•40•
Na de landing huurden King en Joan opnieuw een auto en ze reden naar het huis van Mildred Martin, dat ze vroeg in de avond bereikten. Het was een bescheiden huisje in het soort buurt dat populair was bij mensen die moesten rondkomen van een klein pensioentje. Het lag op een kilometer of 8 van het uitvaartcentrum waar Bruno was ontvoerd.
Ze belden en klopten aan, maar er werd niet opengedaan.
‘Ik snap het niet,’ zei Joan. ‘Ik heb toch gebeld dat we zouden komen.’
‘Laten we eens achterom gaan. Je zei dat ze aan de drank is. Misschien zit ze wel te pimpelen in de tuin.’
Aan een rotantafeltje op de mossige, met bakstenen geplaveide patio zat Mildred Martin van haar tuin te genieten. Ze dronk er een borreltje bij en rookte een sigaret. Ze was ongeveer 75 en had het gerimpelde gezicht van iemand die haar hele leven lang veel had gerookt en veel in de zon had gezeten. Ze droeg een lichte jurk van bedrukte katoen en sandalen. Haar haarwortels waren grijs, maar de rest van haar haar was een soort oranje geverfd. Er stond een zoele wind maar de grote citronellakaars onder het tafeltje verspreidde een scherpe geur.
Nadat ze zich hadden voorgesteld, zei Mildred: ‘Ik zit hier graag, zelfs met die verdomde muggen. In deze tijd van het jaar is de tuin echt prachtig.’
‘Heel vriendelijk van u dat u ons wilt ontvangen,’ zei King beleefd. Hij had Joans instructies opgevolgd en het verband afgedaan.
Mildred wuifde dat ze moesten gaan zitten en hield haar glas op. ‘Ik drink altijd gin en ik vind het vervelend om alleen te drinken. Wat mag het zijn?’ Haar stem was laag en hees, gelooid door tientallen jaren vol drank en sigaretten.
‘Een wodka-sinaasappelsap,’ zei Joan met een blik naar King. ‘Heerlijk.’
‘Whisky-soda,’ zei King. ‘Zal ik u even helpen?’
Mildred Martin lachte hartelijk. ‘O, als ik veertig jaar jonger was, mocht je me wel helpen, ja.’ Met een ondeugende glimlach op haar gezicht liep ze het huis binnen.
‘Ze lijkt haar rouwperiode inmiddels wel beëindigd te hebben,’ zei King.
‘Ze zijn 46 jaar getrouwd geweest en iedereen is het erover eens dat het een goed huwelijk was. Haar man was een jaar of tachtig. Hij was doodziek en leed veel pijn. Misschien is zijn dood niet iets waar ze veel over te rouwen heeft.’
‘Bill Martin was Bruno’s mentor. Hoe kwam dat zo?’
‘Bruno heeft voor Martin gewerkt toen hij in Washington als openbare aanklager begon. Martin heeft Bruno wegwijs gemaakt.’
‘Bij het Openbaar Ministerie?’
‘Precies.’
King keek eens om zich heen. ‘Nou, ze schijnen daar anders niet veel aan overgehouden te hebben.’
‘In Amerika verdient een ambtenaar niet veel, dat weten we allemaal. En Bill Martin is niet met een rijke erfgename getrouwd. Ze zijn hier komen wonen na zijn pensionering. Mildred is hier opgegroeid.’
‘Nou, jeugdsentiment is ook zo’n beetje de enige reden waarom ik hier zou gaan wonen.’
Mildred kwam terug met een dienblaadje met drie glazen erop en ging zitten. ‘Nou, jullie zullen wel ter zake willen komen, denk ik. Ik heb de politie al te woord gestaan, maar ik weet hier echt niets van, hoor.’
‘Dat begrijpen we, mevrouw Martin,’ zei King, ‘maar we wilden u toch graag zelf even zien en spreken.’
‘Heb ik even mazzel. Zeg maar Millie, trouwens. Mevrouw Martin is mijn schoonmoeder en die is al dertig jaar dood.’
‘Goed, Millie, we weten dat je al met de politie hebt gesproken, en we weten dat ze een lijkschouwing hebben laten verrichten op je man.’
‘God, dat was echt complete tijdverspilling.’
‘Waarom?’ zei Joan scherp.
