PROLOOG
Het was net iets voor Fatty om de heetste dag van het jaar uit te kiezen voor zijn begrafenis. Tijdens zijn leven vond hij het prachtig als hij mensen een ongemakkelijk gevoel kon geven en nu hij dood was, deed hij precies hetzelfde. Ja, hij zou het fantastisch gevonden hebben, dacht Francesca terwijl ze een zweetdruppel van haar voorhoofd veegde. Tweehonderd mensen transpireerden onder de verzengende mediterrane zon in hun mooiste designbegrafeniskleding. Het was eind september, maar de Indian summer zorgde ervoor dat de Cimetière de Monaco heter leek dan de vuren van de hel.
De rouwenden droegen allemaal zwart. De mannen waren gekleed in elegante, slank gesneden kostuums en witte overhemden die hun diepbruine huid onderstreepten, hun droge ogen waren verborgen achter zwarte of goudkleurige Ray-Bans, en ze droegen elegante Italiaanse leren schoenen die zo grondig waren gepoetst dat de eigenaars hun onberispelijke verschijning erin konden bewonderen als ze daar behoefte aan hadden. De vrouwen droegen chique, aansluitende jurken van Chanel, Valentino of Dior. Hun glanzende, lange, blonde of zwarte haar was voorzien van ingewikkelde hoofddeksels: veren, kant, haarnetjes, parels. Hun zonnebrillen waren zo enorm en hun wangen en jukbeenderen zo scherp afgetekend dat Francesca het moeilijk vond om haar kennissen te herkennen.
Pershelikopters cirkelden volhardender in de lucht dan de wespen, die werden aangetrokken door de wolken parfum en aftershave. Natuurlijk waren ze daarom allemaal hier: de miljardairs, oligarchen, coureurs, actrices, modellen en filmsterren. Het kon hen geen donder schelen dat Fatty dood was, maar de begrafenis was een prachtige gelegenheid om wat aandacht van de roddelpers te krijgen nu de zomer voorbij was. En was het niet handig dat de Monaco Yacht Show dit weekend begon? dacht Francesca cynisch. Alles aan het tafereel deed denken aan een film. De fantastische locatie, de oogverblindende cast, de prachtige, blauwe lucht. Het was zo’n schijnvertoning dat Francesca moest vechten tegen de neiging om van de set af te lopen.
De priester, Padre Gabriele Fontana, was ingevlogen uit Palermo, zoals Fatty in zijn testament had laten opnemen. Hij was een lange, charismatische, knappe man met zilverkleurig haar, die er eerder uitzag als een figurant uit The Godfather dan als een man van God. Hij droeg eveneens een zwarte zonnebril. De begraafplaats liep in terrassen naar de zee af en werd perfect beschenen door de middagzon. Francesca luisterde geduldig terwijl de priester in bloemrijk Engels met een zwaar accent treurde om het tragische, voortijdige overlijden van zijn achterneef en goede vriend Giancarlo Roberto LaFata.
Francesca’s jongere broer, Giancarlo junior, ging iets dichter bij haar staan. ‘Waar heeft hij het in vredesnaam over?’ fluisterde hij in haar oor.
‘Sst!’ deed ze boos, maar Carlo had inderdaad een punt. De moedige, heldhaftige, oprechte man van het volk over wie de priester het had, vertoonde weinig overeenkomsten met de charmante schurk die vandaag werd begraven.
Ja, Fatty had zijn goede punten gehad. Hij was indrukwekkend geweest, en niet alleen om zijn postuur van I meter 86 lang en I60 kilo zwaar. Niemands stem had harder gebulderd, niemands lach had luider gegalmd. Voor de eerste keer die dag voelde Francesca een traan in haar ooghoek prikken. Ze herinnerde zich hoe hij vorig jaar op haar verjaardagsfeest de tarantella had gedanst, met glinsterende ogen, zijn wangen rood van de champagne, belachelijk lichtvoetig voor zo’n enorme man. Ze herinnerde zich hoe hij zich als de Kerstman verkleedde toen ze een klein meisje was, hoe warm zijn naar cognac geurende adem was als hij cadeautjes beloofde die ze óók kreeg als hij geen geld had. Ze herinnerde zich hoe hij een ‘Frankie’ -pizza maakte in de piepkleine keuken van het familierestaurant van haar ouders. Een smiley van salami en rode paprika’s met mozzarellahaar. Ze zou de onstuimige omhelzingen die haar ademloos maakten nooit vergeten, of de diamanten oorbellen die hij haar voor haar zestiende verjaardag had gegeven, hetzelfde paar dat ze vandaag droeg. Haar vingers gingen automatisch naar haar oren om te controleren of ze er nog steeds zaten. Ze waren zoveel waardevoller nu hij er niet meer was.
