HOOFDSTUK TWAALF
De rechercheurs waren gekomen en gegaan. Carlo stond op het balkon, trok hard aan zijn sigaret en keek hoe de rookcirkels die hij uitblies wegdreven in de nacht, waar ze oplosten en verdwenen. Hij probeerde te begrijpen wat de politie hem had verteld. Ze hadden twee glazen gevonden op de tafel van de Vigorosa III, maar van slechts één persoon vingerafdrukken en DNA. Ze vermoedden dat deze van zijn vader waren, maar het zou een paar dagen duren voordat ze dat definitief wisten. Ze hadden allemaal DNA moeten afstaan. Het was niet persoonlijk, had de vrouwelijke rechercheur uitgelegd terwijl ze een wattenstaafje in Carlo’s mond duwde. Iedereen die de afgelopen dagen aan boord van het jacht was geweest – familieleden, vrienden, zakenrelaties en bemanningsleden – moest DNA afstaan om mensen uit te kunnen sluiten. Het leek allemaal zo onwerkelijk dat Carlo het gevoel had dat hij in een aflevering van CSI meespeelde.
Er bleken meerdere getuigen te zijn. Toen Wally, de kapitein van Carlo’s jacht Pulling Power, om één uur ’s nachts naar bed was gegaan, had het jacht nog aan de kade gelegen. Fatty moest op dat moment aan boord zijn geweest met degene met wie hij cognac had gedronken, maar Wally had geen teken van leven aan boord gezien. Om vier uur ’s nachts had een schoonmaakster in een kantorencomplex tegenover de haven gezien dat de Vigorosa niet meer op zijn plek lag, maar de vrouw was geen deskundige op het gebied van luxe superjachten en had aangenomen dat de eigenaar wist wat hij deed. Zij had ook niemand aan boord gezien.
Daarna kwam het angstaanjagende deel. Forensische rechercheurs hadden bewijs gevonden dat zijn vader overboord was gevallen. Een klein stukje wit katoen was blijven haken aan de houten reling die rond het bovendek liep, er was een overhemdknoopje op het dek gevonden en op de reling zaten verse vingerafdrukken. Carlo kon tegenover de rechercheurs bevestigen dat zijn vader de vorige avond inderdaad een wit overhemd had gedragen. Een beige lange broek, een wit overhemd, een marineblauwe blazer, allemaal in maat XXL. Het was zijn favoriete kleding. Het telecombedrijf had bevestigd dat zijn vaders mobiel om 02.47 uur was gestopt met werken. De rechercheurs zeiden dat het hen heel erg speet, maar dat ze uitgingen van de veronderstelling dat Giancarlo LaFata was verdronken en dat ze al hun inspanningen zouden richten op het vinden van zijn lichaam. Als ze het lichaam eenmaal hadden gevonden, konden ze reconstrueren hoe hij precies was gestorven.
Carlo verdacht zijn vader er nog steeds van dat hij dronken was geweest en per ongeluk overboord was gevallen. Of misschien had hij een hartaanval gekregen terwijl hij over de reling leunde om onder het genot van een sigaar van het uitzicht te genieten. Hoe vaak had Carlo hem dat niet zien doen? Ja, dat zou logisch zijn. Zijn vaders gezondheid was de laatste tijd absoluut niet goed geweest.
Carlo’s relatie met zijn vader was nooit gemakkelijk geweest. Hij had zich altijd een beetje een overtollig deel van de familie gevoeld en had zich soms afgevraagd of zijn vader het zou merken als hij er niet was. De meisjes hadden hun rollen. Francesca had de hersenen en had zich, omdat ze twaalf jaar ouder was dan Carlo, al bewezen als de troonopvolger bij LaFata International toen hij nog op school zat. Dat was dus geen optie. En Angel was zo knap en blond en perfect dat ze Fatty’s hart had gestolen. Carlo herinnerde zich dat de drie LaFata-kinderen altijd naar buiten renden om Fatty te begroeten als hij thuiskwam van zijn werk. Fatty tilde Angel eerst op en kuste haar mooie gezichtje, daarna bukte hij zich om Francesca een kus op haar wang te geven en naar haar school te vragen of haar mening over iets wat er die dag in het nieuws was geweest. Als laatste woelde hij halfhartig door Carlo’s haar en zei: ‘Alles goed, zoon?’ Hij wachtte echter nooit op het antwoord. Tegen de tijd dat Carlo zijn mond open had om antwoord te geven, was zijn vader al halverwege het huis, met Angel in zijn armen terwijl hij aandachtig naar Francesca luisterde. Carlo bleef bij de auto achter en keek van een afstand naar de dochters van zijn vader. In die tijd had hij geleerd dat liefde heel veel pijn kon doen. Als je om iemand gaf, had diegene het vermogen om je pijn te doen. Het was beter om je hart te beschermen door je gevoelens uit te schakelen.
