Hoofdstuk 32

Lynsey ging niet dood. Ze werd wakker in een vreemd bed, met de ergste kater die ze ooit had gehad. Ze probeerde haar hoofd van het kussen te tillen en kreunde van de pijn. Terwijl ze om zich heen keek om te bevestigen dat ze in een ziekenhuis was, maakte ze in gedachten de inventaris op van haar lichaam.

Alles deed pijn.

Ze staarde naar het plafond en dacht terug aan dat vreselijke laatste moment in de auto. Met bonzend hoofd hees ze zichzelf overeind en tastte naar het knopje naast haar bed.

Even later kwam er een verpleegkundige binnen. 'Hoe voel je je?' vroeg ze.

Lynsey wilde iets zeggen, maar tot haar verbazing had ze geen stem. Vreemd.

De verpleegkundige gaf haar een glas water met een rietje. Toen Lynsey een slokje nam, werd ze duizelig, en ze duwde het glas weg en liet zich terug in de kussens zakken. Ze wist nog schor 'dank je wel' uit te brengen.

'De dokter komt zo,' zei de verpleegkundige. 'Probeer nog maar even te rusten.'

De volgende keer dat Lynsey wakker werd, wist ze daar niets meer van.

Lynsey kwam er vanaf met schrammen, blauwe plekken en een akelige buil op haar hoofd op de plek waar ze tegen de ruit was geklapt toen de auto over de kop sloeg. Schijnbaar zou ze dood geweest zijn als ze haar veiligheidsgordel niet om had gehad.

'Mijn vriendin?' vroeg ze.

'Die wordt nu geopereerd,' zei de verpleegkundige. 'Maar ze is niet in levensgevaar,' voegde ze eraan toe toen ze Lynseys geschrokken gezicht zag. 'Probeer maar te rusten.'

Van alle domme dingen die ze in haar leven had gedaan, was dit nog wel het ergst. Serena mocht dan niet in levensgevaar zijn, maar waarom werd ze geopereerd? Als er iets met haar gebeurde, was het Lynseys fout. Natuurlijk, zo'n modderlawine was een natuurverschijnsel, maar ze had niet op de weg gelet, dat wist ze best. Iedereen zou zeggen dat zij er niets aan kon doen, maar hoe konden ze dat weten? Ze had zich altijd te snel laten afleiden. Was er een bijna- doodervaring voor nodig om haar minder roekeloos te maken? Hoorde ze dit niet op te vatten als een teken dat er iets moest veranderen? Mensen die met de dood in aanraking kwamen, spraken vaak van de verlichting die daarop volgde; misschien was dit haar kans om haar leven te beteren.

Ze was moe. Misschien moest ze er maar mee wachten tot morgen.

De volgende dag sliep ze tot halverwege de middag, toen de verpleegkundige weer binnenkwam. 'Er is bezoek voor je,' zei ze.

Toby stond in de deuropening met een bos margrieten. 'Hé,' zei hij. 'Hoe gaat het?'

De verpleegkundige liet hen alleen.

'Hoe wist je dat ik hier lag?'

'Ik zag het op het nieuws.'

'Op het nieuws? Echt waar? Zijn we op het nieuws geweest? Hebben ze mijn naam genoemd?'

'Nee, alleen die van Serena. Het was het plaatselijke nieuws maar, je hoeft niet meteen verwaand te worden.'

'Niet doen,' zei ze. 'Lachen doet pijn. Heb je het opgenomen?'

'Ik had de videorecorder klaargezet voor de volgende uitzending, maar om elf uur hadden jullie al plaatsgemaakt voor een brand.'

Lynsey haalde haar schouders op en begon bijna weer te lachen. Ze voelde een steekje in haar schouder, maar het viel wel mee.

'Kan ik soms iemand voor je bellen?' vroeg hij.

Ze schudde haar hoofd.

'Je mag wel gaan zitten, hoor,' zei ze.

Dat deed hij, en hij legde de margrieten op het tafeltje naast haar bed. 'Ik was bang,' zei hij.

Wat lief.

Ze pakte zijn hand. Fijn dat hij er was.

'Ze hebben me een paar vragen over je gesteld,' zei hij. 'Had je geen papieren bij je?'

'Eh... nee.'

'Je bent toch wel verzekerd?'

'Dat vroegen ze hier ook al. Hoezo? Ik had geloof ik wel een reisverzekering, maar die zal wel verlopen zijn. Ik heb toch maar "ja" gezegd, voor de zekerheid, en toen kreeg ik allerlei formulieren.'

'Nee Lyns,' zei hij zo voorzichtig mogelijk. 'Ze bedoelen een ziektekostenverzekering.'

'Ach ja, natuurlijk. We zijn hier in Amerika, dat zou ik bijna vergeten.' Ze had nooit over een ziektekostenverzekering nagedacht. Hoe kon je weten dat je die nog eens nodig zou hebben? Nou ja, eerlijk gezegd had ze er wel een keer bij stilgestaan toen ze een tv-spot- je zag, maar het was niet meer dan een vluchtige gedachte geweest.

