HOOFDSTUK DERTIEN

September I96I, in de buurt van Palermo, Sicilië

 

De neefjes zijn het zat om vallen uit te zetten en gif voor de ratten neer te leggen. De vader van de oudste jongen heeft hun opdracht gegeven om het ongedierte in de krakkemikkige oude schuur op zijn stukje akkerland uit te roeien omdat ze de olijfoogst vernielen. Maar het is een hete dag en er waait geen verkoelende bries in het dorp. Ze besluiten naar het strand te gaan om af te koelen.

Ze klimmen vanaf de dorpsweg over de rotsen naar het strand onder hen. De jongste neef vindt een dode pijlinktvis in het zand. Hij pakt hem op en smijt hem in het gezicht van de oudere jongen, en daarna hollen de jongens elkaar lachend achterna. Ze rennen ademloos van het lachen een grot aan het eind van het strand in. Het is eb en de grot strekt zich als een tunnel voor hen uit.

De oudere jongen, die sinds kort sigaretten van zijn vader steelt, heeft een doosje lucifers in zijn zak. Hij strijkt een lucifer aan, beschermt hem met zijn hand en gebaart zijn neefje dat hij hem moet volgen. Ze lopen voorzichtig verder, steeds dieper de grot in, van tijd tot tijd zenuwachtig lachend, terwijl hun stemmen tegen de vochtige stenen wanden echoën. De grot stinkt heel erg, erger dan het slachthuis in het dorp. De lucifer gaat sissend uit en de oudere jongen zoekt in zijn zak naar het doosje.

In de duisternis raakt zijn voet iets zachts wat op de grond ligt. Hij struikelt en valt op zijn knieën. Als hij de lucifer aanstrijkt is de grot weer verlicht en de twee jongens staren verbijsterd naar wat er voor hen ligt. Het is een man, of in elk geval is het ooit een man geweest. Nu is het een rottend lichaam in ontbinding dat is opgezwollen door de zee. De jongste jongen kokhalst en geeft daarna hevig over.

‘Ik wil naar huis,’ zegt hij tegen zijn neef. ‘Ik vind dit niks. Ik ben bang.’

Maar de oudere jongen is gefascineerd. Het lichaam is gekleed in een zwart krijtstreep kostuum met brede revers, een wit overhemd en een zwarte stropdas.

De mannen van het dorp kleden zich niet zo. Hun kleren zijn oud en aftands, verbleekt door het werken op het land in de zon. Het lichaam is een schoen kwijt, de overgebleven schoen glanst zwart en chic. De hoed is op de een of andere manier stevig op zijn hoofd blijven zitten, en net onder de rand ziet de jongen duidelijk het perfecte ronde gat van een kogel.

‘Cosa Nostra,’ zegt de jongen eerbiedig.

‘Alsjeblieft, ik wil naar huis. Ik ben bang,’ roept de jongere neef weer.

Heel even nog,’ beveelt de oudere jongen.

Hij is de baas. Dat is hij altijd geweest, dat zal hij altijd zijn. Zijn neefje blijft zachtjes snikkend naast hem staan wachten. De jongen ziet dat er een rode stoffen tas uit de tailleband van de broek van de dode man steekt. Hij trekt aan de tas tot deze loskomt, legt hem op het zand en opent hem. Er zit een zwaar gouden kruis met daarop de figuur van Jezus in. Het is gedetailleerd gegraveerd, versierd met rode juwelen en er staan vreemde woorden op.

Padre celeste,’ mompelt de jongere jongen, terwijl hij verwoed een kruis slaat.

De oudere jongen stopt het kruis weer in de rode stoffen zak en port zijn neef in zijn ribben.

‘Kom!’ beveelt hij. ‘Laten we gaan. Snel.’

De jongens haasten zich de grot uit, rennen over het strand en klimmen de steile rots naar de weg op. Als ze bij de oudste jongen thuis zijn, verstoppen ze zich in de schuur en bekijken hun vondst aandachtig.

‘Denk je dat het iets waard is?’ vraagt de jongste jongen.

De oudere jongen knikt zelfverzekerd. ‘Het is massief goud. En het is van…’

Plotseling valt er een schaduw over hen heen. Het is de vader van de oudere jongen.

