HOOFDSTUK ZEVENTIEN
Francesca kon het niet verdragen dat ze het huis doorzochten. Ze bekeken netjes opgeborgen correspondentie en zorgvuldig gearchiveerde familiefoto’s en gooiden alles in slordige stapels op de vloer. Ze verplaatsten accessoires, botsten tegen schilderijen zodat ze scheef hingen en lieten modderige voetafdrukken achter op de Perzische tapijten. Ze wist dat ze gewoon hun werk deden, en dat ze probeerden haar vader te vinden, maar ze kon er niet tegen om te zien hoe haar huis werd verwoest. Nog maar twee dagen geleden had alles op zijn plek gestaan en nu was het één grote chaos.
Ze klopte op Williams deur. ‘Eh, hoi,’ zei ze bijna zenuwachtig. Hij keek niet op van zijn computer. ‘Wat ben je aan het doen?’
‘Ik werk,’ antwoordde hij toonloos terwijl hij zijn aandacht bij het computerscherm hield.
‘Echt? Waarom?’ vroeg ze. ‘Het is zondag.’
William haalde zijn schouders op. ‘Deze cijfers raken niet vanzelf ingevoerd,’ zei hij enigszins ongeduldig.
‘William, je werkt altijd,’ ging ze verder. ‘Ik dacht dat we misschien wat tijd samen konden doorbrengen, je weet wel, gezien de omstandigheden.’
William keek eindelijk op, maar er was geen medeleven aan hem af te lezen. ‘Ik weet dat je ongerust bent over je vader,’ zei hij nuchter. ‘Maar het bedrijf laten verslonzen brengt hem niet terug. Het nuttigste dat ik kan doen is de raderen van LaFata International in beweging te houden.’
Francesca zuchtte en knikte. Misschien had hij gelijk. Misschien moest zij dat ook doen, druk bezig blijven, zich nuttig maken. ‘Misschien ga ik naar kantoor,’ zei ze. ‘Om wat afleiding te hebben. Ik kan er niet tegen om hier te zijn terwijl de politie papa’s spullen doorzoekt.’
‘Goed idee,’ zei William, waarna hij zich weer op zijn laptop concentreerde. ‘Er liggen wat documenten op mijn bureau die ik hier nodig heb. Die kun je mooi voor me meenemen. Tabee.’
Hij zag niet dat er tranen over haar wangen liepen. Hij leek zo ongeïnteresseerd, zo afwijzend. En tabee? Wie zei er tegenwoordig nog tabee? Soms had Francesca het gevoel dat William een volslagen vreemde was. Waar was zijn medeleven? Waarom probeerde hij niet eens om haar te troosten? Goed, ze hadden een lastige periode, maar haar vader werd vermist! Terwijl Francesca naar het achterhoofd van haar echtgenoot staarde, bedacht ze dat ze zich nauwelijks kon herinneren hoe het voelde om dicht bij William te zijn. Hun gesprekken waren de laatste tijd zo afstandelijk en onhandig. Ze hadden niets gemeenschappelijk, behalve het bedrijf. Ze lachten nooit samen. Plotseling voelde Francesca zich weer pijnlijk alleen.
Het was een beproeving om aan het eind van de oprijlaan de hekken te passeren en langs de verzamelde pers te rijden. De LaFata’s waren voorpaginanieuws. Elk blad in Europa speculeerde erover wat er met haar vader was gebeurd. Een ongeluk? Een moord? Zelfmoord? Het was allemaal zo nutteloos. Niemand wist wat er met Fatty was gebeurd. Francesca had de onzin niet gelezen die ze over hem hadden geschreven, maar ze leefde niet onder een glazen stolp. Telkens als ze langs een televisie of radio kwam werd er over Giancarlo LaFata gepraat. En erger nog, in de roddelbladen hadden foto’s gestaan van Angelica en Carlo die aan het feesten waren. Wat voor indruk gaven ze daarmee? Hemel, ze was razend op hen, maar het had geen nut om tegen hen uit te varen. Ze leden allemaal op hun eigen manier, nam ze aan. Francesca wilde de familie in deze crisistijd bij elkaar houden, maar verder leek niemand dat gevoel te hebben. Terwijl ze de heuvel af reed naar Monte Carlo, voelde Francesca zich heel alleen. Goed, behalve de drie fotografen die haar op hun brommers volgden. Ze drukte het gaspedaal in en slaagde erin hen bij de verkeerslichten kwijt te raken. Ze had geen behoefte aan dat soort gezelschap.