Mildred nam haar eens aandachtig op. ‘Omdat niemand hem heeft vergiftigd. Hij was een oude man die vredig in zijn eigen bed aan kanker is overleden. Als het me niet vergund is om dood neer te vallen in mijn eigen tuin dan wil ik ook zo aan mijn eind komen.’
‘Weet je van dat telefoontje aan Bruno?’
‘Ja, en ik heb de politie al gezegd dat ik hem niet heb gebeld. Ze hebben het bij de telefoonmaatschappij nagetrokken. Kennelijk geloofden ze me niet.’
Joan leunde naar voren. ‘Ja, maar waar het ons om gaat, is dat Bruno naar verluidt erg uit zijn doen was na dat telefoontje. Kun je ons misschien vertellen waarom?’
‘Hoe kan ik dat nou weten als ik hem niet heb gebeld? Helaas kan ik geen gedachten lezen. Als ik dat wel kon, dan was ik rijk.’
Joan liet zich niet afschepen. ‘Bekijk het eens van deze kant, Millie. Bruno en je man zijn ooit bevriend geweest, maar nu niet meer. Toch krijgt hij een telefoontje van iemand die zegt dat ze Mildred Martin heet en dat ze hem ergens wil ontmoeten. Vervolgens is hij erg van streek. De beller moet iets hebben gezegd wat daar de oorzaak van kon zijn, en dat moet iets zijn geweest wat Bruno in verband zou brengen met je man of jou.’
‘Misschien heeft iemand hem gewoon verteld dat Bill overleden was. Ik mag hopen dat hij daardoor van streek is geraakt. Ze waren per slot van rekening vrienden.’
Joan schudde van nee. ‘Dat wist hij al. Dat staat vast. Hij was niet van plan om langs het uitvaartcentrum te gaan totdat hij werd gebeld.’
Mildred Martin sloeg haar ogen ten hemel. ‘Nou, dat verbaast me niets.’
‘Waarom zeg je dat?’ vroeg King.
‘Ik zal er geen doekjes om winden. Ik was geen grote fan van John Bruno, ook al had Bill dan nog zo’n bewondering voor hem. Bill was bijna 25 jaar ouder en fungeerde als een soort mentor voor hem. Nou wil ik niet beweren dat Bruno zijn vak niet verstond, maar laat ik het zó zeggen: John Bruno deed altijd wat het beste was voor John Bruno, en de rest kon hem niet schelen. Een voorbeeld: hij is maar twintig minuten rijden verwijderd van het uitvaartcentrum waar zijn vroegere mentor ligt opgebaard, en hij heeft niet eens het fatsoen om het campagne voeren even te onderbreken om afscheid te komen nemen. Tot hij een telefoontje krijgt van iemand die zich voor mij heeft uitgegeven. Meer hoeven jullie over John Bruno niet te weten.’
‘Ik neem aan dat je niet op hem gestemd zou hebben,’ zei King met een glimlach.
Mildred Martin liet een diepe, schorre lach horen en legde haar hand op die van hem. ‘O, jong, wat ben je toch een schatje! Ik zou je op een plank kunnen zetten en de hele dag naar je kunnen kijken.’ Nadat ze dat had gezegd, trok ze haar hand niet terug.
‘Je kunt hem maar beter eerst leren kennen,’ zei Joan droogjes.
‘Ja, graag!’
‘Is er een bepaald moment waarop je voor het eerst een hekel aan John Bruno hebt gekregen?’
Mildred Martin pakte haar lege glas, stopte een ijsblokje in haar mond en beet het doormidden. ‘Hoe bedoel je?’
Joan keek eens in haar aantekeningen. ‘Omstreeks de tijd dat je man de leiding had over het Openbaar Ministerie in Washington hebben zich enige onregelmatigheden voorgedaan die ertoe hebben geleid dat een aantal vonnissen is vernietigd en een aantal vervolgingen moest worden gestaakt. Het was in alle opzichten een behoorlijk vervelende kwestie.’
Mildred Martin stak nog een sigaret op. ‘Dat is lang geleden. Ik weet het niet goed meer.’
‘Ik weet zeker dat het wel weer in je opkomt als je er goed over nadenkt,’ zei Joan streng. ‘En misschien kun je even niet meer drinken? Dit is echt heel, héél belangrijk.’
