HOOFDSTUK TWEE

James Sanderson had zijn hele volwassen leven op het water doorgebracht. Bijna dertig jaar lang waren jachten in alle vormen en maten zijn thuis geweest en had hij er zijn brood mee verdiend. Hij had stormen bij Kaap de Goede Hoop, ijsbergen bij Nova Scotia en een aanval van een haai bij New South Wales overleefd. En hij was nog nooit een jacht kwijtgeraakt. Tot nu toe…

Hij was trots op zijn veiligheidsreputatie van honderd procent. Hij was nu van middelbare leeftijd en de jaren met veel adrenaline waren voorbij, dus had hij in Monaco een comfortabel leven opgebouwd, in dienst van Fatty LaFata. Hij mocht zijn baas graag. Toegegeven, hij kraamde vaak onzin uit en had een ego dat groter was dan zijn bankrekening, maar hij maakte James aan het lachen. Fatty was bovendien gul; hij betaalde een derde meer dan het gebruikelijke salaris dat de kapitein van een superjacht verdiende, en hij liet James min of meer zijn gang gaan met het besturen van de Vigorosa III. Eigenlijk beschouwde James de Vigorosa als zijn eigendom. Hij was degene die het jacht door en door kende. Oké, hij maakte geen gebruik van de bioscoopzaal, het intrekbare landingsplatform voor de helikopter of het miniatuur infinity-zwembad (hoewel Fatty tegen hem had gezegd dat het hem vrijstond), maar hij was degene die extreem weinig ruimte nodig had om deze schoonheid te keren, die tijdens het filmfestival van Cannes aan de paparazzi ontsnapte, en die haar tijdens het aanstaande grandprixweekend op een uiterst krappe plek zou aanmeren. James hield meer van het jacht dan hij ooit van een vrouw had gehouden, en nu dreef het stuurloos in de haven. Het was in het beste geval vernederend. In het ergste geval zou het hem zijn baan en zijn geliefde Vigorosa kosten.

‘Meneer Sanderson?’ vroeg de politieagent. ‘Bent u de kapitein?’

‘Jazeker,’ zei James terwijl hij hem een stevige hand gaf.

James had contact opgenomen met de kustpolitie. Francesca LaFata had gezegd dat ze hem in de haven zou zien, maar daar ging hij niet op wachten. Dit was een noodgeval. James zag dat er niemand aan het roer stond. Jezus, iedere idioot kon zien dat de motor niet liep. Hij kende de getijden beter dan wie ook en als hij niet binnen twintig minuten aan boord kwam, zou de Vigorosa het jacht van Roman Abramovich rammen, en dat was een vernedering die James nooit te boven zou komen.

‘We nemen onze boot,’ zei de politieagent kordaat.

‘Natuurlijk,’ zei James. Hij volgde de politieagent de trap af naar de rode politieboot en knikte beleefd naar de kapitein.

‘Mijn collega zal ervoor zorgen dat de andere schepen geen gevaar lopen door de Vigorosa III terwijl wij aan boord gaan,’ legde de politieagent uit. ‘En dan kunt u hem naar zijn aanlegplaats terugvaren.’

Ze voeren tussen de aangemeerde jachten en superjachten door en staken de haven over naar de Vigorosa III. Terwijl ze naast het enorme jacht stilhielden, voelde James een golf van misselijkheid opkomen. Dertig jaar op zee en hij was nog nooit zo dicht bij zeeziekte geweest. Iets binnen in hem vertelde hem dat dit een dag was die zijn leven zou veranderen. En niet ten goede. James was van nature niet zenuwachtig. Hij was gek op uitdagingen en was zelden bang, ook niet als hij wist dat zijn leven gevaar liep, maar toen hij achter de politieagent naar het eerste dek van de Vigorosa III klom, voelde hij zijn hart in zijn keel kloppen.

Allô!’ riep de politieagent terwijl hij op het onderste dek klom. ‘Monsieur LaFata!’

‘Hij is niet op dit dek,’ zei James. ‘Hier zijn de verblijven van de bemanning. Meneer LaFata is hier nog nooit geweest. Loop maar mee.’

James leidde de politieagent naar de glazen lift die hen naar de hoger gelegen dekken zou brengen. Het was griezelig stil op de Vigorosa. James was gewend aan de geluiden van de bemanning die op het dek kletste, de muziek die uit het Bang en Olufsen-sound system stroomde, de LaFata’s die met hun vrienden lachten, de klinkende wijnglazen, de cateraars die met bladen rondliepen en de kleinzoons van Fatty die blootsvoets op de houten dekken rondrenden. Nu hoorde hij alleen het geluid van de golven onder hem en het geschreeuw van de zeemeeuwen boven zijn hoofd.