'Zou het erg duur zijn?' Ze probeerde zich voor de geest te halen hoeveel geld ze nog had.

'Zou kunnen,' zei hij, terwijl hij wist dat ze het onmogelijk zou kunnen betalen. 'Maak je daar nu maar geen zorgen om. Ik zeg wel tegen de verpleegkundige dat je je hebt vergist en dan zien we wel verder.'

'Oké, dank je.'

Toby keek naar de margrieten, die er al een beetje verlept uit begonnen te zien. Lynsey lag op een vreselijk kamertje met weinig privacy, een piepklein raam zonder uitzicht en luidruchtige airco. Hij had het ook nog eens moeilijk kunnen vinden. Maar voor een meisje zonder papieren en zonder ziektekostenverzekering was het lang niet slecht.

'Wat is er nou?' vroeg Lynsey.

'Niks.'

'Wel waar,' zei ze. 'Je kijkt kwaad. Alsof er iets is wat je bijna niet voor je kunt houden. Zeg op.'

'Ik vraag me alleen af... Wie heeft er nou geen fatsoenlijke verzekering?'

'Ik zie nu natuurlijk ook wel in dat het een goed idee zou zijn geweest, maar wat kan ik er nog aan veranderen? Ik heb mijn lesje toch geleerd?'

'Geen verzekering, geen papieren, geen vast adres. Ik bedoel, je woont in een motel! En er is niemand die ik moet bellen. Ik weet niet, dat klinkt nogal... triest. Leeg.'

'Kom op, Toby, ik voel me al lullig genoeg. Je hoeft het niet nog erger te maken. Ik ben niet verzekerd, oké. Stom. Dat ik me niet kan identificeren komt omdat ik geen stapels creditcards heb, of zo'n handig klein Amerikaans rijbewijs. In Engeland krijg je een dun, slap papieren geval. Mijn paspoort lig veilig in Flamingo Park, waar ik zoals je weet al een jaar woon. Een jaar, dat mag ik toch best een vast adres noemen, of niet soms? Bovendien vind ik het daar fijn. En dat er niemand gebeld hoeft te worden...' Ze zweeg even, een beetje buiten adem, want dit was de langste tekst die ze in achtenveertig uur had gesproken.

'Het is nergens voor nodig om mijn ouders ongerust te maken door ze te laten bellen door iemand die ze niet kennen. Dan schrikken ze zich rot. Ik vertel het ze zelf wel. Zodra ik me goed genoeg voel om te lopen bel ik ze, en dan zal ik ze ervan weerhouden om halsoverkop hierheen te vliegen, want daar hebben ze helemaal geen geld voor. En ik ben toch niet stervende of zo? Het komt allemaal goed.'

'Inderdaad,' zei hij. 'Het komt goed, dat is het belangrijkste.'

'Dank je wel.'

Wie dacht hij wel dat hij was, om zomaar te zeggen dat ze een leeg leven had? Hij was zelf verdorie makelaar! Maar het was lief dat hij was gekomen. 'En doe nu maar iets nuttigs en zet die bloemen in een vaas, voordat ze hun levenslust helemaal verliezen. En ga eens kijken hoe het met Serena is.'

'Heb ik al gedaan.'

'En?'

'De voorruit is verbrijzeld. In haar gezicht.'

Als Serena moest huilen, deed het zout pijn in haar wonden. Ze wist niet hoe ernstig het was, maar het was haar opgevallen dat er geen spiegel in haar kamer hing. Toen ze er een had gevraagd, had de verpleegkundige glimlachend gezegd dat ze bij de dokter zou informeren. Dat was uren geleden.

Haar gezicht voelde alsof het te klein was voor haar schedel. Iedere beweging deed pijn, of ze nu met haar ogen knipperde of schreeuwde.

Haar slapen protesteerden luid en drukten tegen het bot, waardoor ze geen lucht kreeg. Toen ze een rietje tussen haar kapotte lippen wurmde om een slokje ijswater te nemen, was haar gezicht gevoelloos. Ze betastte voorzichtig de nieuwe contouren van haar gelaat en probeerde zich voor te stellen hoe vreselijk ze eruitzag. Ze moest op haar tong bijten om het niet uit te schreeuwen.

Ze weigerde bezoek te ontvangen. Op medelijden zat ze niet te wachten. Wat zij nodig had was een nieuwe carrière.

Toen de dokter binnenkwam, bleef hij op zijn klembord kijken en ontweek hij haar blik. Dit was al de derde arts die ochtend. Ze voelde zich net een proefkonijn.

'Hoe voel je je vandaag?' Hij wachtte het antwoord niet af maar keek nauwlettend naar haar gezicht, waarna hij iets noteerde. Hij trok de lakens weg om naar haar been te kijken, dat op vier plaatsen gebroken was door de klap.

'We gaan vooruit. Is de plastisch chirurg al geweest?'

Serena schudde haar hoofd.