Terwijl Angel naar een particuliere meisjesschool in Monaco ging, was Carlo op achtjarige leeftijd naar kostschool in Engeland gestuurd. Hij wist dat zijn vader hem wegstuurde omdat hij te veel problemen veroorzaakte. Hij had zijn vader en moeder erover horen ruziën. Zijn moeder wilde dat hij thuisbleef, maar zijn vader stond erop dat hij ging. Zijn ouders maakten in die tijd over alles ruzie en ze gingen uit elkaar tijdens zijn eerste trimester op kostschool.
De kostschool bleek niet erg te zijn. Christian was er ook en de jongens kenden elkaar al uit Monaco, waar hun moeders bevriend waren. Carlo was in die tijd populair bij de andere jongens en hij was goed in sport, maar hij zag het nut niet van hard werken om goede cijfers te halen. Zijn vader had zoveel geld dat het niet bepaald nodig was dat hij ooit een baan nam of iets anders saais ging doen. Nee, Carlo stopte al zijn energie in plezier maken, wat tot grote frustratie bij zijn leraren leidde. In zijn vroege tienerjaren had hij iets ontdekt: hoe meer problemen hij op school had, hoe meer aandacht hij kreeg van zijn vader. Natuurlijk, de uitbrander die hij van zijn vader kreeg toen hij naar Engeland moest vliegen voor een spoedgesprek met de schooldirecteur was angstaanjagend geweest, terwijl hij alleen het sportveld in brand had gestoken. Wat maakte het uit dat het eerste team dat weekend geen rugby kon spelen? Er was toch niemand gewond geraakt of zo?
‘Je bent een schande, Giancarlo!’ bulderde zijn vader met vuurrode wangen en kloppende aderen. ‘Ik heb het druk. Denk je dat ik geen belangrijkere dingen te doen heb dan hier te moeten opdraven om een reprimande van een omhooggevallen leraar te krijgen over het gedrag van mijn zoon?! Het scheelde heel weinig of je was van school gestuurd, jongen. Heel weinig!’
Fatty hield zijn mollige duim en wijsvinger heel dicht bij elkaar. ‘Nu moest ik aanbieden om voor een nieuw sportveld en, als een gebaar van goede wil, voor een nieuw zwembad te betalen, alleen om te zorgen dat ze je niet van school sturen. Je hebt me tijd en geld gekost. Ik ben niet blij met je, Giancarlo. Ik ben helemaal niet blij met je. Je bent een schande voor de familie. Je zussen veroorzaken nooit problemen. Maar jij? Met jou is het altijd het ene probleem na het andere.’
Carlo vond het natuurlijk niet prettig dat zijn vader tegen hem schreeuwde, maar het was beter dan te worden genegeerd. De afgelopen jaren had Angelica de rol van het meest problematische kind overgenomen, met haar verslavingen, haar instortingen en haar verblijven in ontwenningsklinieken. Toch was Carlo nog steeds degene die de schuld kreeg. Carlo had gezien dat Angel Fatty’s hart had gebroken, terwijl hij alles deed wat in zijn vermogen lag om haar te helpen. Fatty was niet één keer boos op Angel geworden, hij verzon alleen eindeloze excuses voor haar en raapte haar elke keer op als ze van het voetstuk viel dat hij voor haar had gebouwd.
‘Het is haar schuld niet,’ zei hij altijd. Angel is erg fragiel. Ze laat zich gemakkelijk overhalen. Het is de schuld van haar vrienden. Het is jouw taak om haar bij hen vandaan te houden, Carlo, hoor je me? Ze is je zusje, je moet haar beschermen. Als er iets ergs met mijn Angel gebeurt, hou ik jou daar verantwoordelijk voor, begrepen?’
Hij begreep het niet. Hoe kon Carlo Angelica in de gaten houden als ze voor haar modellencarrière in Londen, New York, Parijs of Milaan was? Hoe moest hij ervoor zorgen dat ze niet omging met junkachtige rocksterren en geen verhoudingen had met getrouwde acteurs?
Intussen was Fatty niet of nauwelijks geïnteresseerd in Carlo’s leven. Hij stortte elke maand een toelage op de bankrekening van zijn zoon en liet hem min of meer zijn gang gaan. Af en toe gaf hij Carlo advies over vrouwen.
‘Je bent te jong om je vast te leggen, zoon,’ zei hij dan. ‘Neem het ervan, raak je wilde haren kwijt. Je hebt geluk dat je in Monaco woont. Hier vind je de mooiste vrouwen ter wereld. Je bent een knappe jongen, net als je vader. Ha ha! Je kunt uit heel veel meisjes kiezen. Vrouwen zijn net auto’s, een nieuwe is een tijdje leuk, maar zal je al snel vervelen en dan wil je haar inruilen voor een nieuw model.’
