HOOFDSTUK NEGEN
Angelica LaFata verschoof haar enorme Oliver Peoples-zonnebril die ze in haar haar had gestoken, trok het nauwsluitende jurkje dat haar figuur accentueerde een stukje naar beneden om het fatsoenlijk te houden en gooide haar honingblonde haar over haar schouders naar achteren. Ze wankelde licht op haar nieuwe Louboutins terwijl ze met haar paarse Hermès Birkin-tas en Louis Vuitton-koffer worstelde, maar ze vond al snel haar evenwicht terug. Ze was eraan gewend om op hoge hakken te lopen. Ze was begonnen met het dragen van haar moeders stilettos toen ze achttien maanden was en er waren heel veel video-opnames om dat te bewijzen.
Ze was klaar voor de paparazzi, als die in de aankomsthal rondhingen. Eigenlijk hoopte Angelica dat ze er waren. Ze wilde dolgraag gefotografeerd worden. Ze wist dat ze er goed uitzag. Misschien was ze een paar pond zwaarder dan vorig jaar, maar ze had een blos op haar wangen en een schittering in haar ogen die veel te lang weg was geweest. Als ze nu in de spiegel keek, was ze tevreden over het meisje dat naar haar glimlachte. En het ging niet alleen om het uiterlijk, ze was er tevreden over hoe dat meisje was geworden. Zoals haar therapeut haar bleef vertellen, groeide ze op tot een goed aangepaste jonge vrouw. Ik ben fantastisch. Ik ben fantastisch. Ik ben fantastisch, was de mantra die haar therapeut haar had geleerd. Eindelijk was Angelica in balans.
Ze hield van de positieve aandacht die ze plotseling kreeg. Haar foto had afgelopen week in Grazia gestaan (ze bewonderden de manier waarop ze haar Burberry-trenchcoat had gecombineerd met blote benen en enkellaarsjes) en ze had de week daarvoor in een aantal roddelbladen gestaan, nadat ze was gefotografeerd toen ze Nobu verliet na een maaltijd met vrienden. Eén kop was eenvoudig geweest: FASHIONISTA ANGELICA LAFATA. Een andere kop schreeuwde: FATTY’S PIZZA-ERFGENAME ANGELICA LAFATA PROEFT VAN DE EXCLUSIEVE KEUKEN. WAT ZOU HAAR VADER DAARVAN ZEGGEN? Alsof ze het koolhydraatrijke voedsel dat ze in de restaurantketen van haar familie serveren zou eten! En alsof haar vader zou willen dat ze dat deed! Alsjeblieft zeg. Maar goed, whatever, vergeleken met de pers die ze gewend was te krijgen was het allemaal heel plezierig.
Het beviel haar dat ze een fashionista werd genoemd. Angelica was altijd gek geweest op kleding, maar de laatste tijd begon ze haar eigen stijl te ontwikkelen en combineerde ze designerstukken met haar moeders vintage Pucci en Ozzie Clark. Vandaag droeg ze Herve Leger. Ze hield van de manier waarop zijn jurken haar nieuwe rondingen volgden. Angelica had plotseling borsten en billen en ze was echt niet van plan die te verstoppen! Ze had natuurlijk niet gevlogen in deze kleding. Ze was niet gek. Een trans-Atlantische vlucht in een strakke jurk en schoenen met plateauzool en hakken van vijftien centimeter was gewoon belachelijk. Nee, ze had de gebruikelijke sterrentruc gebruikt en was aan boord van het vliegtuig gestapt in mooie kleding, die ze daarna onmiddellijk had verwisseld voor een kasjmieren trui met capuchon, een legging en Uggs. Een jaar geleden had een langeafstandsvlucht betekend dat ze een paar flessen champagne en flink wat wodka puur dronk, en dat ze verschillende keren naar het toilet ging om coke te snuiven. Gisteravond had ze echter haar make-up verwijderd, had een dikke laag Crème de la Mer aangebracht, had een slaappil genomen en was in haar bed in de businessclass gekropen, onder een zachte deken en met een satijnen slaapmasker op. Ze had acht uur lang als een baby geslapen en was verrassend fris wakker geworden. Een halfuur voor de landing had ze zich weer omgekleed in haar Herve Legerjurk en had make-up aangebracht – geen gemakkelijke klus in een vliegtuigtoilet, maar Angelica was er als model aan gewend om zich te verkleden in een krappe ruimte – en voila, zoals haar moeder zou zeggen, magnifique!
