten wat ze moesten doen.

Hij rende met twee treden tegelijk de trap op en vond Frankie in haar slaapkamer aan de telefoon. Ze haalde haar schouders op toen hij binnenstormde en zei: ‘Dat is vreemd. Ik krijg William niet te pakken. De politie wil de gegevens van alle Dubai-bankrekeningen hebben. Ze zijn niet op kantoor. Hij moet ze bij zich hebben, maar hij neemt zijn mobiel niet op. Hij zit vast in een vergadering. Ik zal het straks nog een keer moeten proberen. Wat is er? Je kijkt zo gespannen.’

‘Het is mijn moeder,’ zei Carlo ademloos. ‘Ze is beneden met een stel hielenlikkers…’

‘Hielenlikkers?’ Frankie trok één wenkbrauw op.

‘Frank, de kleerkast zonder hersenen, haar agent Blaine en een rat vermomd als hond. O, en een filmploeg.’

‘Verdomme, Carlo.’ Francesca liet zich met een wanhopige uitdrukking op haar gezicht op haar bed vallen. ‘Je moeder met een van haar publiciteitsstunts is het laatste dat we op dit moment nodig hebben.’

‘Ik weet het, ik weet het,’ zei Carlo verontschuldigend. Hij had altijd het gevoel dat hij excuses voor zijn moeder moest maken. ‘Ik kon haar niet tegenhouden. Je weet hoe ze is.’

‘Wat wil ze?’ vroeg Francesca.

‘Een schilderij. Blijkbaar een Toulouse-Lautrec. Ze zei dat papa dat aan haar heeft gegeven als huwelijkscadeau en ze wil het mee naar huis nemen.’

‘O god.’ Frankies schouders zakten. ‘Daar maakten ze voortdurend ruzie over. Jij weet het waarschijnlijk niet meer omdat je te jong was, maar toen ze gingen scheiden wilde ze het meenemen. Papa zei dat het te waardevol was om aan een muur te hangen en dat het in de kluis moest blijven zodat het veilig was als familie-erfstuk. Ze schreeuwde altijd tegen hem en dreigde met rechtszaken en zo. Ik geloof dat hij haar wat geld heeft gegeven als een soort onderpand. En hij heeft beloofd dat hij het voor haar zou bewaren. Daarna was ze stil.’

‘Juist,’ zei Carlo. ‘Dat spreekt vanzelf. Mijn moeder doet bijna alles voor geld. Daarom is ze nu beneden met die verdomde filmploeg. Maar ze heeft deze keer dus gelijk. Het schilderij is van haar.’

‘Ja, in theorie wel,’ knikte Francesca. ‘Maar het is miljoenen waard, Carlo. Zelfs jij moet inzien waarom papa het niet bij Sandrine aan de muur wilde hangen. Je weet hoeveel feesten ze geeft. Er zouden rode wijnvlekken op komen, of het zou worden gestolen door de een of andere mannelijke escort die ze voor een avond had gehuurd.’

Carlo kromp ineen. Hij had voortdurend kritiek op zijn moeder, maar hij vond het nog steeds moeilijk te verteren als Frankie dat had. ‘Goed, misschien is dat zo, maar als hij het haar heeft gegeven als huwelijkscadeau, dan heeft ze er recht op,’ zei hij.

Frankie zweeg even en knikte toen. ‘Yep, je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Laten we haar het schilderij geven en zorgen dat we van haar af komen. In het grote geheel is het niet zo belangrijk, toch? Ik pak de sleutel van de kluis.’

Francesca haalde een spiegel van de muur, waarachter een kluis zat. Ze toetste de code in, opende de deur, haalde er een bos sleutels uit en liep haar kamer uit. Carlo volgde haar naar beneden.

‘Francesca, ma belle!’ riep Sandrine toen ze haar stiefdochter zag. ‘Laat me je bekijken, ma chérie.’

De oudere vrouw hield Francesca op een armlengte afstand, bekeek haar van top tot teen, trok haar tegen haar enorme borsten en gaf haar drie kussen op haar wangen. ‘Het spijt me zo, Francesca,’ verkondigde ze terwijl ze een krokodillentraan van haar wang veegde. ‘Je arme, arme vader. En dat kindbruidje van hem. Jade? Ik heb het op het nieuws gezien. C’est une tragédie!’

Carlo kromp ineen door de melodramatische voorstelling van zijn moeder. Ze was nooit een goede actrice geweest. Het was natuurlijk allemaal voor de camera. Normaal gesproken negeerde ze Francesca volkomen.

‘Leuk om je te zien, Sandrine,’ zei Frankie, maar Carlo merkte dat ze haar tanden op elkaar klemde terwijl ze sprak. ‘Laten we dit snel afhandelen. We hebben veel aan ons hoofd en daar kunnen we een overval van de pers niet bij gebruiken.’ Francesca keek recht naar de camera. ‘Het lijkt me het best dat iedereen hier blijft terwijl ik het schilderij haal.’

‘Non,’ zei Sandrine plotseling kil. ‘Ik ga met je mee, en mijn vrienden ook. Het is belangrijk voor mijn artistieke integriteit dat ik hun toesta alles te filmen.’

‘Mam!’ riep Carlo. ‘Alsjeblieft. Je krijgt je schilderij. Laat Frankie het gewoon afhandelen.’