'Dan zal hij zo wel komen. Ik wilde ook iemand van de psychiatrische afdeling sturen, alleen voor een babbeltje, is dat goed?'

En weg was hij.

Serena probeerde te slapen. Zo nu en dan kwam er een verpleegkundige poolshoogte nemen, maar verder was ze alleen - alleen met het gevoel dat ze had gefaald. Wat was ze stom geweest!

Ze dacht eraan hoe ze Fabien bij dat mens om de nek had zien hangen, hoe ze Lynsey had gebeld en in de regen op haar had gewacht; hoe ze erop aangedrongen had dat ze snel wegreed. Daarna niets, totdat ze hier wakker werd met verband om haar gezicht, zo strak dat ze niet door haar neus kon ademen, en met een mond die aanvoelde alsof hij vol spijkers zat. En het enige wat de dokters te zeggen hadden, was dat ze geluk had gehad.

Er kwam een verpleegkundige binnen. 'Wil je vandaag bezoek ontvangen? Er zijn een heleboel mensen voor je.'

Serena kon niemand bedenken die haar zou willen zien. Misschien waren het fans.

'En je broertje is er.'

'Bobby?'

'Hij is met het vliegtuig gekomen. Hij is vreselijk bezorgd om je.

Als je vijf minuutjes voor hem hebt, kun je hem misschien geruststellen.'

'Wat denkt u ervan?' zei Serena. 'Zou hij de aanblik kunnen verdragen?'

De verpleegkundige keek haar open en eerlijk aan. 'Ik zal niet tegen je liegen, het is heel erg. Maar behalve je ogen is alles bedekt met verband.'

'Wat is er met mijn ogen?'

'Die zijn bont en blauw.'

'Allebei?'

'Ja, maar dat trekt wel weg. Liefje, hij is midden in de nacht hierheen gereisd, helemaal alleen. Het maakt hem vast niet uit hoe je eruitziet.'

'Goed dan, vijf minuten.'

De verpleegkundige glimlachte als een trotse moeder. 'Goed zo.' Ze bleef even in de deuropening staan. 'Je hebt geluk gehad, weet je dat?'

'Ja, ik weet het.'

Bobby kwam binnen met een geforceerde glimlach op zijn gezicht, die verdween zodra hij haar zag. Hij had zijn laatste cent gebruikt om naar haar toe te komen en hij was moe en bang.

Wat was hij groot geworden! Serena keek naar het gezichtje dat in haar herinnering nog altijd tien jaar was. Toen het betrok, barstte ze bijna in tranen uit. 'Monsterlijk, hè?' zei ze.

Bobby kwam naar het bed gesneld en pakte haar hand. 'Nee,' zei hij. 'Ik ben gewoon blij om je te zien.' Hij snifte. 'Op het nieuws zeiden ze dat je doodging.'

'Echt? Nou, dat is dan niet doorgegaan.'

Ze spreidde haar armen. 'Kom eens hier.'

Hij leunde voorzichtig tegen haar aan, bang om haar pijn te doen, maar ze hield hem stevig vast. 'Ik heb je zo gemist,' zei ze.

Zo bleven ze een tijdje liggen, broer en zus, en ook al wist ze dat ze niet moest huilen, van binnen had ze vreselijk veel verdriet om het einde van haar dromen.

'Wil je nog andere mensen zien?' vroeg Bobby.

'Wie bijvoorbeeld?'

'Mensen van Justice, en die Fabien. Hij staat voor de deur.' 'Zeg maar van niet,' zei Serena. 'En zeg maar dat het goed met me gaat.' Ze bracht haar hand naar haar gezicht. 'Zeg maar dat het best meevalt.'

'Serena, je bent nog steeds heel mooi.'

Ze probeerde te lachen, maar haar stem brak en het klonk hol.

'Ga nu maar,' zei ze. 'Ik moet veel rusten.'

Hij zocht naar een plekje om haar een kus te geven, en uiteindelijk drukte hij zijn lippen op het verband op haar voorhoofd.

Fabien zat in de gang op Bobby te wachten. Hij sprong op zodra hij hem zag, hunkerend naar nieuws.

'Het gaat wel,' zei Bobby. 'Het valt mee.'

'Mag ik naar haar toe?' vroeg Fabien.

'Ze wil niemand zien.'

'Heeft ze mijn bloemen gekregen?' vroeg Fabien.

'Weet ik niet. Ja, ik geloof het wel.'

Fabien bleef roerloos in zijn harde ziekenhuisstoel zitten. Hij keek op naar het jochie, dat dezelfde gevoelige ogen had als zijn zus. 'Hoe is het met jou, jongen? Gaat het wel? Hoe oud ben je, een jaar of veertien?'

'Ik kan wel voor mezelf zorgen.'

Melanie wist dat Lynsey heus niet expres een auto-ongeluk had gehad, maar ze vond de overlast die ze daarmee had veroorzaakte, wel erg vervelend.