Angelica’s ster was rijzende. Haar modellencarrière kwam de laatste tijd goed van de grond, met opvallende reclamecampagnes voor Gucci en L’Oréal en de zwemkledingshoot voor Melissa Odabash die ze net in Miami had gedaan. Daarnaast had ze voor MTV een aantal afleveringen over de Côte dAzur gepresenteerd. Ze hadden haar meer werk beloofd als de grand prix van Monaco volgend weekend verreden zou worden. Ze kon niet wachten!
Angelica voelde zich fit, gezond, gelukkig en positief. Haar leven lag voor haar als de lege bladzijden van een ongeschreven roman, klaar om te worden gevuld met een glanzende carrière, fantastische feesten, exclusieve jurken en mooie mannen. De donkere dagen van drinken en drugs gebruiken, waardoor ze vaker in een ontwenningskliniek was beland dan Amy Winehouse, lagen ver achter haar. Ze zou haar hart niet meer laten breken en zich niet gek meer laten maken door waardeloze nietsnutten van mannen. Nee, dankzij de hardnekkige vastbeslotenheid van haar zus Francesca (of pesterigheid, zoals ze het in die tijd had gezien), had een lang verblijf in een strenge ontwenningskliniek in Arizona haar eindelijk genezen van haar demonen en sinds negen maanden was ze clean. Ze dronk niet meer, ze nam geen drugs meer en ze had gevaarlijke mannen afgezworen.
Voor zover het de pers betrof schommelde ze nog steeds tussen beroemd en berucht, maar tegenwoordig waren de berichten voornamelijk positief. Geen koppen meer zoals ‘DE VERSLAAFDE ERFGENAME’ of hun favoriet ‘DE GEVALLEN ENGEL’, wat regelmatig werd gebruikt als onderschrift bij foto’s waarop ze ’s nachts om vier uur met de echtgenoot van iemand anders uit een nachtclub kwam strompelen. De gevallen engel. Ha! Nee, Angelica kon trots zijn, ze gedroeg zich tegenwoordig zo voorbeeldig dat ze bijna een stralenkrans verdiende.
Ze paradeerde met haar schouders naar achteren en haar nieuwe borsten naar voren door de uitgang naar buiten, terwijl ze haar koffer op wieltjes trok, in de hoop dat er fotografen op haar stonden te wachten. Ze zou een taxi nemen naar Sloane Square, waar ze met een stel vriendinnen zou lunchen, en daarna ging ze winkelen in Kings Road. Angelica verdeelde haar tijd tussen haar strandappartement in Monaco en haar koetshuis in Chelsea. Haar vader had het schattige koetshuis voor haar gekocht toen ze op haar zeventiende haar eerste contract met een modellenbureau tekende en nu haar carrière weer in de lift zat, was het heel prettig om een adres in Londen te hebben. Ze had dinsdag een shoot in Londen, dus had het geen zin om dit weekend terug te gaan naar de Rivièra. Ze zou woensdag terugvliegen, net op tijd voor de feesten tijdens het filmfestival in Cannes dat deze week plaatsvond.
Ze haalde diep adem en glimlachte innemend, maar de glimlach bevroor op haar gezicht. Angelica was absoluut niet voorbereid op de aanblik die haar wachtte toen de automatische deuren naar de aankomsthal open gleden. Er stonden tientallen paparazzi te wachten, in plaats van de een of twee die ze had verwacht. Wat was er in vredesnaam aan de hand? Wat had ze gedaan? Angelica pijnigde haar hersenen om iets, wat dan ook, te bedenken wat ze de afgelopen tijd had gedaan dat zo’n opwinding veroorzaakte, maar er was niets. Ze had de laatste tijd zelfs niet gezoend met de vrienden van haar vriendinnen. Ze had haar leven echt gebeterd. Ontelbare fotografen verdrongen elkaar, camera’s flitsten in haar gezicht en iedereen schreeuwde vragen over haar vader. Ze hoorde hun vragen, maar de woorden hadden geen betekenis.
