HOOFDSTUK VIJFTIEN

‘Nee, Audrey, het spijt me, ik weet niet waar de biefstukken van de kok zijn,’ zei Francesca geduldig tegen het dienstmeisje.

Alsof ze hier op dit moment behoefte aan had. Wat maakte het uit dat er een paar biefstukken uit de koelkast verdwenen waren? Nu haar vader werd vermist, leek het nauwelijks belangrijk.

‘Ik denk trouwens niet dat we vandaag veel honger hebben,’ voegde ze eraan toe. ‘Zeg maar tegen de kok dat we een salade als lunch eten. Vertel hem dat Carlo er niet is en dat Angelica zich niet goed voelt, dus dat zij niet mee-eet. Dank je, Audrey. Dat is alles.’

Fatty was nu bijna zesendertig uur vermist en Francesca was erg van streek. Ze wist dat ze nogal een controlfreak was. Oké, ze was een uitgesproken controlfreak. Ze moest vooruit plannen. Ze moest deadlines en gegevens hebben. Ze moest weten dat alles op het juiste moment was waar het hoorde te zijn. Ze was absoluut niet in staat om in een chaos te leven of te werken, dus hoe moest ze in vredesnaam met deze onzekerheid leven? Eindeloos afwachten zonder antwoorden te krijgen, zonder te weten wanneer en of het ooit zou eindigen. Stel dat ze Fatty’s lichaam nooit vonden? Stel dat dit het was: een vreemde verdoving, ergens tussen verlammend verdriet en blinde hoop. Het was een afgrijselijke gedachte. Francesca wilde uit haar huid kruipen en iemand anders zijn. Ze wilde een doorspoelknop, of een terugspoelknop. Ze wilde alles uitwissen.

De familie hielp niet. Jade was sinds gistermiddag niet uit haar kamer gekomen, Carlo was met Christian weggegaan, William zat achter zijn computer en Angelica had… Tja, Angelica had grote problemen.

Francesca klopte op de deur van haar zusjes slaapkamer en liet zichzelf binnen. Angel lag opgekruld onder haar roze dekbed met haar armen rond haar maag geslagen te kreunen.

‘Voel je je al iets beter, Angel?’ vroeg Francesca. Ze probeerde meelevend te klinken, maar stiekem wilde ze haar zusje een flinke klap geven.

‘Nee,’ jammerde Angelica zielig. ‘Ik denk dat ik doodga. Mijn maag… Mijn hoofd…’

‘En je hebt maar twee glazen champagne gehad?’ vroeg Francesca kritisch.

Absoluut maar twee,’ knikte ze. De ogen in het bleke, vertrokken gezicht leken nog groter en blauwer dan anders. ‘Ik zweer het, Frankie. Ik dacht dat het niet erg was. Ik dacht niet dat ik me zo zou voelen.’

‘Je lichaam tolereert blijkbaar helemaal geen alcohol meer,’ zei Francesca. ‘Zal ik een dokter laten komen?’

‘Nee. Geen dokters,’ zei Angelica. Ze schudde haar hoofd zo hard dat haar lippen trilden.

‘Ik weet trouwens toch niet hoe je het in je hoofd haalde om gisteravond uit te gaan,’ zei Francesca terwijl ze de luiken opendeed en het middaglicht de kamer in liet stromen. ‘Je was geschokt en gespannen. Het laatste dat je dan nodig hebt is laat naar bed gaan en wakker worden met een kater. Je hebt het deze keer zo goed gedaan in de ontwenningskliniek, liefje. Ik snap niet waarom je je herstel op deze manier op het spel zet.’

Angelica kneep haar ogen dicht tegen het daglicht, stak een koude, klamme hand naar Francesca uit en gaf haar een zacht kneepje. ‘Het spijt me, Frankie,’ zei ze zachtjes. ‘Maar ik voel me zo rot over papa. Ik dacht niet goed na.’

‘Ik weet het, Angel,’ zei Francesca terwijl ze zichzelf dwong het laatste sprankje sympathie dat ze bezat in haar stem door te laten klinken. ‘Het is een heel moeilijke situatie om mee om te gaan. Probeer gewoon wat te slapen.’

Angelica knikte gehoorzaam en kroop met haar hoofd onder het dekbed, weg van het licht.

Leugenachtig klein kreng, dacht Francesca terwijl ze de trap af liep. Ze geloofde het verhaal over de twee glaasjes champagne geen seconde. Carlo en Angelica waren vannacht om vijf uur thuisgekomen. Francesca was wakker geworden doordat de honden blaften en de achterdeur dichtsloeg. Ze waren als een stel tieners door de achterdeur naar binnen geslopen. Het was gewoon zielig.