Ze had op de radio gehoord over het ongeluk, waar Serena ook bij betrokken was geweest. Het verbaasde haar dat Serena het nieuws had gehaald. Je zou bijna gaan denken dat dat kind een of andere superster was. Toen het ziekenhuis belde omdat iemand haar naam had genoemd als werkgeefster van Lynsey, had ze beseft dat die twee samen in de auto moesten hebben gezeten. Op de een of andere manier had het meisje aan de telefoon haar overgehaald om op bezoek te gaan, en daar zat ze nu.

Ze had niets meegebracht, geen druiven of chocolade, maar ze hoopte dat Lynsey het zou begrijpen. Voor zulke dingen had ze echt geen tijd. Ze had ook al oppas moeten regelen. Het was allemaal zo'n haastige toestand geweest dat ze een nagel had gebroken bij het vastmaken van haar veiligheidsgordel. Het ergste en het vervelendst van alles was dat Mary Ann ook in dit ziekenhuis lag. Melanie keek voortdurend om zich heen, bang dat ze Davey tegen het lijf zou lopen en dat hij haar zou aanzien voor een gestoorde stalker. Dat was niet de bedoeling; ze had zich voorgenomen om koel en afstandelijk te blijven tot hij zelf contact met haar opnam. Hij had één keer gebeld, een kort telefoontje, dat was alles. Sindsdien hoopte ze vurig iets van hem te horen, maar ze maakte zichzelf wijs dat ze elegant afstandelijk afwachtte.

Bij de receptie hadden ze haar kennelijk al verwacht en vroegen ze haar te wachten in een ontzettend ongemakkelijk plastic stoeltje, en dat terwijl de klok voor de oppas maar doortikte. Ze had gehoopt snel even binnen te kunnen wippen, maar het leek wel alsof ze haar daar wilden vasthouden.

'Mevrouw Chaplin?'

Toen ze zich bij het horen van haar naam omdraaide, zag ze een buitengewoon knappe man staan, met warme, bruine ogen die haar aan Davey deden denken.

Ze keek naar zijn linkerhand. Natuurlijk, getrouwd.

'Met Lynsey gaat het goed,' zei hij. 'Ik wilde alleen even bij u informeren hoe het met haar werkstatus zit. Is ze via u verzekerd?'

'Nee, absoluut niet. Ik ben niet echt haar werkgever. Iemand moet een vergissing hebben begaan.'

'Dus ze werkt niet voor u?'

'Jawel, een beetje. Allemaal heel losjes.'

'En u zelf, mevrouw Chaplin, wat voor werk doet u?'

'Ik ben actrice,' zei ze, een beetje beledigd omdat hij haar niet had herkend. Misschien probeerde hij gewoon tactisch te zijn.

Hij knikte en was zo te zien niet onder de indruk. 'Wat mij zorgen baart, mevrouw Chaplin, is de kwestie van haar werkstatus. Omdat ze hier als spoedgeval is binnengebracht, zijn we verplicht om Lynsey medische zorg te verlenen, maar als ze illegaal voor u werkt, zijn we verplicht dat te melden aan de vreemdelingenpolitie.'

'Dat heeft mijn agent allemaal voor me geregeld. Ik heb een visum en zo,' zei Melanie.

'Juist. En Lynsey?'

'Geen idee. Zoals ik al zei, ben ik niet echt haar werkgever.''Inderdaad, "allemaal heel losjes".' 'U slaat een toon aan alsof ik iets verkeerd heb gedaan.'

'Dat zou ook wel eens het geval kunnen zijn, mevrouw Chaplin. Het inhuren van illegale buitenlanders kan leiden tot aanzienlijke boetes en zelfs gevangenisstraf.'

'Op die manier. Mag ik dan nu naar mijn vriendin toe?'

'Uiteraard,' zei hij. 'Komt u maar mee.'

Het was nog een stukje lopen naar Lynseys kamer en Melanie probeerde de woede die in haar losbarstte, te temperen. Hoe durfde Lynsey haar in die positie te brengen? Ze was blij met Lynseys hulp, vooral in die afschuwelijke laatste maanden, maar ze had er geen seconde bij stilgestaan dat ze daarmee de wet zou kunnen overtreden. Waarom had Lynsey haar dat verdorie niet verteld? Ze moest geweten hebben tot wat voor problemen het kon leiden. Alsof het boeken van een paar hotelkamers en zo nu en dan wat post beantwoorden een baan genoemd kon worden. Serena Simon, die moesten ze hebben als Lynseys voornaamste bron van inkomsten. Toen ze bij de kamer aangekomen waren, haatte ze hen allebei.

Het kostte haar grote moeite om niet schreeuwend naar binnen te gaan.

'Melanie!' zei Lynsey. 'Dat had toch niet gehoeven.'

'Onzin.' Melanie bukte zich om Lynsey op haar wang te kussen en bedacht dat ziekenhuiskamers in de hele wereld hetzelfde roken. De vage geur van desinfecteermiddel om de lucht van zieke mensen te maskeren. 'Ik ben meteen gekomen toen ik het hoorde.'