‘Angel! Angel! Hoe voel je je?’
‘Wat denk je dat er met je vader is gebeurd?’
‘Is hij gesprongen of heeft iemand hem geduwd?’
‘Ga je nu terug naar Monaco?’
Angelica voelde zich één moment verlamd, haar voeten zogen zich vast aan de vloer, haar ogen knipperden tegen de flitslampen, de woorden dreunden in haar oren. Ze was een konijntje dat in de koplampen was gevangen; het enige wat ze kon zien was een muur van camera’s en onbekende gezichten. Plotseling voelde Angelica zich bang worden. Haar pas ontdekte zelfvertrouwen verdween terwijl de paparazzi op haar af stormden als een aanvallend leger. Het duizelde haar en ze voelde haar knieën knikken. Ze liet haar Birkin-tas vallen en keek hulpeloos toe hoe haar mobiel, make-up en portemonnee op de grond vielen terwijl de camera’s bleven flitsen. Terwijl ze zich op haar knieën liet zakken en trillend haar bezittingen begon te verzamelen, hoorde ze een vertrouwde, donkere, mannelijke stem. ‘Laat me erdoor, bloedzuigers,’ beval de stem. ‘Laat me haar helpen.’
Plotseling zat Christian naast haar. Zijn vriendelijke, knappe gezicht glimlachte naar haar en hij schoof haar bezittingen snel terug in haar tas, pakte haar koffer, duwde de fotografen opzij, en begeleidde Angelica haastig door de luchthaven met een vriendelijke maar besliste hand in haar rug, naar een wachtende zwarte Mercedes met geblindeerde ramen.
Christian was de beste vriend van haar broer Carlo en hij was een echte schat. Hij was een van die mannen bij wie je kon overgeven terwijl ze geduldig over je rug wreven en je haar uit je gezicht hielden. Hij was ook knap, op een stoere, blonde, Scandinavische manier. Niet Angels type, natuurlijk. Zij had een voorliefde voor uitgemergelde, donkere mannen die het gezicht van een rockband waren, maar ze adoreerde hem. Het was alsof ze twee broers had – Carlo, het krankzinnige, wilde feestbeest, en Christian, de warme, vriendelijke, knuffelbare rots in de branding. Angel was ontzettend opgelucht dat Christian er was. Er was iets heel vreemds aan de hand.
‘Wat is er gebeurd, Chris?’ vroeg ze beverig. Ze was bang voor het antwoord maar wilde wanhopig graag de waarheid weten. De fotografen probeerden nog steeds foto’s te maken. Ze renden naast de auto, sloegen met hun handen tegen de zijkant en hielden hun camera’s voor de geblindeerde ramen.
‘We gaan naar Monaco, Angel,’ zei Christian terwijl hij haar hand pakte en erin kneep. ‘Mijn vliegtuig staat op de startbaan op ons te wachten. Ik ben bang dat ik slecht nieuws heb over je vader.’
De familie LaFata wachtte bezorgd zwijgend in de salon op de eerste verdieping van Le Grand Bleu. Af en toe waaide het schelle gelach van Benito en Luca vanuit de tuin door het open raam naar binnen. De jongens speelden met hun kindermeisje en waren in heerlijke onwetendheid over het drama dat zich om hen heen ontvouwde. Francesca wilde dat ze bij hen kon zijn, om verstoppertje tussen de palmbomen en pijnbomen te spelen. Hemel, ze verlangde ernaar om haar zoontjes dicht tegen zich aan te houden, om hun stevige armen rond haar nek en hun vochtige, kleverige kussen op haar wangen te voelen. Als ze haar nu zouden zien, zouden ze echter weten dat er iets aan de hand was, en Francesca wist niet wat ze hun moest vertellen. Ze had geen antwoorden. Hemel, ze begreep zélf niet eens wat er aan de hand was, hoe kon ze dan aan een vijf- en een zevenjarige uitleggen dat hun geliefde opa in rook was opgegaan?