‘Non,’ herhaalde ze uitdagend. ‘Wij gaan mee.’

Ze wrong zich langs Carlo en Francesca en riep: ‘Deze kant op, jongens. Vite!Vile!’ Ze wankelde op haar hoge hakken over de geboende marmeren vloer naar de trap die naar de kelder leidde, terwijl haar toyboy, haar agent, haar filmploeg en haar piepkleine rathond zich achter haar aan haastten.

‘Jezus,’ mompelde Carlo. ‘Het spijt me, Frankie.’

‘Het is jouw schuld niet,’ zei Francesca. ‘Wees in je volgende leven alleen wat kieskeuriger als je de baarmoeder kiest waaruit je geboren wordt.’ Ze glimlachte naar hem en kneep liefkozend in zijn arm. ‘Kom, laten we gaan, voordat ze de wijnkelder plunderen.’

Onder aan de trap lukte het Frankie om zich door de groep naar voren te wringen. ‘Ik heb de sleutel,’ legde ze geduldig uit aan Sandrine, die afkeurend mompelde omdat ze zoals altijd vooraan wilde staan.

Carlo bleef achter en volgde de anderen door de gangen met wijnrekken. Het was donker en koud in de kelder. Hij huiverde. Hij had het hier altijd griezelig gevonden. Het deed hem terugdenken aan de verstopspelletjes in zijn jeugd als hij naar beneden was geslopen om zich te verstoppen tussen de stoffige flessen vintage Château d’Yquem en Petrus. Hij was van nature altijd prestatiegericht geweest, maar als hij zich in de kelder had verstopt, wilde hij zo snel mogelijk gevonden worden door Francesca of Angel. Eén keer was hij zo geschrokken van een van de katten die plotseling van een plank sprong, dat hij een fles wijn omstootte die op de grond uiteenspatte.

‘Dat is een I978 vintage Romanée Conti!’ had Fatty gebulderd. ‘Die is meer dan tienduizend pond waard, stommeling!’

Brr, Carlo huiverde bij de herinnering aan het pak slaag dat hij die avond had gehad. Hij haatte het hier. Nu opende Francesca de zware metalen deur van de kluis.

‘Ik wil dat de camera uitgaat,’ zei ze. ‘Om veiligheidsredenen.’

‘Non,’ zei Sandrine kortaf. ‘We zullen het zorgvuldig monteren. Je mag de film zien als je dat wilt, maar ik heb deze beelden nodig. Ik wil dat mijn fans mijn gelukkige gezicht zien als ik mijn geliefde schilderij terugkrijg.’

Carlo zag dat zijn zus met haar ogen rolde terwijl ze de deur openduwde en naar de lichtschakelaar zocht. De felle tl-verlichting knipperde drie of vier keer voordat hij aanging en de enorme kluis verlichtte.

‘Wat is dit…?’ bracht Francesca hijgend uit.

Carlo gluurde over haar schouder de ruimte in. De laatste keer dat Carlo hier was geweest had het vol gestaan met schilderijen, beelden, gouden kunstvoorwerpen en kostbare meubelen. Het had eruitgezien als Alladins grot. Nu was de kluis helemaal leeg, afgezien van een groot canvas dat tegen de muur stond.

‘Jezus!’ zei hij. ‘Wat is hier gebeurd?’

‘Mon dieu!’ riep Sandrine. ‘Waar is mijn schilderij?’

‘Waar zijn álle schilderijen?’ vroeg Carlo. ‘En de beelden?’

‘Ik snap het niet,’ zei Francesca timide. ‘Waar is alles gebleven?’

‘Wat een verrassing,’ zei Blaine Edwards, die de opwinding nauwelijks uit zijn stem wist te houden. ‘Ik dacht dat je had gezegd dat er hier voor een miljard euro aan kunst stond, Sandrine, schat? Maar er is helemaal niets. Dit is fantastische televisie!’

‘Zet de camera uit,’ riep Francesca.

‘Waar is mijn schilderij!’ krijste Sandrine met haar handen voor haar gezicht.

‘Zet die verdomde camera uit,’ riep Francesca boos.

‘Geen denken aan!’ schreeuwde Blaine vrolijk. ‘Dit is fantastische televisie.’

‘Wat heeft die klootzak van een Giancarlo LaFata met mijn Toulouse-Lautrec gedaan?’ vroeg Sandrine terwijl ze zich naar de cameraman keerde zodat hij de afschuwelijke situatie kon opnemen.

‘Zet de camera uit! Nu!’ riep Francesca.

Carlo staarde vol ongeloof naar zijn moeder, die zowat flauwviel van de schok, Blaine Edwards wreef opgewonden in zijn dikke handen, het hondje kefte, de cameraman bleef filmen en Francesca riep: ‘Stop met filmen!’

Plotseling had hij er genoeg van. Iemand moest de leiding nemen en die iemand was hij blijkbaar. De cameraman was klein en tenger en het kostte Carlo weinig moeite om de handcamera van hem af te pakken.

‘Wat doe je, Carlo?!’ riep zijn moeder. ‘Laat die camera los!’

‘Oké,’ zei Carlo kalm. Hij smeet de camera op de stenen vloer en zag tevreden hoe hij door de kelder vloog en achter de wijnrekken te pletter sloeg.

‘De voorstelling is voorbij,’ zei hij kil, waarna hij door de gangen met wijn liep en de trap naar het daglicht op liep.