Carlo moest even aan Sasha denken. Jezus, was dat vanochtend geweest? Het leek weken geleden. Ze was speciaal, een onafgemaakt project. Ze zou echter moeten wachten.
Angelica liep door de open balkondeuren naar Carlo toe. ‘Mag ik een sigaret van je, Carlo?’ vroeg ze.
‘Natuurlijk, schoonheid,’ antwoordde Carlo. Hij probeerde een glimlach te forceren, maar Angelica zag dat hij had gehuild.
‘Is alles goed met je?’ vroeg ze, hoewel ze wist dat het een stomme vraag was.
Carlo haalde zijn schouders op. ‘Gaat wel,’ zei hij niet overtuigd. ‘En met jou?’
Angelica schudde haar hoofd. Nee, het was niet goed. Verre van dat. Ze hadden haar allemaal verteld dat haar vader waarschijnlijk dood was, maar ze kon zich er niet toe zetten dat te geloven. Haar vader zou haar nooit in de steek laten. Ze huiverde, hoewel de avond zacht was. Carlo gaf haar een opgestoken Marlboro Light.
‘Ik geloof niet dat hij dood is,’ zei ze uitdagend tegen Carlo. ‘Als hij dood was hadden ze zijn lichaam moeten vinden.’
Carlo keek behoedzaam naar haar. Ze zag dat hij goed nadacht over zijn reactie voordat hij zijn mond opendeed. Ze dachten allemaal dat ze zo verdomd breekbaar was en waren doodsbang om te zeggen wat ze echt dachten.
‘Soms duurt het weken voordat een lichaam aan land aanspoelt,’ zei Carlo zachtjes. ‘James zegt dat het afhankelijk is van de getijden. Maar misschien heb je gelijk. Misschien leeft papa nog.’
Angelica zag aan zijn ogen dat hij loog. Hij geloofde geen moment dat Fatty nog leefde. Hij zei het alleen om haar een beter gevoel te geven. Ze keek naar de met schijnwerpers verlichte tuin en de lichten van Monte Carlo onder haar. Het zag er allemaal precies hetzelfde uit als toen ze drie dagen geleden naar Miami was vertrokken. Hoe kon haar wereld zo dramatisch zijn veranderd en er toch precies hetzelfde uitzien? Ze wist zeker dat ze het zou weten als haar vader dood was. Ze hadden een heel nauwe band met elkaar. Hij kon niet gestopt zijn met ademhalen zonder dat Angelica het wist. Nee, hij kon niet dood zijn. Dat zou niet eerlijk zijn!
‘Ik ben niet van plan om verdrietig te gaan doen,’ zei Angelica tegen haar broer. Ze was bijna boos dat de anderen het ergste geloofden. ‘Dat doe ik niet. Ik ben niet van plan de hoop op te geven alleen omdat niemand hem de hele dag heeft gezien. Dat is belachelijk. Ik bedoel, ik weet dat het verdacht lijkt. En ik heb gehoord wat de politie heeft gezegd over het overhemd en zijn mobiel en zo, maar…’
Ze nam een trekje van haar sigaret en zuchtte. ‘Papa laat me niet zomaar achter. Dus blijf ik wachten en hopen, zodat ik niet krankzinnig word.’
Carlo tikte zijn sigarettenpeuk over het balkon en sloeg zijn arm rond Angelica’s schouders. ‘We moeten gewoon een front vormen,’ zei hij. ‘Wat er ook gebeurt. Zolang we er voor elkaar zijn, is het goed. Dat zou papa gewild hebben.’
Angelica knikte. Carlo had gelijk. Haar vader had vanaf hun geboorte het belang van familie benadrukt. Vrienden waren prettig, maar de enige mensen die je echt kon vertrouwen waren je familieleden.
‘Laat het me weten als ik iets kan doen om je te helpen, Angel,’ zei Carlo.
Angelica dacht even na. Er was iets waarvan ze wist dat het zou helpen. Iets wat de scherpte zou wegnemen van de afschuwelijke, lege pijn die ze vanbinnen voelde.
‘Tja, er is één ding, Carlo,’ zei ze terwijl ze lief naar haar oudere broer glimlachte. ‘Ik heb eigenlijk zin om vanavond uit te gaan. Het is hier net een lijkenhuis. Frankie hangt de hele tijd aan de telefoon met de politie en de advocaten. William zit vastgeplakt aan zijn computer en Jade heeft valium van de dokter gekregen en ligt bewusteloos in bed. Ik bedoel, ik snap niet waarom ze zo geschokt is. Ze kent papa nog maar vijf minuten of zo terwijl wij hem ons hele leven kennen.’
Carlo glimlachte zwakjes. ‘Ik moet toegeven dat het hier inderdaad nogal deprimerend is,’ zei hij. ‘Maar ik dacht dat je niet meer dronk?’