Jade zat met haar gezicht naar het raam en haar rug naar de anderen toe op een pianokruk. Ze staarde met haar hoofd licht gebogen en haar schouders naar voren naar de zee. Zelfs haar rug straalde verdriet uit. Ze was erg overstuur dat Fatty was verdwenen, maar ze was ook boos op Francesca en Carlo. Francesca kon het haar niet kwalijk nemen. Het was een stomme fout om er niet aan te denken Jade meteen te bellen. Die arme meid had het nieuws van het dienstmeisje gehoord, die op de radio had gehoord wat er was gebeurd. Ze was helemaal over haar toeren tegen de tijd dat Francesca, William en Carlo terug waren. Francesca had zich verontschuldigd tot ze een ons woog en had geprobeerd uit te leggen dat ze in de verwarring en de haast vergeten was te bellen. Ze voelde zich heel beroerd over wat ze had gedaan, of eigenlijk over wat ze níét had gedaan. Het was niets voor Francesca om er zo’n puinhoop van te maken. Ze was normaal gesproken extreem georganiseerd, maar ze had een dergelijke situatie nog nooit bij de hand gehad.
Gelukkig hield Jade niet van ruzie. Ze zweeg eerder beledigd dan dat ze begon te schreeuwen. Misschien mocht Fatty haar daarom zo graag. Ze gaf geen weerwoord. Ze deed wat haar werd gezegd, of ze bleef beledigd in haar kamer als ze haar zin niet kreeg, maar ze verhief nooit haar stem. Eigenlijk was ze meestal nogal stil. Soms vergat Francesca zelfs dat ze in Le Grand Bleu woonde. Dat was waarschijnlijk ook de reden dat ze vanochtend was vergeten te bellen. Toen Jade eenmaal gekalmeerd was en was gestopt met huilen, had ze Francesca’s verontschuldiging met tegenzin geaccepteerd, maar ze had vanaf dat moment geen woord gezegd en haar lichaamstaal maakte duidelijk dat ze nog steeds pruilde.
Carlo hing in een stoel in de hoek en staarde uitdrukkingsloos in de verte, terwijl hij keer op keer een onherkenbare melodie neuriede. Elke paar minuten keek hij op zijn Rolex, mompelde iets en begon weer te neuriën. Het werkte Francesca op de zenuwen, maar ze wilde niet zeggen dat hij moest stoppen. Francesca zat op de rand van de bank, hield haar mobiel vast en wachtte tot er iets ging gebeuren. Wat dan ook. Een telefoontje van de politie of een bezoekje van een rechercheur, alles was beter dan deze ondraaglijke onzekerheid. Plotseling piepte haar mobiel. Francesca sprong overeind, Carlo stopte met neuriën en Jade draaide zich om.
‘Het is Christian. Hij heeft Angelica opgehaald. Ze zijn op de startbaan,’ zei Francesca. ‘Ze landen over een paar uur.’
Arme Angel,’ zei Carlo terwijl hij rechtop ging zitten. ‘Het is fantastisch dat Christian bij haar is, maar ik durf te wedden dat ze het niet goed opneemt. Verdomme, dit is het laatste dat ze nodig heeft. We hebben haar net op het rechte pad.’
‘We?’ vroeg Francesca. Wat een brutaliteit! ‘Hebben wíj haar weer op het rechte pad gekregen? Ik meen me te herinneren dat jij degene was die samen met haar midden in de nacht de nachtclubs uit strompelde.’
Carlo keek uitdagend naar zijn zus. ‘Ja, misschien wel, maar ik lette gewoon op mijn zusje. Je weet heel goed dat ik geen drugs gebruik en dat ik dat ook nooit heb gedaan.’
‘Nee, de heilige Giancarlo interesseert zich alleen voor zuipen, snelle auto’s en losbandige vrouwen,’ snauwde Francesca.
Carlo keek haar humeurig aan met zijn met lange, dikke, zwarte wimpers omrande, bruine ogen. Hij deed zijn best om er boos uit te zien, maar zijn ogen waren nog steeds enigszins rood van het huilen en hij beet op zijn onderlip om het trillen te stoppen. O, god, ze was onredelijk tegen hem. Carlo was geen engel, maar hij was haar broertje, en het laatste dat hij op dit moment nodig had was een standje van Francesca. Ze reageerde haar frustratie en bezorgdheid op hem af en dat was niet goed. Hij had net zoveel verdriet als zij. ‘Sorry,’ zei ze zachtjes. ‘Het komt door de stress.’