Vanochtend had Carlo Angelica zoals altijd verdedigd. ‘Nee, Frankie,’ loog hij recht in haar gezicht. ‘We waren om twee uur thuis, echt waar. En ze heeft maar een paar glazen bubbels gehad, ik zweer het. Ik probeerde haar tegen te houden, maar je weet hoe overtuigend ze kan zijn.’

Goed, laat ze het allemaal maar bekijken, dacht Frankie. Ze behandelden haar alsof ze niet goed bij haar hoofd was en ze had er genoeg van dat ze het als vanzelfsprekend beschouwden dat zij hun troep achter hen opruimde. Misschien werd het tijd dat ze eens wat egoïstischer werd. Misschien werd het tijd dat Francesca haar eigen wensen op de eerste plaats ging stellen. Maar wat wilde ze precies? Francesca wist het niet eens.

 

Angelica stapte uit bed en vond haar Chanel-tas in de stapel kleren op de slaapkamervloer. Ze rommelde erin tot ze vond wat ze zocht – een klein, blauw sieradendoosje van Tiffany. Er zat een verzegeld plastic zakje met drie wikkels en vijf pillen in. Angelica zuchtte van opluchting. Ze had voldoende voor een paar dagen.

De engel op haar rechterschouder was bezorgd. ‘Doe het niet, Angelica,’ smeekte hij. ‘Gisteravond was een uitzondering. Spoel de drugs door het toilet. Je bent sterk. Je kunt zonder die troep uit deze chaos komen. Herinner je je hoe goed je je voelde toen je was afgekickt? Wees sterk, Angelica. Denk eraan wat je therapeut heeft gezegd. “Ik ben fantastisch. Ik ben fantastisch. Ik ben fantastisch.’”

‘Toe maar,’ zei de duivel op haar linkerschouder. ‘Neem een lijntje. Eentje maar. Een klein opkikkertje. Dat kan toch geen kwaad? Kijk eens wat je allemaal moet doormaken, Angelica. Ze kunnen toch niet van je verwachten dat je dat zonder een beetje hulp doet? Trek je niets aan van wat de therapeut heeft gezegd. Wat weet zij ervan hoe het is om Angelica LaFata te zijn? “Ik ben zwak. Ik ben zwak. Ik ben zwak.’”

Angelica zat op de vloer met het zakje in haar hand. Haar hoofd bonkte, haar maag deed pijn en haar hart… Tja, ze had het gevoel alsof haar hart in duizend stukken was gebroken. Waar was haar vader? Waar was hij gebleven? Hoe moest ze zonder hem verder? Wie zou er nu voor haar zorgen? Een klein lijntje en alle pijn zou verdwijnen. Een klein lijntje maar. Wat kon dat voor kwaad?

 

De slaapkamerdeur stond op een kier en Jade keek naar de zielige kleine junk. Dat kind had geen ruggengraat. Bij het eerste teken van moeilijkheden drukte ze de zelfvernietigingsknop in. Dat deed ze verdomme elke keer. Dat was het probleem met verwende rijke kinderen. Ze hadden nooit geleerd op hun eigen benen te staan, dus hadden ze een kruk nodig. Angelica had haar drugs en haar alcohol, Carlo had zijn auto’s, zijn jacht en zijn vrouwen, en zelfs de heilige Francesca had haar ondeugden. Om te beginnen was ze een controlfreak. En een workaholic. Ze bracht nauwelijks tijd door met die heerlijke kleine jongens van haar. De arme kinderen dachten waarschijnlijk dat het kindermeisje hun moeder was. Francesca leek te denken dat de wereld zou vergaan als ze niet alles in huis en op kantoor regelde. Niemand was echter onvervangbaar. Niemand was zó belangrijk. Op een dag zou ook Francesca dat ontdekken.

Jade had erom moeten lachen dat Francesca Angelica en Carlo ervan had beschuldigd dat ze om vijf uur thuis waren gekomen. Ze had hen niet gehoord! Het was Jade geweest, die via de achterdeur naar binnen was geslopen nadat ze de nacht met haar minnaar had doorgebracht. Jezus, dit huis barstte uit zijn voegen van de geheimen en leugens. Fatty had zijn kinderen altijd voorgehouden hoe belangrijk loyaliteit, vertrouwen en eerlijkheid binnen de familie waren. Maar kijk ze nu eens! Ze kropen rond, verborgen hun smerige kleine geheimen voor elkaar, als eekhoorns die hun noten verstopten. Maar goed, Jade nam aan dat ze het van de meester hadden geleerd. Niemand leidde een leven dat een grotere leugen was dan dat van Fatty. Daar wist Jade alles van. Maar het zou niet lang meer duren. Jade hoefde niet lang meer in deze vergiftigde omgeving van dit naargeestige oude huis te blijven. Nog maar een paar dagen, dan was ze weg. Hij was bijna klaar voor haar. Dat had hij beloofd. Binnenkort zouden ze er samen vandoor gaan en ver weg opnieuw beginnen. Jade kon niet wachten.