Ze parkeerde de auto in de parkeergarage van het gebouw waar het hoofdkantoor van LaFata International zat. De parkeergarage was griezelig leeg. Niemand werkte op zondag. Gewoonlijk ging de familie naar de kerkdienst in de kathedraal van Monte Carlo – daar had Fatty altijd op gestaan. Francesca had de jongens vanochtend meegenomen, vastbesloten om het leven van die arme zielen nog enigszins normaal te houden, maar verder had niemand van de familie moeite gedaan. Angelica en Carlo hadden nog geslapen na hun avond stappen, Jade had geweigerd uit bed te komen en William had een excuus gemompeld dat hij de Dubai-bankrekeningen moest controleren. Heel veel vrienden en zakenrelaties van Fatty waren aanwezig geweest om hun steun te betuigen en de priester had speciale gebeden uitgesproken voor zijn veilige terugkeer, maar van de LaFata’s was er niemand aanwezig geweest.
Haar hakken echoden op het beton terwijl ze naar de lift liep die haar naar de tiende verdieping zou brengen. Francesca wist niet eens wat ze hier deed. Wat had het voor zin om zich druk te maken om het bedrijf nu haar vader overal kon zijn? Het was gewoon een excuus om het huis uit te zijn. En een kans om een kijkje in haar vaders privékantoor te nemen. Misschien vond ze daar een verklaring voor wat er vrijdagavond was gebeurd. Wie had hij mee aan boord genomen? Er hadden twee cognacglazen gestaan, maar niemand wist wie er bij hem was geweest. Al zijn vrienden waren ondervraagd. Het was niemand van het gewone zooitje ongeregeld van bejaarde miljardairs, gokkers en belastingvluchtelingen geweest. Misschien was het een vrouw. Haar vader was nog maar een paar maanden getrouwd met Jade, maar hij had altijd een korte aandachtsboog gehad als het op leden van de andere sekse aankwam. Had hij een afspraakje gehad? Met de vrouw van iemand anders misschien? Iemand die te bang was of zich te veel schaamde om dat te vertellen? Misschien had hij een naam in zijn agenda geschreven, of op een stuk papier, of…
Ze gebruikte haar magneetkaart om de deur van het kantoor te openen. Het was precies zoals ze het vrijdag had achtergelaten. Ze zette de airco aan, maakte een kop koffie voor zichzelf en controleerde het antwoordapparaat. Daarna ging ze achter haar glazen bureau zitten en staarde naar de zee terwijl ze verdrietig luisterde naar de boodschappen van zakenrelaties, collega’s en vrienden die het nieuws hadden gehoord.
‘Dit is Tim Solomon uit New York,’ zei iemand. ‘Ik heb net gehoord wat er aan de hand is bij jullie. Ik vind het heel erg. Ik weet niet wat ik moet zeggen, behalve dat Fatty hier in de Big Apple een legende is en dat we allemaal aan jullie denken en voor jullie bidden. Laat het ons weten als onze bank iets kan doen om jullie te helpen.’
En dat van een bankier van Wall Street! Francesca veegde een verdwaalde traan van haar wang, zette de computer aan en controleerde haar mail-box. Ze had talloze e-mails gekregen, zelfs van mensen van wie ze al jaren niets had gehoord, die haar lieten weten dat ze aan haar dachten.
Ze pakte de sleutel van haar vaders kantoor uit de la en liep naar zijn kantoordeur. Ze had nog nooit in Fatty’s kantoor rondgesnuffeld als hij er niet was. Ze had het nooit gedurfd. Maar in wanhopige tijden moesten er wanhoopsmaatregelen worden genomen. Ze draaide de sleutel een beetje zenuwachtig om, maar… wat was dat? Hij wilde niet draaien. Ze probeerde het opnieuw. Ze wist zeker dat ze de sleutel met de klok mee moest draaien. Ze probeerde het telkens opnieuw, maar de sleutel bewoog niet. Daarna probeerde ze de deur. Tot haar verrassing ging hij open. Het was niets voor Fatty om zijn kantoor niet op slot te doen. Hij was nooit zo nalatig. Hij liet niemand van het personeel in zijn kantoor als hij er niet was, zelfs Francesca niet. Hij zou de deur beslist niet open laten zodat iedereen naar binnen kon lopen. De schoonmakers waren gisteren geweest, misschien waren zij vergeten hem goed af te sluiten? Ze zou contact opnemen met het schoonmaakbedrijf. Het was de enige logische verklaring.