Francesca maakte zich echter geen illusies. De man was geen heilige geweest. Ze herinnerde zich ook de onbeheerste woedeaanvallen, de dreigementen en de beschuldigingen. De vrouwen wier hart hij had gebroken, de verjaardagen die hij had gemist, de auto’s die hij in puin had gereden, de levens die hij had geruïneerd… Ze veegde een verdwaalde traan van haar wang en probeerde haar zelfbeheersing te herwinnen.
‘Frankie.’ Carlo bracht haar met een duwtje naar het heden terug.
De priester zweeg en de gemeente staarde verwachtingsvol naar Francesca. Iedereen keek somber en eerbiedig, maar er werden geen tranen vergoten voor Giancarlo LaFata. Francesca liep naar de rand van het graf, staarde naar de grote mahoniehouten kist en wierp er een witte roos op. Een roos voor de man die altijd beweerde dat hij overal zonder kleerscheuren vanaf kwam. ‘Dag papa,’ zei ze eenvoudig. Er viel niets meer te zeggen.
De rest van de familie volgde haar voorbeeld. Ze wierpen hun bloemen en namen op hun eigen manier afscheid, en daarna begaven de rouwenden zich naar de wachtende Bentleys, Range Rovers en Ferrari’s, om koers te zetten naar de royale begrafenislunch die Francesca in Hotel de Paris had geregeld.
De directe familieleden bleven nog even bij het graf staan, allemaal verdiept in hun eigen gedachten, tot Carlo uiteindelijk het woord nam. ‘Laten we gaan, de voorstelling is voorbij. Laten we dronken worden.’
Hij keek nog één keer naar het graf, maakte het bovenste knoopje van zijn overhemd open, trok zijn stropdas los, veegde het dikke, zwarte haar uit zijn gezicht en stak een sigaret op. Hij was razend knap en dat wist hij. Elke beweging die hij maakte was zorgvuldig overwogen en waarschijnlijk voor een spiegel geoefend. Carlo leefde voor publiek. Hij slenterde weg, zonder nog één keer om te kijken, met zijn lange, soepele ledematen en een nonchalance waardoor hij er van top tot teen uitzag als een cool GQ-fotomodel. Hij kon Francesca echter niet voor de gek houden. Ze wist dat hij verdriet had. Carlo had zijn moeders ijdelheid en zijn vaders trots geërfd, maar toen haar broertje wegliep, zag Francesca alleen een klein jongetje dat zijn vader net was kwijtgeraakt.
De anderen liepen achter Carlo aan, maar Francesca bleef staan, haar voeten één met de aarde, haar ogen op de kist gevestigd. Ze voelde zich verdrietig, maar niet gebroken. Ze voelde… wat voelde ze precies? Spijt? Wroeging? Dat voelde ze inderdaad, maar er was ook iets anders. Francesca voelde boven alles opluchting. Ja, dat was het. Opluchting. Het was eindelijk voorbij.
Maar waar was het allemaal begonnen? In I946, toen Giancarlo LaFata in de stoffige achterbuurten van Sicilië was geboren? In I970 in Edinburgh, toen de immigrantenzoon zijn eerste pizzarestaurant opende en dat de naam ‘Fatty’ gaf? In I988, toen de ondernemer, die inmiddels miljoenen waard was, als belastingvluchteling naar Monaco verhuisde? Misschien. Maar daar was het voor Francesca niet begonnen. Ze wist precies op welk moment het allemaal zo vreselijk was misgegaan.