 

Carlo lag uitgestrekt op zijn rug op een ligstoel, met zijn handen achter zijn hoofd, en keek naar de kust die af en toe in de verte opdoemde. Christian zat naast hem. De vrienden luierden in een comfortabele stilte, allebei verdiept in hun eigen gedachten, terwijl de Puiling Power langs de kust naar Antibes voer. De verlegenheid die Carlo over de situatie met Sasha had gevoeld was verdwenen. Ze had gezegd dat het eenmalig was. Het zou niet meer gebeuren, dus had het geen zin om het Christian te vertellen. Carlo was blij dat het de enige echte vriendschap die hij had niet zou ruïneren, maar hij was ook zwaar teleurgesteld dat hij nooit meer op zijn rug zou liggen terwijl de goddelijke Sasha schrijlings boven op hem zat.

Hij probeerde het beeld uit zijn geheugen te verdringen, maar het bleef hangen. De waarheid was dat het beeld sinds gisterochtend telkens terugkwam. De manier waarop haar dijbenen zijn middel hadden omklemd, de manier waarop ze haar tong in zijn mond had gestoken. Jezus, hij voelde dat hij hard werd… Hoe slecht was dat? Zijn vader werd vermist, waarschijnlijk was hij dood, en het enige waaraan Carlo kon denken was klaarkomen in de vriendin van zijn beste vriend.

‘Denk je aan je vader?’ vroeg Christian bezorgd terwijl hij zijn hoofd schuin hield.

Carlo rolde op zijn buik en voelde zijn wangen branden van schaamte. ‘Eh, ja, natuurlijk,’ loog hij. ‘Ik kan nergens anders aan denken.’

Dat klopte tot op zekere hoogte. Carlo kon nergens anders aan denken, met uitzondering van Sasha. Natuurlijk was hij geschokt door zijn vaders verdwijning, maar wat moest hij denken? Doen? Zeggen? Er was geen lichaam waarom ze konden rouwen, er waren geen getuigen die konden vertellen wat er was gebeurd, er was geen concreet bewijs. Carlo had besloten dat het beter was om aan iets anders te denken. Daarom maakte hij samen met Christian – en de vijf bemanningsleden natuurlijk, Carlo had er geen flauw idee van hoe hij een jacht moest besturen – een tochtje naar Antibes. Noem het therapie. Hij had ooit een jacht in de haven met die naam gezien – Therapie – en plotseling snapte hij het. Er was niets wat de hersenen meer troostte dan op een heldere voorjaarsdag over de Middellandse Zee varen met een paar biertjes en je beste vriend.

‘Eh, je hoeft geen antwoord te geven als dit een verkeerde vraag is,’ zei Christian voorzichtig. ‘Maar als je vader, eh, tja, je weet wel…’

‘Dood is,’ vulde Carlo toonloos aan. Het had toch geen enkele zin om een slag om de arm te houden. Zijn vader was bijna zeker dood. Hij kon niet eens zwemmen!

Het was Christians beurt om zich ongemakkelijk te voelen. ‘Eh, ja, als Fatty dood is, wat gebeurt er dan met LaFata International en alle bezittingen en het onroerend goed en zo?’

Carlo haalde zijn schouders op. Hij had er nog niet echt over nagedacht. Ik betwijfel of er veel zal veranderen,’ zei hij nadenkend. ‘Francesca en William leiden het bedrijf al. Mijn vader heeft de appartementen gekocht en aan ons cadeau gegeven, dus die zijn van ons. Hetzelfde geldt voor de jachten en de auto’s. Ik weet niet zeker wat er met mijn toelage gebeurt, maar ik neem aan dat ik die gewoon blijf krijgen tot ik mijn erfenis krijg.’

‘En als ze zijn lichaam nooit vinden?’ vroeg Christian.

‘Jezus, ik weet het niet. Dat zal ik Frankie moeten vragen. Hoelang duurt het voordat ze iemand die van een jacht vermist wordt officieel doodverklaren?’