‘We hebben allemaal last van stress, Francesca,’ mompelde Carlo. ‘Dat geeft je niet het recht om je als een enorme bitch te gedragen.’
‘Houden jullie allebei gewoon je kop,’ snauwde Jade. Haar plotselinge uitbarsting was zo onnatuurlijk dat Francesca schrok. ‘Denk aan die arme Fatty, in plaats van medelijden met jezelf te hebben. Jullie gedragen je als een stel verwende krengen.’
Francesca en Carlo keken elkaar schuldbewust aan. Jade had natuurlijk gelijk, maar het was afschuwelijk om aan haar vader te denken. Waar was hij? Francesca had alle mogelijkheden overdacht, maar ze kwam telkens terug op hetzelfde antwoord. De enige logische verklaring was dat Fatty was verdronken. De gedachte aan haar vaders enorme lichaam dat ergens in de Middellandse Zee ronddreef, maakte dat ze huiverde van ontzetting.
Er schoot haar plotseling een zin te binnen: het is uiteindelijk slecht met hem afgelopen. Zo eindigden alle verhalen van haar vader over Sicilië. Toen ze een klein meisje was, zat hij ’s avonds op haar bed en vertelde haar krankzinnige, ongelofelijke verhalen over lang vermiste ooms die de Cosa Nostra hadden geërgerd. De ene keer had oom Alfonso de mooie tienerdochter van een priester verleid, een andere keer had oom Federico een kaartspel gewonnen van de plaatselijke maffiabaas of had oom Guido geweigerd een moord te plegen. De namen en verhaallijnen veranderden telkens, maar de verhalen kwamen op hetzelfde neer. De onbevreesde LaFata-held sloeg op de vlucht en overleefde met behulp van zijn gezonde verstand aardbevingen, oorlogen, hongersnoden en moordaanslagen. Het eind was echter altijd hetzelfde.
‘Wat is er met hem gebeurd, papa?’ vroeg Francesca met ogen zo groot als schoteltjes, in de ijdele hoop op een gelukkige afloop.
‘Ach, molto triste,’ zuchtte Fatty dan terwijl hij zijn enorme schouders ophaalde en verdrietig zijn hoofd schudde. ‘Het is uiteindelijk slecht met hem afgelopen.’
Was het slecht met Fatty afgelopen? Francesca voelde zich misselijk worden. Ze had de hele dag nog niets gegeten en ze had zoveel koffie gedronken dat haar handen ervan trilden. Of misschien was dat de schok.
De zware houten deur ging krakend open en William kwam met een grimmige uitdrukking op zijn lijkbleke gezicht de salon in lopen. Francesca staarde naar hem in de hoop dat hij iets zou zeggen wat de pijn zou wegnemen, maar ze zag aan de uitdrukking op zijn gezicht dat hij slecht nieuws had.
‘Ze hebben Fatty’s mobiel gevonden,’ zei hij somber.
‘Waar?’ vroegen Francesca, Carlo en Jade in koor. Ze waren allemaal zijn nummer blijven proberen maar kregen geen gehoor.
‘Helaas heeft een duiker van de politie hem op de bodem van de haven gevonden,’ antwoordde hij.
Zijn woorden bleven als giftig gas in de stille salon hangen. Francesca had het gevoel dat ze geen lucht meer kreeg. Het bleef een hele tijd stil.
‘Dat is het dan,’ zei Carlo, waarmee hij de stilte verbrak. ‘Hij is dood.’
Jade sprong zo wild overeind dat de pianokruk door de kamer vloog en vluchtte snikkend de salon uit.
‘Carlo, alsjeblieft!’ snauwde Francesca. ‘Het was niet nodig om dat te zeggen.’
‘Ja, dat was het wel,’ zei Carlo boos. ‘Die stomme ouwe gek heeft cognac van honderdduizend dollar gedronken en is daarna overboord gevallen. Is er een andere verklaring?’
‘Ik weet het niet, Carlo,’ zei Francesca. Ze probeerde wanhopig iets te bedenken. ‘Ik weet het echt niet. Maar het is niet voorbij tot…’
‘Tot wat, Frankie?’ Carlo stond op en haalde zijn vingers in een wanhopig gebaar door zijn haar. ‘Tot het lichaam van die ouwe aanspoelt in Cap-Ferrat?’