Toch sloeg Francesca’s hart sneller toen ze het kantoor in liep. Het was altijd een beetje griezelig om alleen in dit enorme gebouw te zijn en vandaag was ze extra gespannen. Fatty’s kantoor zag er precies hetzelfde uit als altijd – het overweldigende uitzicht op de Middellandse Zee, het enorme mahoniehouten bureau, twee Apple Mac-computers, een plasmatelevisiescherm, de minibar in de hoek, het Bang en Olufsen-sound system, de foto’s in zilveren lijstjes van Angelica, Carlo, Jade, de jongens en haarzelf. Francesca zuchtte en ontspande. Ze stelde zich aan; er was niets om bang voor te zijn in haar vaders kantoor. Ze had haar halve leven in dit gebouw rondgelopen, het was haar tweede thuis.
Plotseling hoorde ze een luid krakend geluid en begon de enorme draaistoel met hoge rugleuning, die naar het raam gekeerd had gestaan, te draaien. Francesca gilde toen ze oog in oog stond met de onbekende man die in haar vaders stoel zat. Ze staarden elkaar even aan. Francesca was verstijfd van angst. Het was een grote man van een jaar of vijfenveertig met brede schouders en een uitgesproken vierkante kaak. Hij had kortgeschoren blond haar, een bril met een gouden montuur en een brede mond, waarmee hij naar Francesca grijnsde terwijl zij beefde van angst.
‘Wie ben jij in vredesnaam?’ vroeg ze toen ze haar stem eindelijk terug had. ‘En wat doe je in de stoel van mijn vader?’
‘Hallo, Frankie,’ zei de man vriendelijk. ‘Kijk niet zo geschrokken. Ik ben niet van plan je pijn te doen.’
Francesca’s hart bonkte in haar keel, en ze trilde zo erg dat de drie zilveren armbanden die ze altijd rond haar rechterpols droeg rinkelden. De man had een uitgesproken Russisch accent.
‘Ik ben Andrea Dubrovski,’ zei hij tegen haar. Hij glimlachte naar haar alsof het een heel gewone ontmoeting was. ‘Ik ben een zakenrelatie – en vriend, mag ik wel zeggen – van je vader.’
Francesca begon langzaam achteruit naar de deur te lopen. Ze wilde rennen, maar haar voeten waren net loden gewichten. Ze struikelde over haar hakken en viel met een bonk op de vloer, waarbij haar rug tegen de deur knalde en deze dichtsloeg. Ze zat in de val.
‘Het is niet nodig om bang te zijn, mooie Francesca. Ik wil je geen kwaad doen,’ ging Dubrovski verder.
‘Wa-wa-wat d-doe je hier?’ stamelde Francesca. ‘Hoe ben je hier binnengekomen?’
Dubrovski haalde zijn schouders op. ‘Dat is niet zo moeilijk als je weet hoe je dat moet doen.’
‘En hoe wist je dat ik naar kantoor zou komen?’
Francesca was nog nooit in haar leven zo bang geweest. Was deze man haar gevolgd? Nee. Hij was al binnen geweest. Hij had op haar gewacht. Wat was er aan de hand?
‘Ik heb veel vrienden. Ze laten me weten wie wanneer waar zal zijn. Zoals ik al zei, het is allemaal niet zo moeilijk.’ Hij grijnsde weer, waardoor ze een glimp van zijn gouden tanden opving.
‘Wat wil je van me?’ vroeg Francesca. Ze ging zitten en wreef over haar pijnlijke ellebogen.
‘Ga zitten,’ zei Dubrovski terwijl hij naar de stoel tegenover hem wees.
Het is vast niet erg comfortabel op de grond en het is geen plek voor een dame…’
Francesca deed wat haar gezegd werd, meer uit angst dan uit ongemak. ‘Wat wil je?’ herhaalde ze in een poging vastberaden te klinken.
Ze realiseerde zich dat ze haar mobiel in haar handtas in het andere kantoor had achtergelaten. Ze was helemaal alleen met deze, deze, deze… Wie was hij in vredesnaam?
‘Ik heb een heel klein probleempje, Frankie,’ zei hij. ‘Zie je, ik heb je vader onlangs heel veel geld gegeven, maar nu is die arme Fatty naar de grote pizzeria in de hemel gegaan. Dat is een enorme tragedie, ik weet het, en ik wil jou en je hele familie mijn oprechte deelneming betuigen, maar ik weet zeker dat je zult begrijpen dat ik een probleem heb, Frankie.’
Ze haatte de manier waarop hij haar Frankie noemde, het bezorgde haar kippenvel. Niemand noemde haar Frankie, behalve haar naaste familie. Zelfs William noemde haar altijd Francesca.