Christian haalde zijn brede schouders op. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Ik heb nooit iemand gekend die overboord is gevallen.’

Carlo huiverde. De gedachte dat zijn vader was verdronken was een nachtmerrie. En toch… als hij helemaal eerlijk was vermoedde hij dat hij niet zo diepbedroefd was als hij zou moeten zijn. Hij voelde zich bijna schuldig om het lege, doffe gevoel dat hij vanbinnen had. Moest hij niet op bed liggen en valium slikken zoals Jade? Of een gespannen, zenuwachtig wrak zijn zoals Frankie? Of boos zijn en huilen zoals Angelica? Hij had gezien dat alle drie de vrouwen vanochtend hadden gehuild. Het was hem echter niet gelukt om een traan te vergieten sinds zijn huilbui op de kade gisterochtend. Misschien was het nog niet tot hem doorgedrongen. Hoe kon het trouwens doordringen als er geen lichaam was?

‘Dus je hoeft geen baan te zoeken of zoiets?’ vroeg Christian.

‘Jezus, nee!’ zei Carlo. Hij draaide zich weer op zijn rug en ging rechtop zitten. Zijn erectie was verdwenen. ‘Wat zou ik in vredesnaam moeten doen?’

‘O, kom op,’ zei Christian. ‘Er moet toch iets zijn wat je graag doet? Ik bedoel, je weet wel, als de situatie anders was en je had moeten werken zoals, je weet wel, gewone mensen.’

Carlo krabde op zijn hoofd en verschoof zijn Ray-Ban. De waarheid was dat hij er nooit over had nagedacht. Hij had er nooit over hoeven na te denken. De familie was altijd stinkend rijk geweest, dus een werkmoraal was niet echt nodig geweest. Hij snapte niet waarom Frankie zo hard werkte. Ze was altijd op kantoor en als ze thuis was, was ze nog steeds met werk bezig. LaFata International kon het zich gemakkelijk permitteren om iemand anders als Fatty’s opvolger in de raad van commissarissen in dienst te nemen. Hij snapte niet dat Frankie haar tijd niet doorbracht met winkelen, lunchen en zichzelf mooi maken, zoals normale vrouwen in Monaco deden. Voor Angel was het anders. Model zijn was tenslotte geen echte baan. Af en toe een paar uur voor een camera pruilen of over een catwalk paraderen was niet bepaald moeilijk. En trouwens, Angel deed het om aandacht te krijgen. Angel deed alles om aandacht te krijgen.

‘Niet echt,’ zei Carlo, waarmee hij eindelijk Christians vraag beantwoordde. ‘Ik zou het niet weten. Toen ik klein was wilde ik brandweerman worden, en daarna zag ik mezelf wel als voetballer, en toen ik mijn rijbewijs had gehaald dacht ik korte tijd dat ik FI-coureur wilde worden, maar verder…’

‘Goed, stel je voor dat er geen geld is, wat zou je dan doen?’ ging Christian verder.

‘Maar er zal altijd geld zijn,’ zei Carlo. Het ‘laten we doen alsof’ -spelletje begon hem te vervelen. ‘Daar hoef ik niet over na te denken.’

‘Maar als je moest…’

Christian begon op zijn zenuwen te werken. ‘Dan zou ik geen baan zoeken,’ zei Carlo. ‘Ik zou gewoon een rugzak inpakken en op reis gaan.’

‘Op reis?’ Christian trok verrast een wenkbrauw op. ‘Maar je bent overal al geweest.’

‘Niet dat soort reizen. Geen privéjet, helikoptervluchten en vijfsterrenhotels. Ik bedoel het primitieve reizen dat mensen van onze leeftijd doen als ze zijn afgestudeerd, voordat ze een baan nemen. Ik zou wat van de wereld willen zien. De andere wereld. Afrika, Azië, Zuid-Amerika…’

‘Ik dacht dat je al naar al die plekken was geweest.’ Christian was een beetje traag van begrip. Hij leek het niet te snappen.

‘Ik ben naar Zuid-Afrika, Kenia, Thailand, Hongkong, Mexico en Brazilië geweest,’ antwoordde Carlo. ‘En het zag er allemaal hetzelfde uit. Mooi groot hotel, prachtig strand, fantastisch zwembad, heerlijk eten, uitstekende service. Ik had net zo goed in Monaco kunnen blijven. Ik heb eigenlijk niets anders gezien dan ik hier elke dag zie. Gewoon een heleboel rijke blanke mensen die zonnen en cocktails drinken.’