‘Dat is ook zo.’ Angelica keek naar hem met haar meest onschuldige blik.
Ik wil gewoon even het huis uit.’
Angelica had op jonge leeftijd al geleerd dat geen enkele man weerstand aan haar kon bieden als ze haar babyblauwe ogen gebruikte.
Francesca kon het niet geloven toen Carlo en Angelica verkondigden dat ze uitgingen.
‘Zijn jullie krankzinnig?’ vroeg ze terwijl ze ongelovig naar haar broer en zus staarde, die opgedoft klaarstonden om de stad in te gaan. ‘Papa is vermist, waarschijnlijk is hij dood, er staan zo’n vijfduizend fotografen bij de hekken, we zijn allemaal kapot en jullie willen uitgaan?! Jezus, hoe kunnen jullie?’
‘Maar Frankie,’ zei Angel met opengesperde ogen. ‘We kunnen dat wachten niet verdragen. Het is te pijnlijk. We moeten gewoon iets doen.’
‘Wat dan? Denk je dat je je beter voelt van uitgaan en dronken worden?’ vroeg ze. ‘Ik dacht dat je afgekickt was, Angel. Je hebt me beloofd dat je niet meer zou drinken. Hoe kun je er zelfs maar aan denken om op een moment als dit uit te gaan?’
‘Ik ga niet drinken,’ antwoordde Angel. ‘Ik hou Carlo alleen gezelschap. Dat klopt toch, Carlo?’
Francesca kende haar zusje echter door en door en ze zag dat Angel in Carlo’s zij porde. Ze zag ook de lichtelijk geschokte uitdrukking op zijn gezicht toen zijn zusje hem de schuld gaf, hoewel het haar een raadsel was waarom Carlo verbaasd was. Hij had vanaf de dag dat ze werd geboren de schuld gekregen van alles wat Angelica deed.
‘Tja, eh, ja, het was mijn idee. Angel heeft aangeboden met me mee te gaan, dat is alles,’ mompelde hij.
Hemel, waarom werden alle mannen idioten als ze in de buurt van Angelica waren? vroeg Francesca zich af. Zelfs Carlo, die normaal gesproken nooit iemand boven zichzelf plaatste, zou bereid zijn van een rots te springen als Angel dat wilde. Het probleem met Angel was dat ze geen grenzen kende. Niemand had ooit nee tegen haar gezegd en ze had ontdekt dat er geen consequenties aan haar gedrag verbonden waren, hoe erg ze zich ook misdroeg. Iedereen vergaf haar altijd alles. Erger nog, ze zeiden tegen haar dat het haar schuld niet was. Francesca was net zo erg geweest, ze had altijd verontschuldigingen voor haar gezocht, had de rotzooi achter haar opgeruimd en had haar bij elkaar geraapt als ze weer eens instortte, maar dat was voorbij. Francesca was haar vader net kwijtgeraakt en ze was niet van plan om nog een ander familielid aan haar greep te laten ontsnappen.
‘Je gaat niet uit, jongedame,’ beval Francesca. ‘Je blijft bij je familie en je toont je arme vermiste vader wat respect.’
‘Wie denk je verdomme dat je bent, Frankie?’ schreeuwde Angelica terwijl ze met een in stiletto gestoken voet op de grond stampte. ‘Je bent mijn zus maar. Ik ben eenentwintig. Volwassen. Je kunt me niet vertellen wat ik moet doen, begrijp je dat? Je bent mijn moeder niet!’
‘Nee, maar als je moeder je beter had opgevoed, was je misschien niet zo’n verwend, bedorven, klein secreet geworden!’ schreeuwde Francesca terug.
Op het moment dat de woorden haar mond uit waren, had ze er spijt van, maar het was te laat. Ze zweefden door de kamer en ze had geen enkele mogelijkheid ze terug te nemen.
‘Het spijt me, Angel,’ verontschuldigde ze zich onmiddellijk. ‘Het is een stressvolle dag geweest en ik weet dat je in de war bent, liefje, maar ik denk gewoon dat uitgaan niet verstandig is.’
‘O, loop naar de hel, Francesca,’ snauwde Angel terwijl ze zich omdraaide. ‘Kom, Carlo, laten we weggaan uit dit gekkenhuis.’
Carlo keek schaapachtig naar Francesca, mompelde dat hij mee moest om op Angel te letten en het volgende moment waren ze verdwenen. Francesca liet zich op de dichtstbijzijnde stoel vallen en voor de eerste keer die dag barstte ze in huilen uit. Ze voelde zich verschrikkelijk. Bang, niet geliefd, angstig en alleen.
‘Ik wil mijn vader,’ snikte ze onbeheerst. ‘Ik wil mijn vader terug.’