Ze gingen eerst naar Fatty’s suite. James hield zijn adem in toen hij de zware eiken deur openduwde, half in de verwachting dat hij Fatty uitgestrekt op zijn enorme bed zou vinden, overleden aan een hartaanval. James was vrij nuchter, maar hij maakte zich al een tijdje zorgen over de gezondheid van zijn baas. Fatty was achter in de zestig, was zwaarlijvig en had vreselijke eetgewoonten, zelfs naar Italiaanse maatstaven. En de hoeveelheid alcohol die hij nuttigde… Jezus, dat was ongelofelijk. Wijn, champagne, cognac, whisky, bier, alles wat hij te pakken kreeg, zolang er maar alcohol in zat. James had hem nog nooit een druppel water zien drinken. De laatste tijd was Fatty’s ademhaling korter geworden en was zijn vastberaden loopje eerder een langzaam waggelen geworden. James had zich er zorgen over gemaakt dat Fatty niet lang meer zou leven. Hij maakte zich geen zorgen over zijn baan; de nieuwe eigenaar van de Vigorosa III zou hem bijna zeker in dienst houden. Nee, hij maakte zich zorgen om Fatty, omdat hij hem zou missen als hij er niet meer was.

James was enorm opgelucht dat de mastersuite leeg was. Hij controleerde de kleedkamer, de aangrenzende badkamer en de privélounge. Alles was zoals het de vorige avond was achtergelaten. Het bed was opgemaakt, de kussens waren opgeschud, er stonden bloemen in vazen, The Economic (van Fatty) en het laatste nummer van Hello! (van Jade) lagen netjes op de glazen salontafel. Ze controleerden de andere vier slaapkamers, maar die waren ook leeg en niet aangeraakt. Daarna namen ze de lift naar het bovendek.

James was van mening dat de Vigorosa III net een boetiekhotel op het water was. Niet dat hij ooit in een boetiekhotel had gelogeerd, maar hij had vaak genoeg in Jades tijdschriften gebladerd om te weten hoe die eruitzagen. Het jacht was gebouwd in Cannes en het interieur was ontworpen door een populaire interieurarchitecte uit Parijs. James en de politieagent liepen de zitkamer in op zoek naar tekenen van leven.

‘En u zegt dat monsieur LaFata gisteravond aan boord was?’ vroeg de politieagent terwijl hij zijn blik over de dure witleren Italiaanse banken, de geitenleren leunstoelen, de enorme plasmatelevisie en de ultramoderne open haard met afstandsbediening liet glijden. Hij leek niet onder de indruk van de luxueuze omgeving. James nam aan dat hij tijdens zijn werk geregeld dit soort jachten zag.

‘Inderdaad,’ antwoordde James. ‘Hij kwam gisteravond rond halftwaalf aan boord en zei tegen ons dat we aan land moesten gaan. Hij gaf me een stapeltje geld en zei dat ik ervoor moest zorgen dat de bemanning een prettige avond had.’

‘Was dat normaal?’ vroeg de politieagent.

‘Absoluut niet!’ antwoordde James. ‘In de tien jaar dat ik voor hem werk heeft hij dat nog nooit gedaan.’

Er waren geen aanwijzingen dat Fatty in de salon was geweest. Hij stond er niet om bekend dat hij zijn rommel achter zich opruimde. Zijn enorme achterwerk zou een deuk in de bank hebben achtergelaten en er zou een sigarenpeuk in de asbak liggen. James raakte de zilveren asbak op de walnotenhouten salontafel bijna teder aan. Hij haatte de stank van Fatty’s sigaren, maar nu wilde hij dat de kamer naar verschaalde tabak rook. Elk teken van leven zou een opluchting zijn.

‘Raakt u alstublieft niets aan, monsieur Sanderson,’ zei de politieagent kortaf. ‘Misschien heeft hier een misdrijf plaatsgevonden.’

‘Eh, ja, natuurlijk,’ zei James terwijl hij zijn hand terugtrok. Een misdrijf? Shit! Zo had hij de situatie niet bekeken.

‘En hoe was meneer LaFata?’ vroeg de politieagent terwijl hij door de openslaande deuren naar het zitgedeelte in de openlucht liep.

James liep achter hem aan. ‘Hij was in een goede bui,’ zei hij. ‘Vrolijk, zou ik zeggen.’

‘Onder invloed?’ vroeg de politieagent kortaf. Het was niet zo’n onbeleefde vraag, want Fatty was een van de bekendste figuren in Monaco en iedereen wist dat hij van een borrel hield.

‘Tja, hij was niet echt dronken,’ antwoordde James voorzichtig. ‘Maar hij had er absoluut een paar…’

De twee mannen keken naar de teakhouten banken en dekstoelen. Ze zagen er allemaal niet uit alsof ze aangeraakt waren, laat staan dat er iemand met een gewicht van I60 kilo op had gezeten.

‘En was hij alleen?’ ging de politieagent verder terwijl hij het infinity-zwembad en de hot tub controleerde.

‘Ja,’ zei James. Hij keek in het zwembad en was opgelucht toen hij het kalme, heldere water zag. Er lag geen lichaam op de bodem.

‘Waar leiden deze naartoe?’ vroeg de politieagent terwijl hij naar twee dubbele deuren gebaarde.