Lynsey vertelde het verhaal van het ongeluk. Het was de tweede keer dat ze haar relaas deed, eerst tegen Toby, en ze wist het op de juiste plaatsen grappig te laten klinken. Melanie onderbrak haar toen ze beschreef waar ze precies over de kop geslagen waren.

'Wat deed je daar?' vroeg ze.

'Serena had me gebeld. Ze wilde opgehaald worden.'

'Bij Fabien?'

'Er is niets gebeurd,' zei Lynsey toen ze de afkeer op Melanies gezicht zag. 'Ik geloof dat Serena het een en ander verkeerd had geïnterpreteerd. Ze was van streek.'

Melanie trok sceptisch een wenkbrauw op, maar Lynsey ging door naar het dramatische gedeelte, waar ze de dood in de ogen had gekeken.

Melanie luisterde maar half. Ze glimlachte beleefd toen het verhaal afgelopen was en zei tegen Lynsey dat ze veel geluk had gehad. Toen kon ze zich niet langer inhouden.

'Zeg,' zei ze, 'heb jij wel een werkvergunning?'

'Wat is dat toch met ziekenhuizen? Iedereen verandert hier in een bureaucraat.'

'Niet dus?'

'Nee. Ja, zeg het maar. Dat is heel onverantwoordelijk van me en ik kan er vreselijk veel problemen mee krijgen.'

'Jij niet alleen. Ook degenen voor wie je werkt.' 'O.'

'Ja, zeg dat wel. Denk jij dan nóóit eens na?'

'Het spijt me echt. Het is een van die dingen die ik steeds moest regelen, maar ik had er nooit tijd voor.'

'Als je de volgende keer in het holst van de nacht taxietje speelt voor een klein meisje dat zich uitgeeft voor een vrouw, kun je daar misschien aan denken. Ik zweer het je, als ik door jouw schuld in de problemen kom, betaal jij alle juridische kosten.'

'Melanie, het spijt me. Ik weet niet eens hoe ze aan je naam komen.'

Toby kuchte discreet in de deuropening. 'Hallo.'

Melanie draaide zich met een ruk om.

'Melanie, dit is Toby. Toby, Melanie,' zei Lynsey lusteloos. 'Jullie hebben veel gemeen, geloof ik.'

'Dat betwijfel ik,' zei Melanie. Ze wierp theatraal haar hoofd in haar nek, beende de kamer uit en smeet de deur zo hard dicht als ze durfde in een ziekenhuis vol angstaanjagende verpleegkundigen.

In de grote ontvangstruimte raakte Melanie even de weg kwijt en ze moest de plattegrond bestuderen om de weg terug naar de parkeerplaats te vinden.

Toen de klapdeuren openvlogen, draaide ze zich snel om. Ze hoorde een stem die ze uit duizenden zou herkennen.

'Melly! Nog nieuws over de patiënt?'

Het was Douglas Mullraine. 'Wat doe jij hier?' vroeg Melanie.

'Ga nou niet moeilijk doen. Ik kom voor Serena. Je weet best dat ze een vriendin van me is.' 'Ach, je meent het. En wat zegt mijn zusje ervan dat je je vriendinnetje bezoekt in het ziekenhuis?'

'Dat kun je haar dadelijk zelf vragen. Ze is even naar het winkeltje.'

'Is ze hier?' zei Melanie. 'Is Amanda hier?'

'Kijk zelf maar.'

Melanie volgde zijn uitgestoken vinger en daar stond Amanda, met in de ene hand een doos bonbons en in de andere een stapeltje tijdschriften.

'Hallo!'

De zusjes kusten elkaar. Melanie was sprakeloos.

'Ik weet dat ze nog een tiener is, maar ik denk dat ze liever de Cosmo dan de Miss Cosmo heeft, denk je ook niet?' Amanda hield de tijdschriften ter inspectie omhoog.

'Wat doe jij nou...?'

'Ach ja,' zei Amanda. 'Douglas maakte zich zoveel zorgen om zijn vriendinnetje dat we een andere vlucht hebben geboekt.'

Melanie keek Douglas ongelovig aan. 'Jij bent echt een verhaal apart.'

'Wat nou?' zei Douglas. 'Kom op, Melly! Het maakt niet uit hoe vaak ik het je nog zeg, hè?'

Douglas zwaaide naar iemand aan de andere kant van de wachtruimte en ze liepen naar de overkant.

'Hoe vaak je wat zegt?' vroeg Amanda.

'Je zus schijnt nog steeds te denken dat Serena een scharreltje van me is.'

'O ja?' zei Amanda. 'Waarom?'

'Ja, Melanie, vertel op. Waarom? Waarom ben jij na al die tijd nog de enige persoon in heel Hollywood die denkt dat Serena Simon en ik meer dan alleen vrienden zijn?'

Melanie deed haar mond open, maar er kwam niets uit en Douglas sloeg meteen toe. 'Zie je wel? Je kunt geen enkele reden bedenken, behalve dat je haar én mij niet mag. Je zou wel eens wat voorzichtiger mogen zijn, want zo komen de geruchten in de wereld.'

