•2•
Michelle ijsbeerde door de gang. Ze keek telkens weer op haar horloge en luisterde naar de sombere muziek die zachtjes door het gebouw galmde. Als je al niet verdrietig, gedeprimeerd of misschien zelfs suïcidaal was voordat je hier binnenkwam, dan werd je het wel na vijf minuten van deze geestdodende troep. Ze was razend dat Bruno de deur had dichtgedaan, maar had besloten er maar niet moeilijk over te doen. Je werd niet geacht degene die je moest beschermen ook maar even uit het oog te verliezen, maar in de praktijk was het negeren van de voorschriften soms onontkoombaar. Toch keek ze een van haar manschappen aan en vroeg voor de vijfde keer: ‘Weet je zeker dat die kamer clean was?’ Hij knikte.
Nadat ze nog even had gewacht, liep ze naar de deur en klopte aan. ‘Meneer Bruno? We moeten er weer eens vandoor. Meneer?’ Nog steeds geen antwoord en Michelle slaakte een nauwelijks hoorbare zucht. Ze wist dat de andere agenten van haar detachement, die zonder uitzondering meer dienstjaren hadden dan zijzelf, nu aandachtig stonden te kijken hoe ze zich hield. Er waren ongeveer 2.400 veldagenten, maar slechts 7 procent van hen bestond uit vrouwen en niet meer dan een heel klein deel van die vrouwen had een functie van ook maar enig gezag. Nee, het viel niet mee.
Ze klopte nog eens. ‘Meneer?’ Er verstreken opnieuw een paar seconden en Michelle voelde hoe haar maagspieren zich spanden. Ze morrelde aan de deurknop en keek vol ongeloof op. ‘Hij zit op slot.’
Een andere agent staarde haar verbluft aan. De man stond duidelijk net zo perplex als zij. ‘Dan moet hij die zelf op slot hebben gedaan.’
‘Meneer Bruno, alles goed?’ Ze wachtte even. ‘Meneer, als u geen antwoord geeft komen we binnen.’
‘Eén minuutje!’ Het was Bruno’s stem. Die was onmiskenbaar.
‘Goed, meneer, maar we moeten nu echt gaan.’
Er gingen nog eens twee minuten voorbij. Ze schudde het hoofd en klopte opnieuw aan. Geen reactie. ‘Meneer, we zijn al te laat.’ Snel keek ze even naar Bruno’s chef-staf. ‘Fred, wil jij het eens proberen?’
Dickers en zij hadden een goede zakelijke verstandhouding, waarin ze beiden rekening hielden met de belangen van de ander. Omdat de leider van het detachement lijfwachten en de chef-staf van de kandidaat twintig uur per dag in elkaars gezelschap verkeerden, moesten ze op zijn minst redelijk met elkaar overweg kunnen om alles een beetje te laten werken. Ze hadden nog steeds vele meningsverschillen, maar op dit punt waren ze het volkomen eens.
Dickers knikte en riep: ‘John, Fred hier. We moeten nu echt weg. We liggen ver achter op schema.’ Hij klopte op de deur. ‘John? Hoor je me?’
Opnieuw voelde Michelle haar maagspieren samentrekken. Er was hier iets niet in de haak. Ze gebaarde dat Dickers bij de deur weg moest gaan en klopte nog eens. ‘Meneer Bruno, waarom hebt u de deur dichtgedaan?’ Geen antwoord. Er verscheen een druppel zweet op Michelles voorhoofd. Ze aarzelde, dacht snel na en riep toen luid: ‘Meneer! Uw vrouw is aan de lijn. Een van uw kinderen heeft een ernstig ongeluk gehad.’
De reactie deed een rilling over haar rug lopen.
‘Moment!’
‘Forceren!’ blafte ze tegen de andere agenten. ‘Forceren die deur!’
Ze beukten met hun schouders tegen de deur, één keer, twee keer, totdat die bezweek en ze de kamer in holden.
Een kamer die op een overleden man na volkomen leeg was.