‘Ik begrijp wat je bedoelt. Het kan best leuk zijn voor een tijdje,’ beaamde Christian. ‘Uit je rugzak leven, slapen in hutjes en zo, rijst en bonen eten, maar ik zou het niet kunnen. Ik zou het comfort van mijn huis te veel missen.’ Er verscheen een grijns op Christians gezicht. ‘En Dom Perignon, en foie gras, en Prada-ondergoed, en mijn helikopter!’

Carlo glimlachte. ‘Tja, als je het zo stelt,’ zei hij. ‘Misschien laat ik het reizen toch maar over aan het gepeupel.’

Ze strekten zich weer uit op hun ligstoelen. Carlo staarde naar de perfecte blauwe hemel boven hem. Het idee van backpacken stond hem best aan. Hij was er een paar jaar geleden tegen zijn vader over begonnen. Fatty had zo hard gelachen dat hij bijna omrolde. ‘Een zoon van mij die gaat backpacken? Over mijn lijk. Wat zouden de mensen denken? Bovendien, je zou het niet langer dan vijf minuten redden. Je bent een zachte, verwijfde jongen. Ik kan me jou niet voorstellen zonder dienstmeisjes, zonder auto, zonder toilet! Je zou na twee dagen terugkomen en dan zou iedereen je uitlachen. Nee. Als je wilt reizen, Giancarlo, dan neem je de privéjet en logeer je in het Four Seasons.’

Over zijn lijk, had zijn vader gezegd…

‘Verveelt jouw leven je weleens, Chris?’ vroeg Carlo terwijl hij weer ging zitten en een slok bier nam. ‘Vraag je je ooit af of er misschien iets beters zou kunnen zijn?’

Christian schudde zijn hoofd en keek naar Carlo alsof hij stapelgek was geworden. ‘Wat? Beter dan Monaco? Beter dan jachten en nachtclubs en snelle auto’s en prachtige vrouwen? Nee! We boffen, Carlo. We leven in een droom.’

Carlo liet zijn blik over het luxueuze jacht glijden, met zijn designinrichting en ultramoderne technologie. De waarheid was dat het hem niet gelukkig maakte. Ook voordat zijn vader werd vermist, was hij niet gelukkig. Hij voelde al een hele tijd een vage ontevredenheid. Hij bleef snellere auto’s en grotere jachten kopen. Hij dronk steeds exclusievere champagne, kocht belachelijk dure kleding en ging met steeds meer mooie vrouwen naar bed, maar het was nog steeds niet voldoende. Misschien was hij gewoon inhalig. Hij wilde echter niet méér van wat hij al had, hij wilde gewoon iets ánders.

‘Waar zie je jezelf over tien jaar?’ vroeg hij zijn beste vriend terwijl hij zich plotseling realiseerde dat ze nog nooit zo’n diepgaand gesprek hadden gehad.

‘Hier natuurlijk,’ zei Christian. ‘Nu ja, niet op de Puiling Power, maar in Monaco. Met een mooi groot appartement op het strand en misschien een villa in Villefranche of Beaulieu voor de weekenden. Een plek om mijn vrouw en kinderen mee naartoe te nemen…’

‘Vrouw en kinderen?’ hakkelde Carlo.

Christian knikte. ‘Natuurlijk, ik wil geen eeuwige vrijgezel zijn. Dat is zo triest. Tegen de tijd dat ik dertig ben wil ik absoluut trouwen.’

Er schoot een verschrikkelijke gedachte door Carlo’s hoofd – stel dat Christian van plan was met Sasha te trouwen? Dat zou een ramp zijn. Christian zou hem waarschijnlijk vragen zijn getuige te zijn en hoe kon hij dat doen nu hij met de bruid naar bed was geweest?

‘En, is Sasha “de ware”?’ vroeg hij zenuwachtig.

Hij was opgelucht toen Christian zijn hoofd schudde. ‘Nee, absoluut niet. Ze is prachtig, en ze is grappig, en ze is geweldig in bed…’

Carlo voelde zijn spieren verstrakken. Hij haatte het dat Sasha met Christian sliep. Wat natuurlijk krankzinnig was, omdat ze zijn vriendin was, maar toch, het voelde helemaal verkeerd. Hij had min of meer gehoopt dat ze alleen met hem geweldig was in bed. Dat er een speciale chemie tussen hen was waardoor ze zo hitsig was geweest.

‘… maar ze is geen meisje om mee te trouwen,’ ging Christian verder. Hij was zich niet bewust van het groenogige monster op de ligstoel naast hem. ‘Sasha is net een wilde tijger. Die kan niet getemd worden.’