'Ze heeft in mijn gezicht tegen me gelogen. Ze zei zelfs dat ze nog maagd is.'

'Melanie!' zei Fabien. 'Hou je mond. Haar broertje is erbij.'

Melanie had niet gezien dat ze recht op Fabien Stewart af waren gelopen, die onderuitgezakt in een plastic stoeltje zat alsof hij dagenlang niet had geslapen. Ze ontweek zijn verwijtende blik.

Bobby, die zwaar onder de indruk was van al die bekende gezichten van de televisie die hier een scène opvoerden die eruitzag als... een scène in een televisieserie, deed zijn best om onverschillig te reageren.

'Ben jij Bobby?' vroeg Douglas. Bobby knikte en Douglas stak zijn hand naar hem uit. 'Hoe gaat het ermee, jongen? Serena heeft het altijd over je.'

'Echt?'

'Ze is gek op je,' zei Douglas. 'Hoe gaat het met haar?'

'Gaat wel. Maar ze wil niemand zien.'

Melanie probeerde Amanda's blik te vangen en naar haar te glimlachen, maar Amanda negeerde haar.

'Misschien als je zegt dat ik er ben?' zei Douglas.

Melanie lachte nu hardop.

Amanda zei tegen haar: 'Wat is er nou? Hij heeft het je zelf uitgelegd en ik heb het je nog een keer uitgelegd. Er is niets tussen die twee.'

'Amanda, je bent mijn zusje en ik hou van je, maar je moet wel heel dom zijn om te geloven...'

'Om mijn eigen man te geloven? Ik zal je eens wat vertellen, Melanie. Je kunt veel over Douglas zeggen, maar hij is geen leugenaar. Niet als het om belangrijke dingen gaat. En voordat je weer begint: ja, ik weet het, hij is wel eens vreemdgegaan. Die dingen praten we uit en dan stappen we eroverheen. Zo gaat dat in een huwelijk. Waarom denk jij toch altijd dat je het beter weet dan een ander? Dat is zo typisch...'

Midden in deze familieruzie glipte Fabien weg.

Serena lag te slapen toen Fabien haar kamer binnensloop. Hij ging aan haar bed zitten en keek hoe haar borstkas bij iedere ademhaling omhoogkwam en weer en daalde. Toen deed ze haar ogen open, bijna alsof ze het gewicht van zijn starende blik voelde.

'Hallo,' fluisterde hij.

Ze keek naar hem zonder iets te zeggen. Het duurde even voordat ze besefte dat het geen droom was. Zodra dat tot haar doordrong, vlogen haar handen naar haar gezicht. 'God, niet kijken.'

'Ssst.' Fabien ging op het puntje van het bed zitten en trok voorzichtig haar handen weg.

'Geen bezoek, had ik gezegd,' zei Serena.

'Ja, dat weten we. Maar je ziet er goed uit voor iemand die pas uit een autowrak is gekropen. Hoe voel je je?'

Serena haalde haar schouders op en probeerde te glimlachen. 'Behoorlijk in de kreukels.' Ze wendde haar blik af en staarde uit het raam alsof hij er niet was.

Fabien begreep de hint en stond op om weg te gaan. 'Kan ik nog iets voor je doen?'

Ze gaf geen antwoord. Ze wachtte tot hij zou vertrekken, tot ze de deur achter hem dicht hoorde gaan, zodat ze niet meer aan hem hoefde te denken.

Ze voelde zich beschaamd en vernederd. Door haar uiterlijk en omdat ze zich maar al te goed herinnerde hoe ze had gedaan toen ze hem voor het laatst had gezien. De avond van het ongeluk, toen ze zo dom was geweest om te denken dat hij voor haar dezelfde adembenemende, gekmakende aantrekkingskracht zou voelen als zij voor hem. Ze wist dat hij nog achter haar stond en ze wenste vurig dat hij zou vertrekken.

Pas na een hele tijd hoorde ze zijn voetstappen wegsterven.

Melanie zat in haar eentje in de wachtruimte. Ze wilde er zijn als Fabien terugkwam. Misschien konden ze praten. De sfeer tussen hen op de set stond haar niet aan. Die kon schadelijk zijn voor haar carrière. Hij moest het haar vergeven. Vaak kregen mensen wat meer begrip na een ongeluk.

'Waar zijn de anderen gebleven?' vroeg Fabien.

'Douglas en Amanda brengen Bobby weg.'

Ze liepen samen naar het parkeerterrein. 'Heb je haar gezien?'

'Ja.'

'En?'

'Hoezo "en"?' vroeg Fabien. 'Ze heeft een ernstig auto-ongeluk gehad. Ze mag van geluk spreken dat ze nog leeft.'

'Lynsey heeft me verteld wat er is gebeurd. Het is niet jouw schuld,' zei Melanie. 'Je had haar niks beloofd. Het is gewoon een dwaas kind dat zich rare ideeën in het hoofd had gehaald.'