‘Hé,’ zei King. ‘Hou een beetje je gemak. Ze bewijst ons een gunst, hoor. Ze hoeft ons helemaal niks te vertellen.’
Mildreds hand bleef weer op die van King rusten. ‘Dank je wel, schat.’
Joan stond op. ‘Weet je wat, waarom rond jij het gesprek niet even af, dan ga ik even een sigaret roken in die móóie tuin.’ Ze pakte Mildreds pakje van tafel. ‘Mag ik er eentje?’
‘Ga je gang, meid. Dan ga ik straks tenminste niet alleen dood.’
‘Nou, vriendelijk bedankt, schát.’
Joan liep boos weg en King keek Mildred wat bedremmeld aan. ‘Ze kan soms een beetje onbehouwen zijn.’
‘Onbehouwen? Dat is een cobra met naaldhakken en lippenstift. Werk jij echt voor haar?’
‘Ja. En ik moet zeggen dat ik een hoop van haar leer.’
Mildred wierp een woedende blik naar Joan, die net wat as aftikte op een rozenstruik. ‘Denk erom dat je altijd je hand op je gulp houdt met haar in de buurt, anders word je op een ochtend wakker zonder een bepaald iets.’
‘Ik zal eraan denken. Maar waar ze het over had, die gebeurtenissen in het kantoor van je man… het was je duidelijk aan te zien dat je daar wel degelijk nog iets van weet. Je man heeft naar aanleiding daarvan toch ontslag moeten nemen?’
Mildred Martin hield haar gezicht in de plooi, maar haar stem begon te trillen. ‘Hij heeft de schuld op zich genomen, want hij was de chef en hij was een eerzaam man. Er zijn er niet veel meer zoals Bill Martin. Net zoals Harry S. Truman was hij iemand die verantwoordelijkheid nam voor wat er in zijn naam werd gedaan, ook al had hij daar zelf helemaal niets mee te maken.’
‘Je bedoelt dat hij de schuld op zich heeft genomen voor iets wat helemaal zijn schuld niet was?’
‘Ik wil nog iets te drinken hebben,’ zei ze, en ze maakte aanstalten om op te staan. ‘Straks breek ik nog een kroon op al dit ijs.’
‘Jij vond dat het Bruno’s schuld was, hè? Hij was al uit Washington vertrokken voordat de bom barstte, maar hij heeft wel de carrière van je man geruïneerd terwijl hijzelf de leiding kreeg over het Openbaar Ministerie in Philadelphia. Daar heeft hij een hele reeks veroordelingen op zijn naam weten te brengen die veel aandacht trokken en met behulp van de reputatie die hij daarmee had opgebouwd, wist hij een lucratieve praktijk op te zetten en heeft hij het uiteindelijk zelfs tot presidentskandidaat geschopt.’
‘Je hebt je huiswerk goed gemaakt.’
‘Maar je man bleef een van Bruno’s bewonderaars, dus hij was het kennelijk niet met je eens?’
Ze liet zich weer achteroverzakken op haar stoel. ‘Bill was een goed jurist, maar hij beschikte over uitzonderlijk weinig mensenkennis. Dat moet ik Bruno nageven: hij zei en deed altijd precies wat hij moest zeggen en doen. Wist je dat hij hier langs is gekomen om Bill te vertellen dat hij zich kandidaat had gesteld voor de presidentsverkiezingen?’
King keek haar verbaasd aan. ‘Is dat zo? Wanneer dan?’
‘Een paar maanden geleden. Ik nam de telefoon op. Toen ik die stem hoorde, was ik echt even helemaal van de kaart. Ik had hem eigenlijk het liefst de mantel uitgeveegd, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb mijn mond gehouden en we hebben samen gepraat alsof we oude vrienden waren. Hij vertelde wat hij allemaal voor geweldigs had gedaan en wat hij toch een heerlijk leven had in de hogere kringen van Philadelphia. Ik moest er gewoon van kotsen. Toen heb ik Bill de hoorn gegeven en hebben ze samen nog een tijdje gepraat. Bruno belde alleen maar uit leedvermaak. Hij wilde het er even goed inwrijven bij Bill dat zijn oude pupil het zoveel verder had geschopt dan hij.’
‘Ik ben er gewoon van uitgegaan dat Bruno en hij elkaar in geen jaren hadden gesproken.’