‘Laat eens zien wat jullie hebben, jongens,’ beveelt hij.

Hij is zoals gewoonlijk dronken. De oudere jongen pakt zijn schat en houdt hem dicht tegen zich aan. ‘Nee, dit is van ons. We hebben het op het strand gevonden.’

De vader is veel sterker dan zijn zoon. Hij duwt hem op de vloer van de schuur en grijpt het kruis.

Mio dio!’ roept hij. ‘Ik geloof mijn ogen niet. Weten jullie wat dit is?’

De jongens schudden hun hoofd.

‘Dit is het kruis van Sint Nicasius,’ zegt hij ademloos. ‘Mijn moeder nam me altijd mee om erbij te bidden toen ik een jongen was. Het is een relikwie! Het bevond zich in een speciale, afgesloten kast, maar op een nacht is het gestolen. Dat was een enorm schandaal, een verschrikkelijke misdaad, en de zoektocht ernaar is jaren doorgegaan. En nu, nu heb ik het in mijn hand!’

Er verschijnt een hebberige glimlach op het gezicht van de vader. ‘En ik word heel rijk omdat ik degene ben die het heeft teruggevonden! De kerk zal me hier vorstelijk voor belonen.’

De oudere jongen is razend. ‘Maar jij hebt het niet gevonden, papa,’ argumenteert hij. ‘Wij hebben het gevonden. Als er een beloning wordt gegeven, zou die voor ons moeten zijn.’

Zijn vader duwt hem weer op de grond, pakt het kruis, stopt het in de rode stoffen zak en draait zich om om de schuur uit te lopen.

‘En wie gelooft jouw woord tegenover het mijne?’ lacht hij. ‘Nee, ik heb het kruis van Sint Nicasius gevonden. Jij niet.’

Plotseling klinkt er een luide klap. De jongste neef heeft zijn oom met een hark op zijn hoofd geslagen. De oudere jongen ziet verbaasd hoe zijn vader naar achteren strompelt en boven op de manden met rijpe zwarte olijven valt.

‘Wat moeten we nu doen?’ vraagt de jongere neef Hij trilt van ongeloof over wat hij net heeft gedaan.

De vader van de oudere jongen kreunt en houdt zijn hoofd vast. Hij heeft pijn, maar is bij bewustzijn.

‘Geef me het rattengif’ beveelt de oudere jongen. ‘Snel!’

De jongere jongen doet wat hem gezegd wordt en kijkt dan verbaasd toe terwijl zijn neef het rattengif in zijn vaders mond giet. De ogen van de man zijn heel wijd open en hij begint een gorgelend, stikkend geluid te maken. Eindelijk blijft hij stilliggen.

‘Is hij dood?’ vraagt de jongste jongen aan zijn neef.

‘Ja,’ zegt de oudere jongen zakelijk. ‘Hij was toch een nietsnut. Die zijn we gelukkig kwijt.’

De jongens ruimen het gemorste gif op en slepen het zware lichaam naar het huis, waar ze hem in zijn favoriete stoel zetten. De moeder van de oudere jongen komt zo thuis met zijn jongere broertjes en zusjes en ze moeten snel zijn.

‘Kom, we gaan,’ zegt de oudere neef. ‘We doen net of we vanmiddag ver weg zijn geweest.’

‘En het kruis?’ vraagt de jongste jongen.

‘Dat bewaar ik voorlopig. We kunnen niemand laten weten dat we het gevonden hebben tot de tijd daar rijp voor is. Maar ik beloof je dat het net zo goed van jou is als van mij. We zitten hier samen in. We zijn neven. Bloedbroeders. Geef me je hand.’

De oudere jongen haalt een zakmes uit zijn zak en maakt een smalle snee op de duim van zijn neefje. Dan doet hij hetzelfde bij zijn eigen duim en houdt de bloedende duim tegen die van de jongere jongen.

‘Dit is ons geheim, voor altijd,’ zegt de oudere jongen ernstig.

‘Voor altijd,’ knikt de jongere jongen.

Daarna rennen de twee jongens zo snel als ze kunnen over het stukje akkerland, door de olijfboomgaard en over de heuvel achter het dorp. Ze blijven heel lang rennen.