Fabien bleef staan. 'Jij bent echt niet te geloven.'

'Hoezo?'

'Je weet goed wat ik bedoel. Snap je het dan niet? Ze is nog maar een kind. Een lief, jong meisje dat een vreselijke tijd doormaakt. Weet je, soms doet ze me aan jou denken. Ik begrijp niet dat je zo'n hekel aan haar hebt.'

'Ben je gek? Ik ben heel anders dan zij.'

'Ben je jaloers of zo?'

'Op haar? Echt niet!'

'Weet je het zeker? Want je doet heel vals zodra ze in de buurt is en je hoeft haar naam maar te horen of je trekt je bovenlip op.'

'Ik ben niet jaloers op Serena.'

'Doe dan niet zo misselijk. Hier, ga iets fatsoenlijks kopen wat ze in het ziekenhuis kan dragen. Ik blijf hier.'

Fabien gaf Melanie zijn creditcard. 'Kom op nou, Melanie. Ze ligt daar in zo'n groen ziekenhuishemd.'

'Ik kan nu niet. Hoe moet het dan met Joseph?'

'Met Joseph gaat het prima. Je hoeft nog niet naar huis. Geen smoesjes, doe een keer iets aardigs voor een vriendin.'

Hij draaide zich om en beende terug naar de ingang van het ziekenhuis. Melanie bleef achter met zijn platina American Express- card in haar hand. Had hij misschien gelijk?

Ze liep naar haar auto en begon meteen plannen te maken. Ze zou Fabien verrassen door snel naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum te rijden en daar door een personal shopper een complete ziekenhuisoutfit te laten uitzoeken voor Serena terwijl zij haar gebroken nagel liet bijwerken. Binnen een uur zou ze terugkomen met de kleding en Fabien zou denken dat ze het allemaal zelf had uitgekozen. Dan wist hij meteen hoe aardig ze was, en misschien zou hij haar met wat meer respect gaan behandelen.

Ze controleerde haar make-up in de binnenspiegel en zag tot haar tevredenheid dat de veegvaste lippenstift zijn belofte nakwam. Toen zag ze hem.

Davey Black liep langs haar auto met een gigantische bos bloedrode rozen.

Melanie schoof onderuit in haar stoel en hoopte dat Davey haar voorbij zou lopen. En dat deed hij. Zijn blik bleef even op haar rusten maar hij negeerde haar compleet.

Melanie voelde zich alsof ze een klap in haar gezicht had gekregen. Game over.

Ze stak het sleuteltje in het contact en haar zicht werd wazig door de tranen die opwelden in haar ogen. Ze wachtte een paar minuten tot ze weg waren voordat ze de motor durfde te starten. Eén traan glipte ongemerkt uit haar ooghoek en rolde geluidloos over haar volmaakt opgemaakte wang.

Een paar keer diep zuchten en ze was klaar om te vertrekken. Maar toen vloog het portier aan de passagierskant open.

En daar stond Davey. Hij kwam naast haar in de auto zitten. Gelukkig had hij nog het fatsoen gehad om de rozen ergens achter te laten.

'Wat doe je nou?' Melanie probeerde te voorkomen dat hij het portier dichttrok.

'Ik moet met je praten. Ik wil het je uitleggen.' Hij legde zijn handen op haar schouders. 'God, wat zie je er goed uit.'

'Er valt niets uit te leggen. Laat me los. Ik snap het zo ook wel,' zei Melanie.

'Ik heb je nooit willen kwetsen,' zei hij. 'Ze heeft me nodig, ze is erg in de war, Mel. Dat moet je begrijpen.'

'Dat begrijp ik ook wel.'

'Maar binnenkort, als ze alles weer op een rijtje heeft, dan kunnen wij verdergaan waar we gebleven waren. Wij samen. Ze wordt opgenomen. Minstens een week, en ik denk dat ze daarna naar een kliniek zal gaan, dus misschien...' De rest van de zin bleef als een onuitgesproken vraag in de lucht hangen.

'Misschien wat? Misschien kunnen we ergens afspreken voor een potje seks? Stiekem, zodat we je echtgenote niet kwetsen?'

'Ik ben haar man.'

'Dat weet ik.'

'Ze heeft geprobeerd zelfmoord te plegen.'

'Weet je zeker dat ze niet gewoon per ongeluk de verkeerde pillen heeft ingenomen?'

'Ik kan nu niet met je praten. Laat me straks bij je langskomen. Over een uur, hooguit twee uur kan ik er zijn.'

Melanie boog zich langs hem heen en duwde het portier open. 'Blijf uit mijn buurt.'

Ze draaide de contactsleutel om en wachtte tot hij uitstapte. Ze keek strak voor zich uit, wetende dat ze misschien haar wilskracht zou verliezen als ze hem in de ogen keek. Ze verdiende toch beter dan dit?

'Eruit, Davey,' zei Melanie. Ze weigerde hem nog altijd aan te kijken.