‘De formele eetkamer,’ antwoordde James. ‘Eerlijk gezegd is het meer een balzaal. De LaFata’s geven daar hun diners en dansavonden. De zaal wordt maar zelden gebruikt, dus hij zit waarschijnlijk op slot…’

De eetkamer was echter niet op slot en de politieagent liep al naar binnen. Hij vond de lichtschakelaar en even later werd de prachtige zaal verlicht door een enorme, glazen kroonluchter.

‘Mon dieu!’ riep de politieagent.

Het was veruit de meest exclusieve ruimte op het jacht. In tegenstelling tot de rest van de inrichting, die modern en chic was en prima in een vrijgezellenappartement in Manhattan zou passen, was de eetkamer pure overdaad en fantasie. Het was Jades project geweest. De ronde zaal bezat een koepelvormig plafond, dat was beschilderd met fresco’s van engelen, zeemeerminnen en nimfen met de gezichten van Fatty’s kinderen en kleinkinderen. En natuurlijk hing er een levensgroot naaktschilderij van Jade, waarvan James altijd moest blozen. De muren waren bekleed met rood fluweel en de houten vloer was zo glad dat de serveersters tijdens dinertjes voortdurend uitgleden en bladen en glazen lieten vallen. In het midden van de zaal stond een tien meter lange mahoniehouten tafel, omringd door twintig eetkamerstoelen. Als Fatty gasten ontving was de tafel gedekt met luxe tafellakens en servetten, zilveren bestek, bloemstukken en ijssculpturen. Nu was hij echter leeg, afgezien van een fles cognac en twee kristallen glazen aan één uiteinde.

De voetstappen van de politieagent echoden in James’ oren terwijl hij vastberaden door de zaal liep. Hij stopte bij de fles, bekeek hem nauwkeurig en haalde diep adem. ‘Hennessy, Beauté du Siècle,’ verkondigde hij. ‘Honderdduizend euro per fles.’

Hij schudde zijn hoofd en mompelde afkeurend, alsof hij het smakeloos vond. James was gedurende de jaren gewend geraakt aan het buitensporige uitgavenpatroon van de superrijken, maar zelfs voor de verkwistende Fatty was het een enorm bedrag om voor een fles cognac te betalen. Hij moet iets gevierd hebben. Maar wat? En met wie?

‘En twee glazen…’ zei de politieagent nadenkend. ‘Het lijkt er dus op dat hij toch niet alleen was.’

De zware stoel met houtsnijwerk, die aan het hoofd van de tafel hoorde te staan, lag op de rugleuning op de vloer, een meter verder dan zijn normale plek. Het leek James alsof hij haastig achteruit was geduwd. Fatty’s favoriete marineblauwe colbert lag naast de stoel op de grond, alsof het over de rugleuning had gehangen voordat de stoel was omgevallen.

‘We moeten weg,’ verkondigde de politieagent plotseling.

James knikte en keek op zijn horloge. Hij moest de Vigorosa onmiddellijk verplaatsen, anders moest hij verantwoording afleggen aan meneer Abramovich.

‘Zal ik de motor starten en hem naar de aanlegplaats terugbrengen?’ vroeg hij de politieagent.

‘Ja, als u dat wilt doen, meneer Sanderson. Maar raakt u alstublieft niets aan.’

James liet de politieagent, die gejaagd in het Frans in zijn portofoon praatte, in de eetkamer achter. Het gevoel van zeeziekte was er nog steeds. Hij voelde de golven onder hem rijzen en dalen. James was een gewoontedier. Hij hield van routine, daarom beviel het leven op zee hem zo goed. Niets kon de getijden veranderen. Ze waren onherroepelijk. Hij wist precies wat hij aan de zee had. James werd elke ochtend om halfzeven wakker en ging elke avond om twaalf uur slapen. Hij dronk ’s ochtends drie koppen koffie, ’s avonds twee glazen rode wijn en tussendoor anderhalve liter Evian. Hij had veel gewoonten. Hij belde elke zondag naar zijn moeder in Vancouver, hij drukte zich elke avond voordat hij ging slapen honderd keer op, hij ging op zijn vrije dag altijd naar hetzelfde restaurant in een achterafstraatje in Nice om steak te eten, hij kocht twee keer per jaar hetzelfde paar bruinleren Sebago-dekschoenen, hij las niets anders dan thrillers. James had nooit behoefte gehad aan een huis, of een stad, of zelfs een land dat hij het zijne kon noemen, het enige waar hij behoefte aan had waren zijn gewoonten. Die hielden hem nuchter en met beide benen op de grond. Gisteravond, toen Fatty aan boord was gekomen en de bemanning aan land had gestuurd, was er iets veranderd, zijn wereld was aangetast, zijn gewoonten waren verbroken. Wat zou dat voor gevolgen hebben? Chaos? Terwijl hij het jacht naar de aanlegplaats terugbracht wist hij zeker dat hij recht in het oog van een storm stuurde.