‘Nou, het is ook bij één telefoongesprekje gebleven, en dat was al erg genoeg.’
‘Heeft Bill over de telefoon nog iets gezegd wat ertoe geleid zou kunnen hebben dat Bruno hem de laatste eer is komen bewijzen?’
‘Nee, Bill heeft eigenlijk helemaal niks gezegd. Hij was toen al behoorlijk verzwakt. En ik heb zeker niets tegen Bruno gezegd waardoor hij van streek zou kunnen raken. Maar ik stond te popelen, neem dat maar van mij aan.’
‘Over dat gedoe met het Openbaar Ministerie in Washington?’
‘Onder andere.’
‘Heb je daar ooit enig bewijs voor gehad, Mildred?’
‘Bruno was jurist, dus hij wist hoe hij zijn sporen moest uitwissen. Zijn poep stonk niet en hij was allang weg toen de beerput overliep.’
‘Nou, zo te horen ben je er niet rouwig om dat hij is verdwenen.’
‘John Bruno kan naar de hel lopen. Ik hoop dat hij daar al is.’
King boog naar voren en deze keer legde hij zijn hand op de hare. ‘Millie, dit is echt heel belangrijk. Ondanks de uitslag van de lijkschouwing zijn er aanwijzingen dat je man is vergiftigd, mogelijk met methylalcohol. Methylalcohol is namelijk een manier van vergiftigen waarvan de sporen door balseming uitgewist worden. Zijn dood en het feit dat hij daar in het uitvaartcentrum lag opgebaard, hebben dit hele proces in gang gezet. Wie Bruno ook ontvoerd mag hebben, zoiets kan hij niet aan het toeval hebben overgelaten. Je man móést daar op een bepaald tijdstip gewoon zijn en dat wil zeggen dat hij ook op een bepaalde datum móést overlijden.’
‘Dat heeft de fbi ook al gezegd, maar ik weet zéker dat niemand Bill vergiftigd kan hebben. Dan had ik het geweten. Ik was constant bij hem.’
‘Jij alleen? Je man was erg ziek. Hebben jullie geen hulp gehad? Een wijkverpleegster of zo? Kreeg hij geen medicijnen toegediend?’
‘Ja. En de fbi heeft die allemaal laten analyseren, maar zonder resultaat. Ik heb hetzelfde voedsel gegeten en hetzelfde water gedronken en mij mankeert niks.’
King liet zich achterover op zijn stoel zakken en gaf een zucht. ‘Iemand heeft zich voor je uitgegeven in dat uitvaartcentrum.’
‘Dat heb ik gehoord. Nou, ik zie er goed uit in het zwart. Dat past goed bij de nieuwe kleur van mijn haar.’ Ze keek eens naar Kings halflege glas. ‘Wil je er nog een?’ Hij schudde van nee. ‘Bill was ook een whiskydrinker,’ zei ze. ‘Dat was een van de weinige pleziertjes die hij nog had. Hij had een eigen voorraadje 25 jaar oude Macallan’s.’ Ze grinnikte. ‘Hij dronk er elke avond een. Ik spoot gewoon een glaasje in het slangetje naar zijn maag. Daar had ik zo’n heel grote injectienaald voor. Eten kon hem niet zoveel schelen, maar hij keek altijd verlangend uit naar zijn whisky, zelfs als die rechtstreeks zijn maag in werd gespoten. En hij heeft de tachtig gehaald. Dat is toch niet slecht.’
‘Je zult wel een flinke voorraad hebben.’
Ze glimlachte. ‘Ach, wat moet je op onze leeftijd anders nog?’
King keek eens naar zijn glas. ‘Hoe zit het met jou? Heb je wel eens whisky gedronken?’
‘Ik raak het spul niet aan. Zoals ik al zei, ik hou het bij gin. Whisky smaakt mij te veel naar verfverdunner. Maar als je je voorhoofdsholte wilt ontstoppen, moet je het beslist drinken.’
‘Nou, bedankt in elk geval. Je hoort nog wel van ons, en een prettige avond verder.’ King stond op en draaide zich om. Hij zag Joan staan, met het drankje en de sigaret, en voelde zich verstarren.
Verfverdunner?
Hij draaide zich razendsnel weer om. ‘Millie, mag ik Bills speciale voorraadje whisky eens zien?’