Hij bleef nog even zitten, maar uiteindelijk vertrok hij.

Ze keek hem na. Ze wilde méér. Het moest afgelopen zijn.

Toen Lynsey uit het ziekenhuis werd ontslagen, begonnen haar blauwe plekken net langzaam weg te trekken. Toby was er om haar op te halen. Nu ze erover nadacht, was Toby er de laatste tijd vaak voor haar geweest. Hij was nooit te beroerd om een glas water te gaan halen, of kleingeld voor de telefoon. Het verbaasde haar hoeveel assistentie een mens nodig had tijdens zo'n ziekenhuisopname. Je voelde je echt hulpeloos. Waarschijnlijk vond Toby dat juist aantrekkelijk. Eens zou hij een fantastische echtgenote voor iemand zijn.

Hij reed zijn auto tot voor de hoofdingang, ook al kon ze heus wel lopen.

'Mijn auto is zeker total-loss?' vroeg ze.

'Ik ben bang van wel. Hij is verfrommeld als een papieren zakdoekje.'

'Ja, wat mag je anders verwachten voor driehonderd dollar.'

'Soms word ik gewoon bang van jou, weet je dat? Als ik je af en toe hoor...'

'Hoezo?'

'Een auto van driehonderd dollar? Je moet blij zijn dat je niet al maanden geleden in een afgrond bent gereden.'

'Dat is dus niet gebeurd. Jij maakt je te veel zorgen. Neem eens een keer een risico. Wie weet bevalt het je.'Lynsey leunde achterover in haar stoel en deed het raampje open. Ze snoof de smog op die ze tot haar verbazing had gemist. Toby keek naar de metertjes van de airco en vroeg zich af of hij haar zou kunnen vragen het raampje dicht te doen. Toen zag hij de glimlach op haar naar zon hunkerende gezicht en haar haar dat danste in de wind, en hij besloot er maar niets van te zeggen.

'En nu?' vroeg hij.

'In bad, een biertje en dan heel vroeg naar bed. Het heeft me een hoop energie gekost om ze over te halen me te laten gaan. Ik ben doodop.'

Toby keek bezorgd opzij. 'Voel je je wel goed?'

'Ik voel me als iemand die net uit het ziekenhuis komt. En dat is ook de bedoeling, lijkt me.'

'Mijn "en nu?" was eigenlijk algemener bedoeld. Wat gebeurt er straks?'

'Dat zeg ik net. In bad en een biertje.'

'En daarna? Volgende week? Volgend jaar?'

'Volgend jaar? Weet ik veel. Ik denk dat ik moet proberen om een werkvergunning te krijgen. Dat is al zo'n beetje ter sprake gekomen in het ziekenhuis, hè?'

'Het ziekenhuis heb ik geregeld.'

Lynsey keek hem verbaasd aan. 'Jij? Hoe dan?'

'Ik heb aangeboden om de rekening contant te betalen. Meestal houden ze zich wel gedeisd als ze weten dat ze hun geld krijgen.'

'Goh, dank je wel. Maar dat moet je een vermogen hebben gekost.'

'Maak je daar maar niet druk om, ik barst van het geld.'

'Echt? Ik ga het je terugbetalen. Ik moet alleen even kijken hoe het verdergaat met Serena nu ze...'

'Nu ze niet meer mooi is?' 'Ja.'

'Zoals ik al zei, maak je maar niet druk om het geld.' Hij wuifde met één handgebaar een gigantische rekening weg. Lynsey vroeg zich af wat makelaars eigenlijk verdienden.

'Hoe ging het met haar?' vroeg hij.

'Niet al te best.'

Ze had Serena in het ziekenhuis achtergelaten met de belofte dat ze bij haar op bezoek zou gaan, en Lynsey had geprobeerd haar ervan te overtuigen dat het allemaal wel goed zou komen. Maar die kans was klein. Justice had al gebeld. Zogenaamd om hun medeleven te betuigen, maar ze hadden het niet kunnen laten om ook even het programma te vermelden. De grote vraag was hoe het nu verder moest. Serena zou voorlopig niet kunnen werken, en zonder haar tien procent kon Lynsey het wel schudden. Ze vond het ongelooflijk egoïstisch van zichzelf dat ze daar nu aan dacht, maar ze kon dit niet zomaar uit de weg gaan.

Melanie zou haar waarschijnlijk wel aanhouden als assistente. Niet uit loyaliteit, maar omdat het te veel moeite zou zijn om iemand anders te zoeken. Als Lynsey hun professionele relatie kon herstellen, zou Melanie misschien een positieve referentie voor haar schrijven, en dan kon ze op zoek gaan naar een baantje bij een andere doorgedraaide ster die geen tijd of zin had om de details van het dagelijkse leven zelf te regelen. Maar dat zou tijd kosten. En ze moest een werkvergunning hebben.

'Ik denk dat ik maar gewoon naar huis moet gaan,' zei ze.

Maar waar was dat ook alweer?