‘Mijn echtgenoot gaat over de financiën,’ zei Francesca zo kalm mogelijk. ‘Natuurlijk zorgt hij ervoor dat je je geld terugkrijgt. Of misschien kunnen we verdergaan met de zakelijke onderneming waarbij jij en mijn vader betrokken waren…’
Verdomme! Haar vader had het weer gedaan. Hij was achter haar rug om betrokken geraakt bij de een of andere riskante zakendeal. En nu was hij weg en had hij haar in deze situatie gebracht. Ze kon hem wel vermoorden. Behalve, natuurlijk, dat hij waarschijnlijk al dood was. Haar boosheid verdween en de pijn en het verdriet kregen weer de overhand. O, papa, wat heb je gedaan?
Dubrovski lachte. ‘Ik denk niet dat je me kunt helpen, liefje. En ik vermoed dat je echtgenoot geen bewijs van deze betaling in zijn boeken zal vinden. Dit was – hoe moet ik dat zeggen? – een privékwestie tussen je vader en mij.’
Francesca was niet op haar achterhoofd gevallen. Een privékwestie? Had hij geen bewijs dat Fatty dat geld van hem had gekregen? Die vent was niets anders dan een ordinaire afperser.
‘Juist,’ zei ze, waarna ze diep ademhaalde. ‘Je vraagt mij om je geld aan je terug te geven terwijl je geen bewijs hebt dat je het ooit aan mijn vader hebt gegeven?’
‘Dat klopt,’ knikte Dubrovski. Zijn glimlach was plotseling verdwenen.
Francesca schudde haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Als ik geen contract, of een rekeningafschrift, of een ander bewijs van de transactie heb gezien, geef ik je geen cent. Ik stel voor dat we een afspraak maken voor een geschikter tijdstip, zodat je deze situatie kunt bespreken met mijn echtgenoot en onze advocaten.’
Zo, ze had het gezegd. Ze voelde zich nu moediger.
‘Ik denk het niet, Francesca,’ zei Dubrovski. ‘Het was niet zo’n soort overeenkomst, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Francesca begreep niet wat hij bedoelde, maar ze hoorde de dreiging in zijn stem en haar hart begon weer in haar keel te bonken. Het enige dat ze hoorde was het boem, boem, boem van haar hart en het gerinkel van de armbanden aan haar pols.
‘Over hoeveel geld hebben we het?’ vroeg ze. Ze slikte moeizaam. Misschien kon ze hem beter betalen, alleen om hem te laten verdwijnen.
‘Tien miljoen euro,’ zei Dubrovski somber.
‘Tien miljoen? Maak je een grapje?’ vroeg Francesca ongelovig. Hoe had haar vader in vredesnaam zo’n groot bedrag kunnen accepteren zonder het eerst met William en haar te bespreken? ‘En waar was dat geld voor?’
Dubrovski staarde haar koud aan. ‘Zie ik eruit alsof ik een grapje maak?’ vroeg hij.
Francesca schudde haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Maar ik kan zo’n bedrag niet vrijmaken zonder het met William en de advocaten te bespreken, dus als we een nieuwe afspraak kunnen…’
‘Vijf dagen,’ zei Dubrovski resoluut. ‘Vrijdag geef je me het geld.’
‘Maar…’
Dubrovski stond op. Hij was minstens twee meter lang. Francesca snakte naar adem. Hij strekte zijn armen boven zijn hoofd zodat het pistool, dat hij in de tailleband van zijn broek had gestoken, duidelijk zichtbaar was.
‘Ik ben blij dat we dit gesprek hebben gehad, Francesca,’ zei hij terwijl hij met zijn vinger op het pistool tikte. ‘Ik ben hier vrijdag. O, heb ik al gezegd dat ik het cash wil hebben?’
‘Maar ik kan zo’n bedrag niet contant krijgen,’ zei Francesca wanhopig.
‘Ja, dat kun je wel,’ zei Dubrovski met een meedogenloze uitdrukking op zijn gezicht. ‘Anders…’
Anders wat?’ vroeg Francesca beverig.
‘Anders ben ik de volgende keer niet zo vriendelijk,’ zei hij. ‘Tot ziens, Francesca. Ik zie je over vijf dagen. Om twaalf uur ’s middags. Ik kom er zelf wel uit. Ik ken de weg.’
Daarmee was hij verdwenen en Francesca bleef achter in het kantoor van haar vader terwijl het haar duizelde. Haar leven was nog nooit zo’n chaos geweest.